De kiesloze, seropositieve poes is dood

Ik droomde dat ik Mike in stukjes knipte, voor in de soep. Ik knipte stukjes van zijn rug en van zijn flanken. Zijn staart was al helemaal verdwenen. Toen ik zag dat hij nog maar een kwart poot overhad, belde ik Wannes. Ik heb Mike in stukjes geknipt, zei ik en ik werd wakker. Het was half zeven. Ik ging naar beneden. Mike stond niet voor de deur, zoals elke ochtend. Hij zat ook niet op deurmat, waar hij gisteren de hele dag had gezeten. Hij was kwijt. Ik vond hem terug in het koffertje dat mee was geweest naar Sy Ferrières dit weekend. Naast hem in het koffertje lag het boek Dieren eten van Jonathan Safran Foer. Hij keek bang en hol, in het geheel niet des Mikes. Een jaar geleden hoorden we dat Mike leukose had, een soort kattenaids die hem vermoedelijk van binnen kapot zou maken, maar al die tijd was Mike zichzelf gebleven: de perfecte schootkat, boordevol intense tevredenheid. Mike was een kat die je iedereen toewenst: qua toewijding een soort hond, maar dan een hond met een gezonde dosis eigendunk en de zelfstandigheid die juist katten tot ideale huisdieren maakt. Elk moment bereid bij je te komen liggen, maar geen kniesoor als je eens een paar dagen op vakantie wilde. Een luikje, een flinke berg eten en de belofte dat je terugkwam, waren genoeg.
Hoewel Mike tot gisteren volkomen zichzelf bleef, stopten we de laatste maanden wel steeds meer pillen in hem. We hadden aan de dierenarts gevraagd hoe we konden merken dat het echt niet meer ging. ‘Als hij niet meer eet en in een hoekje gaat zitten’, zei ze.
Mike zat in een koffertje en hij at niet meer. Ik wilde het koffertje dichtdoen, maar ik deed het niet. Ik zag hoe hij eruit klom, al het eten en drinken negeerde, de trap af tuimelde en buiten in de kattenbak ging liggen. Toen we door een kier in het deurtje naar binnen tuurden, draaide hij zich om. Mike was niet langer zichzelf. Wij belden een dierenarts en zagen vanmiddag om half twee alle eigendunk uit zijn ogen verdwijnen. Hij heeft geen pijn meer. Wij wel.