In Volkskrant Magazine: Op examen voor een baby

Omdat veel Vlamingen vroegen of ze het artikel in het Volkskrant Magazine mochten lezen, plaats ik het artikel dat vorige week verscheen hier door.

Publiciste Maartje Luif zat het altijd mee. Totdat ziekte en gebrek haar leven binnenslopen. Nu dreigt haar laatste kans op een kind te worden vergald door de morele ‘keuring’ van de fertiliteitsconsulent. ‘Ik wilde roepen dat ik geen tijd te verliezen had, met nog maar één fokking follikel, maar ik zei niks.’

Ik dacht een weldenkend mens te zijn, tot het ziekenhuis liet weten dat we waren besproken in ‘de fertiliteitsstaf’: er waren nog wat vraagtekens.
Ik was niet gewend te zakken voor examens. Omdat ik opgroeide in een gezin dat alles had: voldoende geld, voldoende hersens en een groot huis in Amsterdam, was ik er vast van overtuigd dat ik altijd een zondagskind zou blijven. In alle opleidingen die ik deed, haalde ik mijn examens in één keer, de banen die ik had, sleepte ik binnen zonder een zuchtje weerstand en ik hoefde nooit iets te vragen: ik kreeg. Dat ik in 2008 zakte voor mijn rijexamen kon ik nauwelijks geloven, maar dat was gemakkelijk opgelost: gewoon laten zitten dat hele examen. Als je het niet nog een keer deed, kon je ook niet nog een keer zakken. Ik vond dat tamelijk slim opgelost.

Tot in datzelfde jaar de kar van de voorspoed piepend en krakend tot stilstand kwam. Ik kreeg twee ongeneeslijke ziektes, een auto-immuunziekte en een daaraan gerelateerde ziekte aan mijn handen. Vorig jaar werd ik op de koop toe tijdelijk doof, tijdelijk blind, ik raakte voorgoed al mijn tanden kwijt en tuurde plots in een financiële afgrond die haar weerga niet kende. Maanden zat ik in een donkere kamer, met gaten waar ooit mijn tanden zaten, ik bereidde een noodgedwongen verhuizing naar een goedkoper huis voor en zag de klap op de vuurpijl totaal niet aankomen: mevrouw, u bent al jaren in de overgang.

37 was ik, en ik had een paar jaar hartstochtelijk geprobeerd zwanger te raken. Ach meisje toch, je bent pas 37, even doorzetten, zei mijn omgeving. Maar ik stond niet vooraan toen het geduld werd uitgedeeld en dus meldden mijn vriend en ik ons bij het fertiliteitsloket. Even checken, dachten we. En toen kwam het dus, bovenop al het fysieke ongemak: mevrouw u bent al jaren in de overgang.

Eigen schuld, schoot direct door me heen. Je leest overal dat vrouwen tegenwoordig veel te laat kinderen nemen. Hoe konden we zo dom zijn. Maar, suste ik mezelf: je zet geen kind op de wereld in een leven dat van losse flodders aan elkaar hangt. Je bereidt je voor, denkt na, en doet dan pas iets ingrijpends. Dat vergt tijd. Op mijn 31e sloeg ik mijn Vlaamse vriend op spectaculaire wijze aan de haak, ruim een jaar later verkocht ik mijn huis in Amsterdam, ik zegde mijn baan op binnen de vakgroep Geschreven Pers aan de School voor Journalistiek in Utrecht, sleepte mijn spullen over de Moerdijk en settelde me in het Belgische Leuven. Ik bouwde een freelancepraktijk op, voelde of het goed zat tussen mij en mijn nieuwe vriend, mijn nieuwe land en mijn nieuwe werk en op mijn 34e besloot ik: oké, ik ben er klaar voor, laat die baby maar komen. Hop, even twee jaar proberen: easy does it. Niet dus: mevrouw, u bent al jaren in de overgang. Bij die woorden pakte mijn vriend mijn hand, ik haalde mijn tong langs de gaten in mijn mond, kneep mijn mollenoogjes samen en mompelde mijn nieuwe mantra ‘incasseren kun je leren’. Dokters zijn slim, reageerbuizen geduldig en na een grondige echografie bleek zich in mijn lichaam nog één eenzame follikel op te houden. Moeilijk gaat ook, zeggen ze in Vlaanderen, dus dat hield ik maar in mijn achterhoofd: moeilijk gaat ook.

