Het zware gevoel een slecht mens te zijn

‘Haha’, zegt Wannes, ‘er lag vogelpoep op de stoel in de slaapkamer.’
‘Haha’, zeg ik. ‘Dus er is een vogel binnen geweest?’
‘Ja, haha.’
‘Haha.’

Een dag verstrijkt.

‘What the FUCK?!’ Wannes staat verstijfd aan het voeteneind van het bed.
Een dikke duif, een berg veertjes en vier dikke witte vogelvlaaien, met elkaar verbonden door een kunstig spoor van duivenpootjes. De duif zit rechtop, draait zijn nek opzij en richt één oog op ons.
‘What the fuck’, zegt Wannes nog eens.
We kijken elkaar aan.
‘Jezus’, zeg ik.
‘Ja’, zegt Wannes.
‘Hoe krijgen we die weg?’
‘Vangen’, zegt Wannes.
Ik reik hem een ochtendjas aan.
Wannes haalt drie keer diep adem. ‘Goed.’ Hij stapt op de duif af, pakt hem op, loopt naar het raam en gooit het beest vredesduifsgewijs in de lucht.

Pok.

Onder de schoorsteen ligt de duif, op het hellinkje van het dak, meer dan een armlengte verderop. Ik staar, doe een schietgebedje voor wat geflapper en ga op de rand van het bed zitten. ‘Kut.’
Wannes kijkt naar het kunstwerk van veertjes en witte voetstappen op de grond.
‘Een teiltje’, zeg ik.
‘Ja’, zegt Wannes.
Samen halen we een teiltje, we boenen, zwijgend.

Hij spoelt de dweilen uit, ik vraag me hardop af of een dierenambulance bellen overdreven is.
‘Ik weet niet of we die wel hebben in België’, zegt Wannes.

Ik kijk naar het open raam. Anderhalve meter van de vensterbank, op een hellinkje, sterft een duif.

In bed google ik Dierenambulance België. Welke site in de buurt van Leuven ziet er professioneel uit? Zo professioneel dat je ze om een uur ’s nachts uit hun bed kunt bellen voor een kwijnende duif?
Geen.

Ik mijd met mijn ogen het raam en stel me voor dat ik een grijphand heb, zo eentje waarmee straatvegers snoeppapiertjes oppakken, met een vleugje Wallace en Grommit. Maar dan zit ik nog steeds met een stervende duif. Zou ik hem de hersens inslaan? Of een kartonnen doos en een handdoekje pakken en laf afwachten? Gelukkig heb ik geen grijphand.

Wannes doet het licht uit. Hij kan vergeten, het hellinkje uit zijn hoofd zetten. Dieren gaan nu eenmaal dood. In het donker wordt de afstand van mijn bed tot de duif steeds kleiner. Twee stappen tot het raam, iets meer dan een armlengte tot de duif. Ik staar naar het nachtlicht en spits mijn oren. Niets. Schuldgevoel nestelt zich onder het dekbed. De dood is te dichtbij om nog rustig te slapen.

De volgende ochtend sla ik mijn ogen neer als ik omhoog kom. De vensterbank, ruim een armlengte, ik wil het niet weten. Ik ga naar de wc, zet koffie, vergeet. Struisvogel.

Wannes komt de trap af. ‘Hij is weg. De duif. Weg.’
De schoorsteen op mijn netvlies, het hellinkje: leeg.
Ik adem uit.
Met het sierlijke geflapper van de vredesduif voor mijn geestesoog verdwijnt het zware gevoel een slecht mens te zijn.