Vrijdag 20 september

Het was een week waarover ik nooit een dagboek zou schrijven. Niks ergs hoor, maar te hectisch om bij stil te staan. Ik zou er nooit een dagboek over schrijven, ik zou eerst wachten tot de storm was gaan liggen en dan zou ik terugkijken door het waxlaagje van tevredenheid dat de tijd over hectische weken legt.

Dat heb ik toch maar mooi even gefikst, zou ik denken. Ik zou me concentreren op het eindresultaat: een filmscript geschreven en herschreven, van onder de wasdraad de VRT vier geluidsbestandjes gestuurd, zes interviews en tig journalistieke werkplannen beoordeeld, en vijf verschillende opdrachtgevers bediend. Zo zou ik denken, want dat doet de tijd met weken waarin ik zenuwachtig rondjes draai op mijn bureaustoel. Ze maakt er successen van, glorietijden.

Na een afkoelperiode herinner ik me niet meer dat de wieltjes van mijn bureaustoel steeds op een haar na de valreep raakten. Ik vergeet het gepieker in bed over hoe je een jonge redacteur duidelijk maakt dat de tekst niet goed is, zonder hem of haar te ontmoedigen. Ik vergeet dat ik op mijn kop moest gaan staan om de conducteur te overtuigen dat ik mijn Railpass echtechtecht was vergeten in te vullen. Ik denk niet aan de mail die na grondige vertaling slecht nieuws bleek te zijn en hoe ik daar toch even van moest slikken. De tijd smeert alle details uit tot één grote aanloop naar het succes. Alle haken en ogen verdwijnen met het tikken van de klok.

Over drie weken, op het moment dat mijn zenuwstelsel de geschiedenis al heeft herschreven, zou mijn dagboek als volgt klinken:
Lief dagboek, die week was ik bijzonder productief en en passant overtuigde ik nog even een conducteur van het feit dat ik was vergeten mijn railpass in te vullen.

Maar nu, in de week waarover ik nooit een dagboek zou schrijven, klinkt het als volgt:
Lief dagboek,
Mag ik alsjeblieft een gezapig leven?

Omdat niet iedereen eraan toekwam de geluidsbestandjes te luisteren van het dagboek dat ik een week lang voorlas op Radio 1, zet ik de stukjes deze week online.