Met je voeten op het dashboard op de N253

Je woont op vakantie, zei mijn zus toen ze voor het eerst haar hoofd in haar nek legde om de torens van het Leuvense stadhuis te bewonderen. Ik knikte. Ik woon op vakantie.
Acht jaar later is het vakantiegevoel er een beetje af. Maar als ik wil weten hoe het ook alweer was om op vakantie te wonen, dan plof ik op de passagiersstoel en laat ik me de N253 af rijden.
Al bij de Tervuursesteenweg word ik gelukkig: een Belgische straat zoals Belgische straten horen te zijn: bakstenen huisjes, elke gevel anders, rommelig, pretentieloos, maar o zo charmant. Bij Terbank, een buitenwijk van Leuven, begint de N253. Dat is het moment dat ik mijn voeten op het dashboard leg. De weg kronkelt, gaat dal in, dal uit, de huizen lijken door een jolige schepper in het wilde weg neergesmeten en de oprukkende tuttigheid van met tondeuse bewerkte buxuskes heeft dit deel van het land nog niet in zijn greep. Ik zie Neerijse, Huldenberg, Overijse, La Hulpe en ruim 30 kilometer verderop Waterloo. Telkens als een heuvel mijn gezichtsveld belemmert, weet ik wat erna komt: weer een heuvel. Of een lieflijk dorpje. Of de taalgrens. En altijd als we de top van de heuvel bereiken, en ik over mijn tenen het dal in staar, denk ik: hier wil ik wonen. Op vakantie.

De website zijnwatjeziet.nl vroeg me mijn favoriete plek in België te beschrijven. Dit schreef ik.