In Volkskrant Magazine: Een bevroren kinderwens

Illustratie: Monique Bröring

Schrijfster Maartje Luif en haar man Wannes hadden alles over voor een kind: hormoon-spuiten, pillen, echo’s, ICSI. Tot Wannes ging twijfelen. En Maartje daardoor ook.
Soms overvalt het me. Dan doe ik de vriezer open en denk ik aan de vriezer in het ziekenhuis waarin twee kleine Maartjes of Wannesen klaarliggen om te worden teruggeplaatst. In gedachten plak ik oogjes en haren op het nageslacht dat op mij wacht en vervolgens weet ik niet meer wat ik uit de vriezer wilde pakken. Ook stuit ik wel eens op een kind dat op mij lijkt: haar, gezicht, postuur. Dan realiseer ik me dat mijn kans op een eigen exemplaar vier kilometer verderop bij 142 graden onder nul voor me wordt bewaard. Met één telefoontje kan ik weer een poging doen. ‘Hallo met Maartje, ik zou graag een afspraak maken voor een terugplaatsing.’ Maar ik doe het niet. Sinds augustus 2013 doe ik het niet en niemand weet of ik daar ooit spijt van zal krijgen.

‘Hoe doe je dat eigenlijk? Iets waarvan je de uitkomst niet kent, écht graag willen?’

Als je een huis koopt, ga je naar Funda. Daar klik je wat hokjes aan, je vult een postcode in en je weet grotendeels wat je mag verwachten. Als je een kind wilt, teken je een blanco cheque. Je kunt geen vakjes aanvinken, je hebt weinig tot niets te kiezen en je zult het moeten doen met wat je krijgt. Dat is de reden dat ik tot mijn 30ste niet werd geplaagd door een kinderwens. Ik had wel behoefte voor iemand te zorgen en ook om uit meer dan één te bestaan, maar ik was er niet gerust op dat ik opofferingsgezind genoeg was om te tekenen voor het ongewisse. Ik wilde eigenlijk alleen een leuk en gezond exemplaar en anders niet. Dus dan maar niet.
Maar nadat ik Wannes had leren kennen, veranderde alles. Ik wist dat ik met hem elke oorlog kon winnen, dus toen hij na een paar jaar bouwen aan onze relatie zei graag een gezin te willen stichten, besloten we het erop te wagen. Hup, ogen dicht, neus dicht, en springen, dacht ik. Helaas, het ging niet van een leien dakje. Na een jaar of drie proberen, ik was inmiddels 36, was er nog niet het minste zicht op een extra gezinslid. Aan de horizon daagden afspraken met huisartsen, gynaecologen en fertiliteitsafdelingen en zodoende moest de kinderwens van vorm veranderen. Want het is gemakkelijk om kinderen te willen als dat betekent dat je op gezette tijden je geliefde het hof moet maken, maar als het inhoudt dat je je eindeloos binnenstebuiten moet laten keren op agenda-onvriendelijke tijden, dan moet je het wel écht graag willen. En hoe doe je dat eigenlijk? Iets waarvan je de uitkomst niet kent, écht graag willen?

‘Ooit was het een wazig droombeeld van plooitjes in een babybeen en schommels in de tuin, te verkrijgen door eens flink van jetje te gaan
met degene die ik het liefste zag.’

Wannes was minder onder de indruk van die abstracties. Hij wilde het graag, een kind zou fijn zijn, wij zouden dat aankunnen en die heisa vooraf moesten we er gewoon even bijnemen. Aangezien ik me met liefde liet inspireren, kochten we een kaartje voor de mallemolen van artsen en vruchtbaarheidsonderzoeken. Conclusie: ‘U bent in de overgang. Als u een kind wilt, moeten we met spoed maatregelen nemen. De hoogste hormoondosis, geen gewone reageerbuisbevruchting, maar een icsi-behandeling waarbij we het zaadje meteen in het eitje planten, en dat alles op stel en sprong.’
Hop, als een barbapapa veranderde de kinderwens van vorm. Waar het ooit een wazig droombeeld was van plooitjes in een babybeen en schommels in de tuin, te verkrijgen door eens flink van jetje te gaan met degene die ik het liefste zag, dreigde het nu een proces te worden van maandenlang om de dag een echo, een buik vol injectiespuiten en een uitkomst die niet alleen ongewis was, maar ook een stressvollere aangelegenheid dan de meeste manieren van zwanger worden. De schommels aan de boom werden ruw vervangen door een schema van tientallen ritten naar het ziekenhuis.

