Poeziewoeziewoes

‘Allez, jullie hebben wel veel pech met jullie katten sè?’ zei de dierenarts.
De momenten dat zelfmedelijden overtuigend wordt omgebogen naar medelijden van derden zijn de ontspannendste momenten in mijn leven. Wanneer ik me wentel in zelfmedelijden voel ik me vies en zwaar, dan moet ik steevast een beter mens worden. Maar zodra dat zelfmedelijden zich mag nestelen in de ogen van anderen, voel ik me gesterkt en stevig genaaid door het lot. Dan ligt de schuld van mijn ellende bij het universum en dan is het alleen nog maar kranig dat ik overeind blijf. Heerlijk, die pech met onze poezen.

Een paar dagen daarvoor begon het met zelfmedelijden. Ze was al een zorgenpoes voor we weggingen, een achterblijfpoes in de rouw om haar overleden alfamannetje, een te dikke poes op dieet, een levenslang geschifte poes, beschadigd door van alles en nog wat, maar als je een uitgebreide handleiding bij haar schrijft en aan de juiste mensen sleutels uitdeelt, kun je best op vakantie. Dachten wij.

De kattenvoerwalm sloeg ons in het gezicht toen we binnenkwamen na twee weken La Douce France. Met het stof van de Route du Soleil nog op onze beslipperde voeten liepen we de bekende plekken na. Waar zit ze? Op ons bed? Op het logeerbed? Onder het logeerbed? Op het poefje onder de tv? Op een stoel onder de tafel? Op het bankje op het koertje? Nergens.

Adrenaline is een bitch. Het dekentje van ontspanning dat bergrivieren, croissantjes en gefortificeerde dorpjes over je heen leggen tijdens een geslaagde vakantie is met een adrenalinestoot van het kaliber ‘Waar. Is. Mijn. Kat!!’ in één keer weg. Zenuwachtig liep ik door het huis, trap 1 op, trap 2 op, trap 2 af, trap 1 af, en opnieuw. Maar nee hoor. Niks geen kat. Weg. Ik keek in de kattenbak. Geen drollen. Nul. Voor een kat die niet veel verder dan de dakrand komt, is dat te weinig na twee weken vakantie. Ik snoof de kattenvoerwalm op. Ze had sinds de laatste voederbuurt van de oppassers niet gegeten. Of langer. Mijn handen begonnen te trillen. Kut.
We moesten onze leenauto wegbrengen, maar daar moest eerst onze bagage uit, en dan moest de auto door de wasstraat, van binnen gestofzuigd, naar Hasselt, gedoe. Terwijl ik alleen maar mijn kat wilde zoeken.

Toen er een ferme krul bij elk item op de todo-lijst stond, was het inmiddels half tien ’s avonds. Het hotel in Midden-Frankrijk waar we die ochtend wakker werden, stond op onze innerlijke kalender ineens bij drie weken geleden en nog immer was er geen spoor van een kat. Op onze knieën gingen we het hele huis door, met onze wang op de vloer, turend. In geval van verloren poes, raad ik een zwarte vacht ten sterkste af.
Wannes scheen voor de derde keer onder ons bed en fluisterde: ‘Ik zie haar.’ In het midden tussen allemaal dozen, tassen en rollen inpakpapier lichtten haar groene ogen op. Haar blik is altijd al geflipt, maar nu was het de blik van een waanzinnige kat uit een ander universum.

Goed. Gevonden. Niet dood. Kort moment van opluchting. Maar dan? Mensen die al wat langer meelezen, weten dat Choco een project is (zie ook), ook als ze gewoon vindbaar is, en eet en kakt. Een Choco uit een ander universum onder een bed vandaan lokken, leek een ondoenlijke zaak (zie ook).
Na een tijdje ‘poeziewoeziewoes’, ‘chocoloco’ en andere mantra’s onder het bed gefluisterd te hebben, besloten we het net als bij de verhuizing (zie ook en vooral) te gooien op een niets-aan-de-hand-stemming. We gingen aan de keukentafel zitten en probeerden ons voor te stellen dat het inderdaad nog dezelfde dag was dat we over de Franse bodem crossten. Onze stemmen, de gewone gang van zaken, geluid van servies: net als bij de verhuizing had het het gewenste effect (zie ook). Na een uur of twee hoorden we ineens een schor gepiep. Boven aan de trap stond een kat die haar lijf nauwelijks recht kon houden, vel over been, verzwakter dan ik voor mogelijk hield. Met moeite kwam ze de trap af. Opluchting.

