Zit in een van die onderbroekjes ons nageslacht?

Het was als het versteende woud op Lesbos, of het Forum Romanum in Rome: uit alle macht proberen bewust te zijn en vooral niet denken: dit is gewoon een stoffige zooi, laat iemand dit opruimen. Op Lesbos keek ik naar de nerven en de jaarringen. Miljoenen jaren. Ik stelde me de nullen voor. School-tv-beelden van mannen in berenvellen gleden langs mijn netvlies, maar voor me lag gewoon een verkleurde steen. In het Forum Romanum was het nog erger. Ik moest denken aan alle keren dat ik vol misprijzen langs winkels met tuinprullaria had gereden, waarbij de leeuwen en fonteinen met engeltjes in slagorde langs de weg stonden. Als die winkels in verval zouden raken dan bleef dit over. Ik kneep mijn ogen dicht en probeerde drieduizend jaar tastbaar te maken, en weer belandde ik in een reconstructie, deze keer van het Romeinse rijk zoals ze dat in mijn jeugd op tv uitzonden. Toen mijn reisgezelschap tegen mij begon te praten, vervlogen de televisiebeelden en liep ik naar de uitgang.
Ik voel me altijd schuldig als ik me niet kan doordringen van ontastbare weetjes. Het geeft me het gevoel dat mijn voorstellingsvermogen niet deugt. Leuk hoor verhaaltjes verzinnen, liedjes maken, wat tekenen of ontwerpen, maar je hebt pas echt fantasie als je kippenvel krijgt van een fossiel.
Onder de douche gisteren was het ook zo. Morgen ben ik zwanger, dacht ik. Ik keek naar mijn buik en wist dat die er vandaag exact hetzelfde zou uitzien. Morgen zitten daar twee kindjes in, zei ik bijna hardop. Maar een handvol cellen is geen kindje. En toen het de vorige keer eindigde in het grote niets, heb ik nog dagen op de wasmand gewezen en aan Wannes gevraagd: ‘Zit nu in een van die onderbroekjes ons nageslacht? Of werkt dat niet zo?’ We probeerden ons uit alle macht niet voor te stellen dat er twee kindjes in de wasmand lagen.