Mijn afscheid van de ambitie om het leven voor te zijn

Vroeger dacht ik dat ik een gemakkelijk meisje was. Toen ik dat eens hardop zei, moest mijn beste vriend lachen. Ik dacht ook dat pech in porties kwam, het stond in mijn poesiealbum: na regen komt zonneschijn. Ik dacht dat ik sommige dingen niet aan zou kunnen, hopeloosheid bijvoorbeeld. En ik dacht dat ik het zo rond deze tijd wel onder de knie zou hebben. 38, ja, dan wist je het wel ongeveer.

Onlangs sprak ik een hersenwetenschapper. Hij was ingehuurd om mij iets over moeilijke cursisten te leren, maar hij leerde mij iets over mijzelf. Hij tikte wat met een pen op een foto van neuronen, liet een paar keer het woord adrenaline vallen en voilà, zonder het te weten gaf hij me de sleutel.

‘Het is goed afzetten vanaf de bodem’ is dezer dagen mijn meest gegeven antwoord op de vraag hoe het met me gaat, maar het is gelul. Ik herinner me hoe we vroeger gingen zwemmen in de Botshol, een prachtige verzameling sloten en meren in de buurt van Amsterdam. Mijn ouders huurden een bootje van een boer en als mijn vader afduwde, lagen mijn zus en ik al in het water. De bodem was drassig en moerassig, de modder spoot als een koeienvlaai tussen je tenen als je ze in de diepte samenkneep. Afzetten om zo gemakkelijker in de boot te klimmen was er niet bij. Met pure armkracht, van onszelf, of van papa, hesen we ons weer in de boot. Een bodem is alleen handig als-ie hard is, stevig genoeg om een ferme kniebeweging op te vangen.

Je kunt radeloos worden als je je tanden verliest, als je bijna blind wordt, als je daardoor je grote droom – je debuutroman – in een verre verte ziet verdwijnen, als je vaste lasten te zwaar worden en als je daardoor op stel en sprong moet verhuizen. En hopeloosheid is eerder een drassige bodem dan een verende duikplank.

Mijn hele leven heb ik me schrap gezet voor alles wat me ook maar enigszins kon verrassen. Ik maakte het uit met vriendjes voordat zij het uit konden maken, ik bedacht bij elke geklaarde klus voor Het Eiland Neus direct op welke punten men kritiek zou kunnen hebben en voerde de denkbeeldige aanbevelingen al uit voordat iemand iets kon zeggen. Ik nam iedereen zo snel mogelijk de wind uit de zeilen door zelf aan te geven dat de aardappels nog te hard waren, dat er inderdaad een tikfout in die tweet stond en dat ik mijn leven altijd maar weer zou beteren.

Na wekenlang getuur in het duister constateerde ik dat ik er geen fuck aan had gehad: ik had me proberen voor te bereiden op de kutte kanten van het leven, ik had me schrap gezet en dat had me een hoop stress bezorgd, maar het had niet voorkomen dat er geen plek in mijn hoofd was, in mijn leven, waar ik me nog veilig voelde. Ik besloot me niet meer schrap te zetten. Niet meer te proberen af te zetten in het moeras van de Botshol, maar te vertrouwen op mijn armkracht als het erop aan komt.

De eerste keer dat ik lesgaf nadat ik me dat had voorgenomen, lukte het. In plaats van na afloop twintig keer in mijn hoofd te herhalen wat er fout was gegaan, zei ik tegen Wannes dat ik het gevoel had dat ik iets was vergeten. Mijn tas of zo.

Ik had iets achtergelaten. Adrenaline, controle, illusies. De ambitie om het leven voor te zijn.