‘Maandenlang overleefde ik steeds terugkerende vragen die me de adem benamen.’

Godzijdank weet je niet echt waaraan je begint als je zoiets besluit. De artsen stellen je keurig op de hoogte van de feiten: medicijnen, echo’s, risico’s en resultaten. Maar wat het echt betekent, besef je pas als je er middenin zit. Dus ik tekende ervoor en min of meer per toeval hield ik het vol. Maandenlang overleefde ik steeds terugkerende vragen die me de adem benamen: wel of geen eitjes? Wel of geen bevruchting? En natuurlijk: wel of niet zwanger? Ik zag met lede ogen toe hoe mijn kinderwens roofbouw pleegde op mijn zelfstandigenagenda: om de dag naar het ziekenhuis, rekening houden met eindeloze wachttijden, om de minuut de kans op een plotwending in mijn hormoonhuishouding. Ik gaf me over aan een dagindeling gebouwd rond prikken en pillen en probeerde me niks aan te trekken van mijn lijf dat aan alle kanten opzwol en volkomen voor zichzelf was begonnen. Hondsvermoeiend allemaal, maar ik zette door.
Na zeven maanden proberen zonder succes namen we een pauze. Even op vakantie, even onder het juk uit van mijn cyclus. En daar gebeurde het, op een berg in Frankrijk. We staarden naar de schemering in het dal voor ons. ‘Weet je…’, zei Wannes, ‘ik denk eigenlijk dat ik niet wil doorgaan.’ Alle bomen ontdeden zich van hun kleur, de duisternis viel en ik wist meteen waarover hij het had: de kinderwens.

‘Duizend kilometer verderop zaten twee embryo’s in de vriezer, het schamele resultaat van maandenlang mislukken, en nu ging Wannes twijfelen?’

Ik zag het niet aankomen. Bij grote beslissingen sta ik alleen twijfel toe tot het moment dat de beslissing genomen is, anders zou mijn leven als twijfelaar volkomen ondraaglijk worden. Dus vanaf het moment dat we besloten met kunst- en vliegwerk een baby in elkaar te draaien, kon ik me niet meer veroorloven bij elke huilbaby onze beslissing opnieuw in vraag te stellen. Ik kon niet een jaar lang drie maal daags een hormoonspuit in mijn buik verdragen als ik me blijvend zou afvragen of dat wel was wat ik wilde. Kortom: toen Wannes die zin uitsprak, zoog mijn hersenpan zich vacuüm. Duizend kilometer verderop zaten twee embryo’s in de vriezer, het schamele resultaat van maandenlang mislukken, en nu ging Wannes twijfelen?
Het vacuüm hield aan terwijl ik mijn vragen stelde: waarom zeg je dat? Wat bedoel je? Wat maakt dat je twijfelt? Wannes gaf stamelend antwoord, ook hij moest zijn gedachten nog vormgeven, woorden zoeken voor zijn gevoel en zijn angsten. Ik bleef in het vacuüm; ik dacht niet, ik oordeelde niet, voelde helemaal niets. Waar een ras-twijfelaar doorgaans maar dít nodig heeft om weer een flink robbertje te gaan dubben, had ik mijn twijfel zodanig gekneveld dat ik er met geen mogelijkheid meer bij kon.

‘Twijfelen terwijl er twee veelbelovende kinderen in de vorm van ijskristallen op je liggen te wachten, dat is een ander verhaal.’

