Kedeng­ke­deng

‘Pas op, het is een heel enge trap’, zei ik tegen alle bezoekers in mijn vorige huis. Het was ook een enge trap; blank hout, volkomen glad geschuurd, met een heel dun laagje lak. Als je er alleen maar naar keek, viel je er al van af. En dan had je ook nog de kel­der­trap: smal, steil, met maar aan één kant een leuning. Die trap leidde naar de tuin, er moest regel­ma­tig bezoek langs en steeds opnieuw waar­schuw­de ik: ‘Pas je wel op?’ Gedurende drie jaar woongenot was de enige die ooit in dat huis van de trap flikkerde ikzelve. Twee maanden duurde het voor de vlek op mijn kont ter grootte van een pan­nen­koek alle kleursta­dia had doorlopen en wegtrok.
In dit huis zit een veel engere trap, niet alleen is die gladder, smaller en steiler, ook begint het trapgat op een plek waar je het niet verwacht. Wederom schiet ik in geval van bezoek in de waar­schu­wings­mo­dus: ‘Kijk je wel uit?’ Zojuist kukelde ik voor het eerst in dit huis van de trap, op de wijze van Guus Meeuwis, kedeng­ke­deng. Mijn kont is onge­schon­den, mijn arm is blauw met een schaaf­wond. Vandaag denk ik vaker dan anders aan de nieuwe bewoner van ons vorige huis die laatst toen we de post kwamen halen op krukken liep en ver­wij­tend naar de trap wees. Terwijl ik hem nog zo gewaar­schuwd had.

4 reacties

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.