Morgen moet ik niet vergeten te ademen

‘Mevrouw, u moet wel ademen.’
Ik kijk om me heen. Een operatiekamer, mondkapjes, groene lakentjes, een piepend apparaat. Ademen, o ja, deed ik dat dan niet? Ik haal adem.
‘Mevrouw, u vergeet steeds te ademen.’
Mijn koude voeten liggen in de verte naast de man in het groene pak. Ademen? Dat had ik toch net gedaan? En trouwens, dat gaat toch vanzelf?
Iemand tikt tegen mijn wang. ‘U moet wel verdergaan met ademen.’
Ja, vanzelfsprekend, denk ik, geen twijfel mogelijk, ademen, uiteraard.
‘Ademen, mevrouw, niet stoppen.’
Nee, nee, natuurlijk stop ik niet.
‘Mevrouw, u bent weer gestopt met ademen.’
Verdomme, ja, Jezus, ik doe mijn best, geloof ik, denk ik.
‘Mevrouw, u moet écht blijven ademen.
Ik knik. Dat heb ik toch net gedaan?
‘U vergeet weer te ademen.’
Alweer?
‘Mevrouw?’
‘Ja.’
‘Ademen.’
‘Oké.’
Weer tikt iemand tegen mijn wang. Laat ze daarmee ophouden, dat getik steeds.
‘Mevrouw, u moet écht ademen.’
Morgen krijg ik ‘bewuste sedatie’. Dat betekent dat je in een halfslaap wordt gebracht, maar wel bewust meemaakt wat er gebeurt, je kunt zelfs nog reageren op vragen of verzoeken, alleen je zou het in theorie achteraf niet meer kunnen navertellen. In theorie, zeg ik, want van de vorige keer weet ik nog exact wat er gebeurde. Toen ze me naar de verkoeverkamer brachten en me alleen wilden laten, raakte ik in paniek. ‘Maar wie gaat me dan vertellen dat ik moet blijven ademen?’ Meewarig keek de verpleegster mij aan. ‘Ademen gaat nu gewoon weer vanzelf.’ Zelden heb ik iemand meer gewantrouwd.