Stukjes in het wild

‘s Nachts

Tegen­woor­dig heb ik mijn tanden in mijn hand. Dan zitten er ver­krach­ters achter me aan, ik slalom door de stad, ren door huizen, op wen­tel­trap­pen, buiten adem, kloppend hart, en als ze me pakken, heb ik mijn tanden in mijn hand.
Of ik zit op huizen, hoge daken, naast de schoor­steen, het huis wankelt, geraas van dakpannen, bakstenen, bui­ten­mu­ren, de verte nadert, het huis tuimelt en als ik neerkom, heb ik mijn tanden in mijn hand.
Soms loop ik door het duister, voet­stap­pen achter me, niemand in de buurt, ik durf niet om te kijken, versnel mijn pas, beteugel mijn angst, net niet genoeg, iemand grijpt mijn schouder, ik lispel, met mijn tanden in mijn hand.
Gisteren brak ik in, met mensen, vreemden, we speelden gitaar, aten een koekje, hoopten dat er niemand thuiskwam, speelden door. Ik ging even kijken en stond oog in oog. ‘Wat doe jij hier? Dit is mijn huis.’ Ik zocht naar woorden, ruimte in mijn mond, keek. Tanden. In mijn hand. Met de chocola er nog aan.

4 reacties

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.