Vandaag zou ik gaan schrijven

Vandaag zou ik gaan schrijven.

Je zou kunnen zeggen dat ik dat as we speak zit te doen, maar ik ben een kniesoor. Schrijven is het boek. Al het andere schrijven noem ik anders: mailen, redigeren, nakijken, maken, aanvullen, updaten, werken, uitwerken, enzovoort et cetera. Er komen net zoveel klaviertoetsen aan te pas, maar het is geen schrijven.

Vandaag zou ik gaan schrijven.

‘Hoe gaat het met je boek?’ vragen mensen dagelijks. Hoe gaat het met je boek. Dat is zoiets als iemand die nog ligt te bevallen vragen hoe het met haar volwassen zoon gaat: het antwoord ligt verscholen achter de witte waas van de nabije toekomst. Niemand die het weet.

Vandaag zou ik gaan schrijven.

Hoe gaat het met je boek? Het antwoord lijkt simpel: goed of slecht. Maar de vraag deugt niet. De vraag zou moeten zijn: hoe gaat met de geluidsoverlast? Hoe gaat het met de onverwachte werkopdrachten? Hoe gaat het met de financiën? Hoe gaat het met het wennen aan het nieuwe huis? Hoe gaat het met de wankele gezondheid van je katten? Hoe gaat het met de grote beslissingen die je partner neemt? Hoe gaat het met je agenda? Hoe gaat het met het oprichten van de VOF? Hoe gaat het met het bijkomen van het jaar from hell? Hoe gaat het met je eeuwige sixpack? Hoe gaat het met al wat in je hoofd rondzwemt?

Vandaag zou ik gaan schrijven.

Maar er staat een Liebherr voor de deur. Die beukt gleuven in het asfalt. En er ligt een tijdschrift op me te wachten. Daar moeten koppen in en taalfouten uit. Mijn poes is onlangs al zijn kiezen verloren en jengelt nu de hele dag om aandacht en zachte brokjes, en aangezien ik ook iemand ken die onlangs al haar kiezen is verloren, ben ik gevoelig voor zijn frustratie.

Vandaag zou ik gaan schrijven.

Tekst produceren is niet het hoofddoel. Ik ben een weggooier, dus tekst is relatief. Mijn redacteur schrikt er soms van. Er zijn dagen dat ik net de helft heb weggegooid en toch ‘goed’ zeg als iemand me vraagt hoe het met het boek gaat. Ik hou van weggooien. Hoe meer ik weggooi, hoe blijer ik ben met wat ik heb geschreven.

Vandaag zou ik gaan schrijven.

Ik dacht dat ik wel even in een jaartje mijn debuut zou schrijven. Als ik het zo opschrijf vind ik het hovaardig, toen vond ik het een realistisch streven. Ik zou naar de grote filosoof John Lennon kunnen verwijzen, naar het leven en andere plannen die je maakt, maar dat doe ik al in mijn boek.

Vandaag zou ik gaan schrijven.

Het is de eerste dag sinds tijden dat ik niet in een wachtkamer zit, dat mijn maag niet geperforeerd wordt door overmatig ibuprofengebruik, dat ik geen gereedschapskist van binnen hoef te zien en dat ik niet ergens word verwacht als hoeder van klasje schrijvers. Maar het asfalt dreunt, de poes miauwt, de mailbox laat een nieuw bericht zien: ‘hoe gaat het met je boek?’ staat erin.

Vandaag zou ik gaan schrijven.

Het gaat goed met het boek. Beter dan ooit. Ik geloof dat ik nu 70 procent van het verhaal heb waarvan ik helemaal niets meer weg wil gooien. En dat is mijn doel: het moment dat ik niets meer weg wil gooien. Eigenlijk zou ik elke schrijver willen aanraden om zijn zintuigen een tijdje te verliezen, zoals ik. Blind worden, doof, tandenloos. Blindheid en wanhoop geven een perfect zicht op de hoofdlijnen.

Vandaag zou ik gaan schrijven.

Ik weet dat elke dag dat ik niet schrijf, betekent dat ik een dag langer de vraag ‘hoe gaat het met je boek?’ moet beantwoorden, maar ik heb besloten dat ik mijn streven om een ‘op tijd boek’ af te leveren vervang door een ‘goed boek’. Dus stel ik mijn schrijfwerk van vandaag met een gerust hart uit naar morgen. Als het tijdschrift geredigeerd is, de Liebherr weer een stukje verderop staat, er bij mijn kat weer een hechtinkje meer is opgelost, en de vraag in mijn mailbox is beantwoord: het gaat goed met het boek.