Niemand weet of ik er ooit spijt van zal krijgen

Vlak voor mijn zestiende verjaardag liep ik weg van huis. Twee jaar later dreigde ik dakloos te worden. Mijn ouders boden me aan om terug te komen en ik deed dat. Onder één voorwaarde: ‘Als jullie maar niet zie je wel zeggen.

Inmiddels ben ik ouder, sadder en wiser. Iedereen mag tegenwoordig zie je wel tegen me zeggen. Ik vind het niet zo’n verfijnde vorm van retoriek, dus je zult iets dalen op mijn ranglijst van eloquente intelligentia, maar ik maak me er niet meer druk om. De enige die niet zie je wel tegen me mag zeggen, ben ikzelf. En de enige die het vaak doet, ben ikzelf. Ziedaar, een patstelling van jewelste.

In een proefbuis

Zie je wel tegen jezelf zeggen is niet constructief en irrationeel, maar ik betrap me er regelmatig op. Vergelijk het met een hypochonder die in elke échte kwaal een bevestiging ziet van zijn hypochondrie. Zo zie ik als volleerd twijfelaar in elk noodlot een bevestiging van mijn getwijfel.

Dit is een heel lange aanloop om iets te vertellen over mijn kinderwens. Vorig jaar rond deze tijd schreef ik over kindjes in de vriezer, kindjes in het wasgoed, kindjes in een proefbuis en kindjes in mijn buik, ik beloofde jullie op de hoogte te houden, en ik deed dat ook. Tot op een zeker moment de twijfel toesloeg. Toen schreef ik niks meer.

In juni 2013 zaten Wannes en ik op een berg in Zuid-Frankrijk, met elk een cognac, starend naar de schemering in het dal voor ons, toen Wannes ineens zei: ‘Weet je … ik weet eigenlijk niet of ik wel door wil gaan.’ De duisternis viel, alle bomen ontdeden zich langzaam van hun kleur en ik wist meteen waarover hij het had. De ICSI-behandelingen. De kinderwens.

Met kunst en vliegwerk 

Ik zag het niet aankomen. Bij grote beslissingen sta ik alleen twijfel toe tot het moment dat de beslissing genomen is, daarna moet het gedaan zijn, anders zou mijn leven als twijfelaar volkomen ondraaglijk worden. Toen we besloten om met kunst en vliegwerk een baby in elkaar te draaien, heb ik voorafgaande aan dat besluit uiteraard lang getwijfeld. Maar toen we er eenmaal aan begonnen, kon ik me niet veroorloven om bij elke huilbaby of elk onhandelbaar kind onze beslissing in vraag te stellen. Ik kon niet een jaar lang drie maal daags een hormoonspuit in mijn buik weerstaan als ik me blijvend zou afvragen of dat wel was wat ik wilde.

Dus toen Wannes die zin uitsprak, zoog mijn hersenpan zich vacuüm. Ik tuurde in de schemering naar het water in de verte, de brug tussen de heuvels, en de vleermuizen boven de bomen onder ons; ik kon er geen chocola van maken. Duizend kilometer verderop zaten twee embryo’s in de vriezer, het schamele resultaat van maandenlang mislukken, en nu ging Wannes twijfelen?

Mijn twijfel gekneveld

Het vacuüm hield aan terwijl ik mijn vragen stelde: waarom zeg je dat? Wat bedoel je ermee? Wat maakt dat je twijfelt? Wannes gaf stamelend antwoord, ook hij moest zijn gedachten nog vormgeven, woorden zoeken voor zijn gevoel en zijn angsten. Ik bleef in dat vacuüm, ik dacht niet, ik oordeelde niet, voelde helemaal niets. Waar een rastwijfelaar doorgaans maar dít nodig heeft om weer eens een flink robbertje te gaan twijfelen, had ik mijn twijfel zodanig gekneveld, dat ik er met geen mogelijkheid meer bij kon. Mijn twijfel stond in een weckpot op de allerbovenste plank, met een etiketje erop: Afblijven!

Het duurde een uur toen het vacuüm zachtjes scheurde. Er kwam lucht bij mijn gedachten en ik kon niets beters verzinnen dan maar een potje te janken. Niet omdat ik het zo erg vond wat Wannes zei, maar omdat ik die weckpot alleen maar zo lang onberoerd had kunnen laten omdat ik het etiket met ‘Afblijven!’ zo serieus had genomen. En nu zette Wannes die weckpot plompverloren open op tafel. Dat was schrikken.

Het zat me als gegoten

Het is niet moeilijk om vooraf vreselijk te twijfelen over ICSI-behandelingen. Als je alle statistieken over de onfortuinlijke wending die je leven kan nemen door zo’n behandeling naast elkaar legt, moet je wel een uitzonderlijke optimist zijn om niet een paar vragen bij je kinderwens te zetten. Maar twijfelen terwijl er twee veelbelovende kinderen in de vorm van ijskristallen op je liggen te wachten, is een ander paar mouwen.

Nadat Wannes mijn vragen zo goed en zo kwaad als het ging had beantwoord en ik mijn schrik wat had uitgetraand, beloofde ik erover na te denken. Ik had verwacht dat ik slecht zou slapen, me ‘stilletjes’ zou voelen bij het opstaan, dat ik verdrietig zou worden, kwaad zelfs. Maar nee hoor, niets van dat al. De twijfel zat me als gegoten. Als het niet zo complex was, zou ik het ‘opluchting’ hebben genoemd. Ik mocht weer ronddobberen op een van mijn grootste talenten: twijfel.

