Voor Wannes

Je hebt meer zilveren haren dan vorig jaar rond deze tijd. Vooral dat geitensikje dat net onder je onderlip ontstaat als je je te lang niet scheert: blinkend zilver. Ukkie, noem ik je wel eens, omdat je het mooi Amsterdams vindt en omdat je acht maanden jonger bent dan ik. Maar ik kijk naar je en ik denk: ik heb je oud gemaakt.

Ik heb mezelf ook oud gemaakt. Je kunt niet straffeloos maandenlang wanhopig zijn. Dat moet je bekopen. Met deukjes in je wangen, lijnen, grijze dreads. Maar ik ben welopgevoed. Wat ik met mezelf doe, moet ik zelf weten, maar een ander maak je niet oud.

Dus pel ik sinaasappels voor je, ik fluister je in slaap en ik wil je redden. Ik wil de grijze haren terugdringen, omdat bedanken niet volstaat. ‘Het doet niks’, zeg je. Maar het doet wel wat.

‘Ik zorg graag voor je’, zei je toen je me in Frankrijk naar een dokter reed. ‘Kom maar bij me’, toen ik meer dan eens bevend op het muurtje voor het ziekenhuis zat. ‘Ik leid je wel’, toen ik maandenlang de wereld op de tast betrad.
‘Het doet niks’, zeg je. Maar ik kan weer zien en ik zie de lijnen, de zilveren haren.

‘Doe eens zo.’ Ik vouw mijn onderlip over mijn tanden.
De tondeuse maakt een schrapend geluid.
Het zilveren geitensikje valt op de krant.
Omdat bedanken niet volstaat.