Het duurde eindeloos voordat het vacuüm zachtjes scheurde. Er kwam lucht bij mijn gedachten en ik kon niets beters verzinnen dan maar een potje te janken, gewoon van de schrik. Het is gemakkelijk om vooraf vreselijk te twijfelen over icsi-behandelingen; als je alle statistieken over de onfortuinlijke wendingen die je leven kan nemen door zo’n behandeling naast elkaar legt, moet je wel een uitzonderlijke optimist zijn om niet een paar vraagtekens bij je kinderwens te zetten. Maar twijfelen terwijl er twee veelbelovende kinderen in de vorm van ijskristallen op je liggen te wachten, dat is een ander verhaal.
Nadat Wannes mijn vragen zo goed en zo kwaad als het ging had beantwoord en ik mijn schrik wat had uitgetraand, beloofde ik erover na te denken. En dat deed ik. Al toerend over haarspeldweggetjes onderwierp ik mezelf opnieuw aan een kruisverhoor: moest ik Wannes overhalen? Of niet? Wilde ik wel echt een kind? Omdat ik al een aantal icsi-behandelingen achter de rug had, liet mijn innerlijke criticus zich direct gelden. ‘Jezus Maartje, domoor! Dat is wel héél beschamend! Eerst ga je maandenlang door een medische molen op kosten van de gemeenschap en vervolgens vraag je je af of je überhaupt een kind wilt?’ En daar kwam nog bij: als ik van mening zou veranderen, zou dat funest zijn voor alle twijfels die me in de toekomst nog te wachten stonden. Want als je over een van de zwaarste vruchtbaarheidsbehandelingen kennelijk al de verkeerde keuze maakt, dan kun je jezelf natuurlijk met geen mogelijkheid meer vertrouwen.

‘Zou ik het mezelf vergeven als ik hem zou zien zitten aan het bed van een doodziek kind?’

Maar ik móést de vragen stellen en belandde zo in een déjà vu van heb ik jou daar. Ik laveerde van de plooitjes in het babybeen naar het vooruitzicht van weer maanden gedirigeerd worden door mijn hormoonspiegel. Van de jaloezie die ik als bejaarde zou voelen als anderen wél gestut werden door hun stamboom naar het schrikbeeld van een huilbaby. En het meest benauwende dilemma: wat als ik Wannes zou overhalen en het leven een noodlottige wending zou nemen? Afwijkingen, ziektes of wat dies meer zij? Zou ik het mezelf vergeven als ik hem zou zien zitten aan het bed van een doodziek kind? Of zou ik denken: zie je wel, je had hem in Frankrijk nooit mogen overhalen.
De argumenten leken irrationeler dan ooit; ze vertegenwoordigden niets anders dan mijn eigen projectie van het ongewisse. Bovendien was er één belangrijk verschil met de vorige keer: nu was er geen kinderwens van Wannes. Aan een klaterend beekje legde hij me uit hoe hij de nieuwe door laboratoria en schema’s vormgegeven kinderwens niet langer kon verdragen, hoe hij de oude vorm van elkaar het hof maken miste. Op een terrasje schetste hij vergezichten van een leven waarin alle tijd voor ons tweeën was, beschreef de compromissen in zijn hoofd en liet me in de Franse avondzon voelen waar zijn angsten zaten. Intussen herstelde mijn buik van de blauwe plekken die de tientallen prikken hadden achtergelaten. Naarmate de vakantie vorderde, vroeg ik me meer en meer af: hoe doe je dat eigenlijk? Iets waarvan je de uitkomst niet kent écht graag willen?

‘Intussen liggen mijn nazaten al twee jaar veelbelovend te zijn in een vriezer, zonder dat ik op mijn beslissing ben teruggekomen.’

Eenmaal thuis belde ik het ziekenhuis: ‘Ik wil mijn afspraak afzeggen.’ Er zat iets vrijblijvends in, want ik zei niet: ‘Ik wil geen kinderen meer.’ Maar intussen liggen mijn nazaten al twee jaar veelbelovend te zijn in een vriezer, zonder dat ik op mijn beslissing ben teruggekomen. Ik geef mezelf nog dagelijks de kans van mening te veranderen, maar het gebeurt niet. Nog immer slaat mijn argumentatie nergens op en de kans dat ik nog regelmatig bij mijn vriezer aan die embryo’s zal denken, is levensgroot. Maar Wannes en ik lijken allebei bijzonder goed te gedijen bij het idee dat het mooi is geweest. Dus daar hou ik het maar op: het is mooi geweest.

Dit artikel verscheen op zaterdag 19 september 2015 in Volkskrant Magazine. Voor de mensen die delen van het verhaal herkennen: klopt, het is een remix én een update van dit verhaal.