In het ziekenhuis gaven ze ons een dikke stapel a4’tjes met informatie over alles wat er bij een ivf-behandeling komt kijken. Het leek ons nog een hele heisa, maar moeilijk gaat ook, en hee: wat kon er eigenlijk misgaan? In het ergste geval kregen we geen kind, maar dan hadden we het in elk geval geprobeerd. Wat we ons toen niet realiseerden, is dat zo’n behandeling een hele reeks examens is, waar je niet voor kunt leren. Ik had het rijexamen succesvol verdrongen en uit zelfbehoud niet herhaald, maar het idee dat het kón, dat ik tot het einde der tijden kon proberen dat alsnog te halen, had me stiekem toch wel gerustgesteld. Mijn oma haalde op haar 69e haar rijbewijs, niets stond me in de weg dat trucje nog eens dunnetjes over te doen. Maar voor dit examen gold: u heeft één lousy follikel en het is een kwestie van tijd voordat de koek gewoon op is.

Hoewel het allemaal slecht uitkwam – mijn lijf, onze bankrekening en de verhuisplannen waren geenszins het toonbeeld van goed ouderschap – togen we week in week uit naar het ziekenhuis voor allerlei onderzoeken; we hadden immers geen tijd te verliezen. Ze namen bloed af, deden uitwendige echo’s, inwendige echo’s, spoten water in mijn baarmoeder om zo met een camera naar binnen te kunnen en vroegen me uitentreuren om medische vragenlijsten in te vullen. In eerste instantie ging mijn vriend mee uit pure solidariteit, in tweede instantie omdat met zijn zaad ook niet alles in orde bleek. Voor nóg meer onderzoeken moest hij zich eindeloos aftrekken in kamertjes met volle vuilnisbakken, volle wasmanden en plakkerige tijdschriften. We ondergingen alle tests gelaten en lachten in de auto naar huis het ongemak van ons af, roddelend over de mannen in de wachtkamer die onschuldig kijkend naar het peeskamertje liepen en blozend als een Jona Gold weer naar buiten kwamen.

Langzaam begon het me te dagen: ze ging ons niet begeleiden, ze ging beoordelen of we als ‘wensouder’ wel voldeden.

En toen was daar de afspraak met de fertiliteitsconsulent. Wij dachten dat die ons zou begeleiden bij al wat moeilijk was: de spanning van de hele exercitie, de hormooncocktail die je krijgt toegediend, de verhoogde kans op afwijkingen en meerlingen, en de uiteindelijke verwerking van het resultaat: ben je zwanger van een levensvatbaar kind of niet? Maar toen puntje bij paaltje kwam, bleek ze vooral de examinator van dienst.

De consulente begon rustig, volgens het boekje: eerst naam, leeftijd, geboorteplaats. Ze vinkte ongeneeslijke ziektes aan en vertrok geen spier, alsof het allemaal doodnormaal was. Vervolgens de stabiliteit van onze relatie. Ja, gaat goed, ja, al lang samen, nee, weinig ruzie, ja, goed over nagedacht, ja, over gepraat, ja we kunnen goed praten, nee, kroppen niks op, nee, we zijn het zelden oneens. Langzaam begon het me te dagen: ze ging ons niet begeleiden, ze ging beoordelen of we als ‘wensouder’ wel voldeden. En niemand had ons vooraf verteld wat de juiste antwoorden waren. We zaten in een examen waar we niet voor hadden geleerd.

Toen volgde het onderdeel ‘psychische problemen in de familie’. Anti-depressiva? Wie? Hoe lang? Waarom? Anti-psychotica? Wie? Hoe lang? Waarom? Mijn hersens draaiden overuren: welke geestesziekten mochten in je familie voorkomen en welke niet? Welke antwoorden waren goed en bij welke klonk een zoemer en verscheen er een rood kruis? Het aloude adagium ‘een kind néém je niet, een kind kríjg je’ kwam in me op. Wat moesten we zeggen om dit cadeau waard te zijn? En wat vooral niet?