En schuldgevoel. Ik had NOOIT op vakantie mogen gaan. Zelfmedelijden. Twee jaar geleden had ik nog drie katten, nu een halve. Stress. Hoe de fuck gaan wij dit project weer op de rails krijgen? En na een vinger over haar ruggengraat: angst. Dit poesje is niks meer behalve een zakje knoken.
We maakten wat eten voor haar, gingen op onze knieën liggen, zeiden ‘poeziewoeziwoes’ en ‘jummiejummiejummie’, en kregen alleen maar kopjes. Ze taalde niet naar het prutje.

Spoedoverleg. Wat is er gebeurd en wat moeten we doen? Bij Choco zit veel tussen de oren, maar ik had nooit gedacht dat ze zo geschift zou zijn dat ze zichzelf zou uithongeren. Toch sloot ik het niet uit. De poezenoppassers hadden in onze handleiding gelezen dat Choco zich weinig liet zien en dat ze niet veel meer at, sinds Mike dood was. Bovendien hadden de oppassers elkaar afgelost, dus geen van hen wist hoeveel ze precies at. Tijdens onze vakantie had de huiseigenaar aan het badkamerdak geklust, er waren alleen maar vreemde mensen binnen geweest, ze was nog niet gewend aan haar leven zonder alfamannetje dat alles bepaalde, en last but zeker not least: Choco is gewoon geen gewone poes. Als het inderdaad tussen de oren zou zitten, zou onze aanwezigheid en een normaal dagelijks ritme zonder badkamergeklus de oplossing zijn. De andere oplossing was een dierenarts, maar het was vrijdagavond en onze andere poezen zijn voor ze stierven alleen maar slechter geworden na behandeling bij de Leuvense weekenddienst, dus die optie wilden we zo lang mogelijk uitstellen. We besloten tot maandag aan te zien of ze in ons bijzijn gewoon weer zou eten. De ochtend in Midden-Frankrijk behoorde toen we gingen slapen inmiddels tot een ver ver verleden.

De dagen die volgden bestonden uit bordjes eten maken en weggooien. Lam, kip, kalkoen, kalf, zalm, rund, you name it, wij hebben het in de vuilnisbak gekieperd. De kattenvoerwalm die in huis hing bleef. En de stress, het schuldgevoel, het zelfmedelijden. De laatste ochtend in Midden-Frankrijk leek nooit te hebben bestaan.

Maandagochtend togen we naar de dierenarts. ‘Dit was de te dikke kat die op dieet moest’, zeiden we vervuld met zelfmedelijden toen we haar het zakje kattenbotjes overhandigden. De dierenarts keek in haar oren: geel. Ze luidde de alarmbel, hing haar aan een infuus, trok talloze buisjes bloed en kon ons niets beloven.

Woensdag mochten we terugkomen. Hepatitis. Schuldgevoel. Hoe kon ik hebben gedacht dat het tussen de oren zat? Zelfmedelijden. WAAROM krijgen mijn katten binnen twee jaar aids (Mike), hepatitis (Choco) en iets gruwelijks onbekends waarvan ze als puber al de pijp uitgaan (Sjeik)? WAAROM IK?

‘Allez, jullie hebben wel veel pech met jullie katten sè?’ De dierenarts boog mijn zelfmedelijden vakkundig om, nam het me uit handen en veegde mijn straatje schoon. Zelfs mijn schuldgevoel verdween.

Nu, vier weken, een dagenlange ziekenhuisopname, een paar honderd euro, duizend keer ‘poeziewoeziewoes-njammie-njammie-njam’ en tig niet geslikte pillen van haar pillenkuur wegens onwillige kat later, is ze minder geel en minder mager, maar nog immer eet ze te weinig en krijgt ze te weinig medicatie. Nog steeds ruikt mijn huis naar kattenvoer, en de ochtend dat we wakker werden in Midden-Frankrijk is een verzinsel van een sadistisch universum.