Jaaroverzicht Horen, Zien en Zwijgen: Zwijgen

In dezelfde serie: deel 1, Horen, en deel 2, Zien.

Om dit stukje te kunnen begrijpen, is dit stukje misschien nodig. (En eventueel dit en dit.)

*
‘Dat ik al mijn tanden kwijtraak, is mijn ergste nachtmerrie.’ Deze zin is in 2011 het meeste tegen mij uitgesproken. Door vreemden op internet, door mijn moeder aan de telefoon, door long lost friends op facebook, door opdrachtgevers en cursisten, en door mijn schoonfamilie.
Als ik het niet tot me liet doordringen, knikte ik glazig en mompelde ik iets van ‘Ja, vreselijk, die dromen.’ Als ik het wel tot me liet doordringen, sprongen de tranen me in de ogen. Mijn werkelijkheid was andermans doemscenario.

*
Kiespijn en oorpijn zijn erger. Dat was mijn mantra gedurende de eerste 37 jaar van mijn leven. Dan had ik een gescheurde knieband of een weggesneden blinde darm en dan was het een verzachtend idee. Het afgelopen jaar werkte het niet meer. Ik had kiespijn, voor het trekken, na het trekken, altijd maar kiespijn. Tegen jezelf zeggen: ‘Je hebt het ergste dat er is.’ Nee, dat is niet vol te houden.

*
Het afgelopen jaar at ik in kruimels en teugen. Elke hap legde ik langs mijn pijngrens. Maandenlang kon ik alleen met twee hoektanden eten, en vervolgens een periode alleen vloeibare dingen. Ik draaide de avocado grijs, putte de yoghurt uit en gooide kilo’s korstjes weg. Drie kledingmaten lager ging ik bevend door het leven van gebrek aan energie.

*
Je spiegelbeeld zonder tanden is afschrikwekkend. Intiem ook. En verbijsterend plat. Ik laat nog liever mijn tieten zien op het Ladeuzeplein dan dat ik ’s avonds zonder tanden in bed kruip naast de man die ik met heel mijn hart wil imponeren. Drie maanden lang heb ik elke avond gehuild. Nu zeg ik alleen nog sorry voordat ik ga slapen.

*
Ik ben van de snufjes. Een druppeltje gembersiroop hier, wat fijngesneden kapperappels daar, wat citroenschil, een paar walnootkruimels en een rozijn.
Ik had me mentaal op allerlei dingen voorbereid, maar niet op smaakverlies. Een kunstgebit is a whole lotta plastic going on. Eigenlijk zijn alleen je tong en de binnenkant van je lippen nog beschikbaar, en dan proef je dus maar bitter weinig.
De arts bevestigde dat: je tandvlees en je verhemelte hebben een belangrijke taak bij het proeven, en die delen zijn bij mij volledig ingepakt. Dus nu hou ik alleen nog van lobbige en luchtige dingen waar je je tong in kunt steken. En snufjes zijn snuffen geworden.

*
In je mond lijkt alles gigantisch. Neem ’n afgebroken hoekje: met je tong voel je een enorm gat, maar in de spiegel is het nauwelijks zichtbaar. Ik denk ook bij elke verandering dat ik er nóóit aan zal wennen, zoals bij van die kiezen die iets te hoog gevuld zijn en waar je dagenlang met je tong langswrijft.
28 gaten in je mond is bijna niet te bevatten en een kunstgebit is een mega-gehaktbal die je in één keer moet opeten. Elke ochtend opnieuw. De rest van je leven.
Omdat afgebroken hoekjes uiteindelijk wennen, ga ik er vanuit dat dat met zo’n bonk plastic ook gebeurt, maar nu, na vier maanden, begin ik de dag nog altijd kokhalzend.

*
Straffeloos in de aluminiumfolie rond de kebab kunnen bijten, enorme happen ijs kunnen nemen, ijskoude McDonalds-cola en iets te hete thee met gemak kunnen drinken: mijn verhemelte is afgesloten en ik heb geen vullingen meer, dus de wereld ligt voor me open.

*
Ik slis nog wel. Men zegt dat niet te horen, maar misschien wil men gewoon lief zijn.

*
Lesgeven, telefoneren, uit eten gaan en voorlezen voor publiek. Ik heb het allemaal al gedaan de afgelopen maanden en het ging goed, dank u. Maar of de angst dat het gebit gaat klapperen of -bewaar me- eruit valt ooit over gaat? Ik betwijfel het.

*
Als je geen tanden hebt, kan je mond niet meer dicht. Je lippen kunnen op elkaar, maar je kaken niet. Er zit een gewricht dat in principe die beweging kan maken, maar dat de afstand van twee rijen tanden niet kan overbruggen. De allereerste nacht dat ik zonder gebit sliep, had ik ’s ochtends het gevoel alsof ik de hele nacht in skistand boven een heel smerige wc had gestaan. Mijn kaak had spieren aangesproken, waarvan ik het bestaan niet kon bevroeden.

*
Valt het mee, vroegen mensen. Nee, zei ik. Ik kon werkelijk niets verzinnen dat meeviel. Vooral mentaal niet, zei ik. Om vervolgens niet onder woorden te kunnen brengen waarom niet. En nog steeds kan ik dat niet. Het is te groot.

*
‘Dat ik al mijn tanden kwijtraak, dat is mijn grootste nachtmerrie.’ Deze zin is in 2011 het meeste tegen mij gezegd. Mijn nachtmerries gaan tegenwoordig als volgt: ik ben ergens en ik heb mijn gebit niet in.
Laatst wilde ik ’s ochtends iemand bellen, maar gelukkig hing ik net op tijd weer op. Ik was iets vergeten die ochtend.

*
Andere jaaroverzichten gaan over boeken en cd’s, mijn jaaroverzicht ging over kwaaltjes. In 2011 had mijn lijf me zodanig bij mijn pietje dat er weinig anders overbleef. Maar omdat ik hoop peur uit het feit dat ik al voor de derde dag op rij een uurtje naar een wit schermpje kan turen (zie ook Horen, Zien en Zwijgen: Zien), en uit het feit dat ik de afgelopen maand al vol overtuiging een paar zwart-op-witballen kapotbeet, en omdat ik mezelf 2011 heb doorgemantraad met ‘alles went’, wens ik mezelf dat in 2012 daadwerkelijk álles went.