Afwijkingen en moederziektes

Ik moest denken aan de voorwaarde die ik op mijn achttiende aan mijn ouders stelde: geen zie je wels, en ik was nog steeds van mening dat dat een beetje kinderachtig was geweest. Maar toch dook het gevoel weer op: wat als ik Wannes overhaal en het leven een noodlottige wending neemt door die beslissing? Afwijkingen, moederziektes, whatever. Zal ik mijn eigen zie je wels dan kunnen onderdrukken? Het antwoord op die vraag zul je natuurlijk nooit weten, maar het voelde logisch om de kosten en baten nog eens naast elkaar te zetten.

Door allerlei ellende had ik 2011 en 2012 al meer ziekenhuizen van binnen gezien dan in de rest van mijn leven. Met die reageerbuisbehandelingen knoopten we 2013 er naadloos aan vast. Als ik Wannes zou overhalen, zouden we wederom maanden, misschien jaren, opofferen om drie maal daags op exact dezelfde tijd een injectiespuit in mijn geperforeerde buik te zetten, en om vier keer per week voor dag en dauw in het ziekenhuis te zijn. Ik vind dat best een verantwoordelijkheid.

De verantwoordelijkheid

Stel: ik neem die verantwoordelijkheid, en we krijgen na een heleboel pijn, verdriet en gedoe een kindje met een ernstige afwijking. Was het dat dan waard? Het voelde vreemd om die vraag opnieuw te stellen terwijl ik al een aantal ICSI-behandelingen achter de rug had, want als ik bij ‘nee’ zou uitkomen, zou de eerdere keuze voor dat zware traject behoorlijk dom lijken.

Maar ik keek mijn zie je wels in de ogen, slikte drie keer en stelde mezelf de vraag opnieuw: wat als je een kindje zou krijgen met een afwijking? Ben je dan nog steeds blij dat je 2013 en 2014 heb opgeofferd aan die exercitie? Nog geen 24 uur nadat Wannes in de de schemer de doos van Pandora had opengezet, zei ik tegen hem: ‘Ik geloof dat ik ook niet meer weet of ik het nog wil.’

Vergezichten 

Hoe het daarna precies verliep weet ik niet meer, maar ik herinner me het gevoel dat je hebt als je besluit dat je gaat verhuizen. Jarenlang kun je er best mee leven dat de geiser steeds vanzelf uit gaat, maar als je eenmaal hebt besloten om weg te gaan, erger je je dood aan die klotegeiser. Het is maar goed dat ik hier wegga, dat gevoel.

Al toerend over haarspeldweggetjes langs rotsen en ravijnen schilderden Wannes en ik vergezichten van een leven waarin al onze tijd voor ons tweeën was. Een leven waarin ruimte zou zijn voor alle creatieve projecten die we zouden bedenken. We bedachten scenario’s waarin onze financiële verplichtingen niet verder zouden reiken dan onze eigen noden, en waarin geen ernstig zieke baby’s en per ongeluk vervelend uitgevallen kinderen voorkwamen. Als klap op de vuurpijl zouden we in 2013 en 2014, ijs en weder dienende, geen ziekenhuis van binnen hoeven te zien.

Drie variaties zie je wel

De schetsen werden al mooier, de vakantie vorderde, en mijn buik herstelde langzaam van de blauwe plekken die de tientallen prikken hadden achtergelaten. Het beeld van een leven zonder kinderen werd met de dag logischer voor ons allebei. Intussen vochten in mijn achterhoofd drie variaties van zie je wel om voorrang.

Ten eerste de zie je wel die zou volgen als ik van mening zou veranderen: Jezus Maart, zie je wel, wat dom, eerst ga je maandenlang door een medische molen op kosten van de gemeenschap en vervolgens beslis je dat je het toch maar liever niet wil. Het zou me bevestigen in al mijn twijfels die de toekomst nog voor me in petto heeft, want als je zelfs over een van de zwaarste vruchtbaarheidsbehandelingen kennelijk de verkeerde keuze maakt, dan kun je jezelf natuurlijk nooit meer vertrouwen.

De tweede zie je wel was de zie je wel die door mijn hoofd zou zoemen als we aan het ziekbed van een ernstig ziek kind zouden zitten, en als ik dan naar een droevige  Wannes zou kijken. Zie je wel, Maart, zou ik denken, je had hem toen in Frankrijk nooit mogen overhalen.

En tot slot de zie je wel als je op je zeventigste ziet dat iedereen een vangnet van kinderen, aangetrouwde kinderen en kleinkinderen heeft gecreëerd, terwijl Wannes en ik ons vangnet van leeftijdsgenoten een voor een naar de begraafplaats brengen.

Elke zie je wel is ietwat infantiel, irrationeel en vrij gemakkelijk omver te werpen, maar niemand heeft beloofd dat ik perfect zou zijn.

Mooi geweest

De tweede zie je wel won. Eenmaal thuis belde ik het ziekenhuis: ‘Ik wil mijn volgende afspraak afzeggen.’ Nog steeds slaat mijn argumentatie nergens op, en de kans dat ik meer dan eens aan die twee embryo’s zal denken, is levensgroot aanwezig. Maar Wannes en ik lijken allebei al een jaar lang bijzonder goed te gedijen bij het idee dat het mooi is geweest. Ik geef mezelf nog dagelijks de kans om te twijfelen, om van mening te veranderen, maar het gebeurt niet. Het is mooi geweest.