‘Is er verder nog iets?’ vroeg ze. Ja, zicht kwijt, tanden kwijt, huis kwijt. O, zei ze. Ze vertrok geen spier en ging verder: roken jullie? Ja. Vinkje. Drinken jullie? Ja. Vinkje. Gebruiken jullie cannabis? Ja. Toen ze haar pen weer van het papier haalde, keek ze ons indringend aan: met cannabis moeten jullie stoppen. We knikten. Uiteraard. ‘Want het is niet goed voor de zwangerschap.’ Nee, evident, zeiden we. De hersens die we van huis uit hadden meegekregen, hadden ons er allang toe gebracht daarover te praten. Ik zou niet meer roken, niet meer drinken en niet meer blowen, en uit solidariteit zou mijn vriend hetzelfde doen.
‘En wat misschien nog wel belangrijker is, óók als het kindje er is, mag je geen cannabis meer gebruiken. Het is voor kinderen niet goed om op te groeien bij ouders die cannabis gebruiken.’ Ah, dus het examen ging óók over de opvoeding. Ik probeerde me naarstig voor te stellen wat ze van ons dacht. Dat we met een dikke joint boven de wieg zouden hangen, de zwaartekracht zou de askegel in het wiegje trekken en de bruine walmen zouden het kind bedwelmen. We zouden door Bob Marley en onze lachkick het gekrijs uit de babykamer niet meer horen en we zouden de laatste centen in de diepe put die we ook wel onze bankrekening noemden, opmaken aan een zakje wiet in plaats van luiers. Van woede begon mijn lip te trillen. Ik wilde roepen dat we weldenkende mensen waren, zó weldenkend dat we te lang hadden gewacht met een kind verwekken, en dat het klapperende kunstgebit in mijn mond, mijn jampotglazen en mijn nieuwe, veel kleinere huis, dat zorgvuldig volgetetrist moest worden, wel even iets ingrijpender waren dan de psychische problemen in onze familie en mijn ideeën over een jointje op zijn tijd. Maar ik zette de boosheid om in het mantra ‘incasseren kun je leren’.

We foeterden en foeterden tot ik de autoradio zacht zette en fluisterde ‘incasseren kun je leren’.

In plaats van te lachen op de terugweg, foeterden we. Over het examen dat we moesten afleggen, terwijl Jan en alleman een kind bij elkaar vrijt. Niks over de zware tijd die ons te wachten stond, alles over ziektes in de familie, hoe praten jullie met elkaar en welke genotsmiddelen wil je als opvoeder nog tot je nemen? Het verraste ons. Wij maakte ons zorgen over over de adrenalinebom die in ons lijf huisde, de fertiliteitsafdeling over dat ene jointje dat we ooit misschien zouden roken. De moraal in het land van bier en frieten, het land waarin mensen tijdens de middagpauze beginnen met hun eerste tripel en een bord vettig eten. We foeterden en foeterden tot ik de autoradio zacht zette en fluisterde ‘incasseren kun je leren’.

Tijdens de volgende afspraak bij de gynaecoloog bleek dat we waren besproken in de staf en ‘er waren toch wat vraagtekens’. ‘Met cannabis zijn we gestopt’, zeiden we snel, in de hoop dat we daarmee alle wind uit de zeilen hadden genomen. Ja, allez, oké, dat was wel goed, maar we wisten toch wel dat we er daarna ook niet meer mee mochten beginnen? Hij wilde liever nog even wachten met de ivf, eerst moesten we nog een keer langs de fertiliteitsconsulent. Wederom begon mijn onderlip te trillen. Ik wilde roepen dat ik geen tijd te verliezen had met nog maar één fokking follikel, maar ik zei niets. Een kind neem je niet, een kind krijg je. En degene die het mij kon geven, moest ik zo lang mogelijk te vriend houden.

Maanden later konden we weer terecht bij de fertiliteitsconsulent. Met de bibbers in ons lijf namen we wederom plaats in het beklaagdenbankje, want we wisten nog steeds niet welke antwoorden ons een diploma konden bezorgen. Weer een ellenlange vragenlijst. In wat voor een buurt wonen jullie nu? Hoe ontspannen jullie? Hoe denken jullie dat het ouderschap zal zijn? En toen weer het lijstje met psychische problemen in de familie, de genotsmiddelen en de manier waarop we met elkaar omgingen. We probeerden haar niet in het gezicht te spugen toen ze nog eens begon over ‘ook geen cannabis als het kindje er eenmaal is’ en dat werkte: we waren geslaagd.

In de auto bekeek ik de informatie over alle behandelingen die ons ‘wensouders’ vanaf nu te wachten stonden. Ik las hardop voor: ‘Bij de eicelaspiratie onder volledige verdoving wordt u nuchter verwacht, dat betekent dat u vanaf middernacht niet meer mag eten, drinken en roken.’ ‘Wat? Roken?’ vroeg mijn vriend. Ik las het nog een keer voor en concludeerde dat ze ervan uitgaan dat mensen nog sigaretten roken tijdens de behandeling. Dat ik met alles wilde stoppen, was kennelijk Roomser dan de paus.

Bij het ter perse gaan van dit nummer is er waarschijnlijk net een embryo teruggeplaatst en terwijl u dit leest, vraag ik me af of ik zwanger ben. Als dat niet zo is, zal ik proberen de fertiliteitsstaf niet te vervloeken en me niet af te vragen of de tijd die het examen kostte net de tijd was die mijn ene follikel nodig had om voorgoed de geest te geven.

(Update op zaterdag 15 december 2012: vraag mij niks. Het stuk is iets eerder verschenen dan verwacht.)