Referenties

Deze column verscheen op zaterdag 17 november 2012 in Jobat.

‘Tof wijf hoor, die Maartje Luif, maar ze is er nooit.’ Als de hoofdredacteur van deze krant een beetje googlevaardig is, heeft hij dit over mij gevonden. En ook: ‘Van Maartje Luif moesten we een moslim interviewen. Maar waar haal ik op zondag een moslim vandaan?’

Acht jaar lang gaf ik les op de School voor Journalistiek in Utrecht. Al die tijd maakten studenten, vaak nog tieners, weblogs aan waarin ze hun gal spuwden over de opleiding, waarin ze uitgebreid uit de doeken deden hoe onrechtvaardig ze behandeld werden (’… een onvoldoende, terwijl de docent me niet had vertelt wat we precies moesten leren!’ …) (moet daar nog sic! achter?), waarin ze briesten over mijn collega’s en, uiteraard, over mij. Na een tijdje waren ze het webloggen beu en dan stierf de webstek een langzame dood. Maar elke keer dat een hoofdredacteur mij googelt, worden de smeuïgste zinnetjes beademd; door die ene muisklik stijgen ze van plaats 20 naar plaats 5 in Google, ze komen weer tot leven en ze vormen mijn referenties.

Vroeger moest je telefoonnummers van referenties bij je sollicitatie doen. Dan dacht je eens goed na over wie werkelijk geen kwaad woord over je zou kunnen verzinnen, die belde je op en dan checkte je of die persoon echt geen akelige dingen over je zou zeggen. Met een gerust hart schreef je het nummer op en als puntje bij paaltje kwam, bleek dat die referenties nooit werden gebeld.

Tegenwoordig is elke scheet die je op internet laat een referentie, en niet te vergeten: de scheten van anderen. Ik stuurde het meisje van ‘tof wijf hoor, maar ze is er nooit’ eens een mailtje. Ik was destijds arbeidsongeschikt door vervelende medische omstandigheden, maar haar opmerking wekt de indruk dat ik een onbetrouwbaar sujet ben. Ik vroeg haar vriendelijk het stukje te verwijderen, hoewel ik dondersgoed wist dat de way back machine al wat gewist was zonder pardon ontsluiert. Ze antwoordde nooit.

Sindsdien probeer ik mijn eigen referenties te schrijven. Het meeste dat je op internet over mij kunt vinden, heb ik zelf ingekleurd. Ik ben een Amsterdamse op trot in het Vlaamse, ik ben fris en fruitig, ik oog betrouwbaar en geëngageerd en ik ben alles wat ik wil zijn. Alleen de heel googlevaardigen vissen de onwelriekende scheten van anderen nog uit die 89 duizend hits.

Omdat ik van de pre-sijberse generatie ben (u mag googelen, maar ik kan het ook vertellen – ik ben 38) staat het voltooid deelwoord van vertellen alleen met een t in mijn dagboeken. Tegen de tijd dat het internet zijn intrede deed, wist ik godzijdank dat het met een d was. Maar ik heb het te doen met de jongens en meisjes van wie elke d/t-fout gedocumenteerd is. Die denken af te geven op een onrechtvaardige docent, maar die vooral hun toekomstige werkgevers een inkijkje geven in hun taalvaardigheid. Jonge journalisten van wie elke hoofdredacteur nu weet dat ze niet in staat zijn om op zondag een moslim te vinden.