Stukjes in het wild

Er lag een man in mijn bed

Ik zag eruit als een musician, zei de jongen die me staande hield. Hij wilde graag samen­wer­ken met musicians from all over the world.
Ik zei dat ik geen musician was, maar dat ik wel een djembé had. Ik was vast van plan om erop te leren spelen, maar ik durfde niet bin­nens­huis te drummen, en bui­tens­huis al helemaal niet.

‘Can you play?’ vroeg hij.
‘Not really,’ zei ik.
‘Shall I teach you?’
‘Now?’
‘Yeah.’
‘It’s late …’
‘For a real artist it’s never too late to make music. Where do you live?’
We stonden op de hoek van de Eerste van der Helst, vlakbij mijn huis. Ik wees.
‘Okay, come on!’ Hij liep vooruit.

Ik tuurde naar zijn rug, zijn benen. Een leuke jongen, een muzikant, iemand die mij iets kon leren. Ik liep hem achterna.

Binnen ging hij gelijk op mijn bed liggen.
Ik schrok, maar hij deed gelukkig zijn ogen dicht.
Het werd stil.
Minu­ten­lang.
Daar zat ik dan, met een vreemde man die een tukje deed in mijn bed.

Het duurde eindeloos voor hij weer wakker werd.
‘Do you have something to eat?’
Ik had alleen een potje Chicken Today. ‘Not really.’
‘In my country we always have food for our guests.’ Hij smakte wat en ging met zijn gezicht naar de muur liggen.

Er lag een man in mijn bed. Niets aan hem was bekend. Hij snurkte. Ik wilde wat drinken, maar ik gokte dat ik het minste van hem te vrezen had als hij sliep, dus bleef ik zitten. Met mijn arm op tafel, mijn kin in mijn hand. Doodmoe.

Toen hij midden in de nacht nog eens wakker werd en het glas water op mijn nacht­kast­je pakte, stond ik op. Mijn bil trilde van het lang­du­ri­ge rechtop zitten.
‘I think you should go home,’ fluis­ter­de ik.
‘Go home? In the middle of the night?’ Hij pakte mijn dekbed en wikkelde zichzelf erin. Hij had zijn schoenen nog aan. ‘In my country we would never throw our guests on the street in the middle of the night.’ Hij legde zijn hand onder zijn wang en maakte wat snuivende geluidjes.
Toen was het weer stil.

Ik knipte een licht aan, als daad van verzet, en pakte een dagboekje en mijn vulpen. Naam, adres, con­tact­per­so­nen voor nood­ge­val­len. Daarna schreef ik de dagen neer. Zwart op wit. 365 keer. In mijn mooiste hand­schrift.

Mijn billen waren gevoel­loos toen ik door de luxaflex zag dat er bij de buren licht aanging. Ochtend.
Ik moest piesen. Zachtjes stond ik op. Ik stootte mijn knie tegen de tafelpoot en probeerde niet te kermen. Op de wc ontspande ik na uren eindelijk mijn buik­spie­ren, mijn billen tintelden op de bril en langzaam kwam er weer leven in mijn lijf.

Er werd gemorreld aan de deurklink. Ik voelde snel of ik het slot wel voldoende naar rechts had gedraaid, daarna pakte ik de klink vast. Mijn hart bonkte in mijn oren.

‘Ey lady. I have to go. My friends are waiting for me to make music. Maybe I come back this afternoon. I would like to see you again.’ De deur naar het trap­pen­huis sloeg dicht.

Ik bleef nog een tijdje op de wc zitten. Uit­a­de­mend. De rest van de dag durfde ik niet meer in de buurt van mijn bed te komen. Bang voor de geur, de haren en het stof van zijn broek.
Maan­den­lang zoemden zijn woorden na. ‘Maybe I come back this afternoon.’
Ik deed voor niemand nog de deur open.

Anke Laterveer schreef een prachtig stuk over aangerand worden in je eigen huis. Gis­ter­avond verscheen ze bij Pauw met een helder verhaal over haar erva­rin­gen, een verhaal dat geen enkele aan­lei­ding gaf tot ver­dacht­ma­kin­gen. Toch waren de reacties op sociale media niet mals: dat je zo iemand natuur­lijk niet had moeten bin­nen­la­ten, dat je het in zo’n geval aan jezelf te danken hebt en dat je dan niet ineens zo klein­ze­rig moet doen. Allemaal reacties uit de omge­keer­de wereld.
Ik klaagde het eeuwig in dis­kre­diet brengen van vrouwen die vertellen over seksuele inti­mi­da­tie al eerder aan. Deze keer wilde ik mijn steun betuigen met een fragment uit een verhaal waarin ik schrijf over mijn eigen ervaring als 19‐jarige avon­tu­rier­ster met een onge­wens­te man in mijn bed. Ik heb alle mogelijke vormen van seksueel geweld en seksuele inti­mi­da­tie mee­ge­maakt, en hoewel er deze keer in feite niks gebeurde, was de klo­te­rig­heid nau­we­lijks minder dan in de gevallen waar het seksueel wel daad­wer­ke­lijk misging. Het feit dat je iemand zelf hebt bin­nen­ge­la­ten, dat je misschien slimmer had kunnen wezen, of dat er uit­ein­de­lijk niets is gebeurd, doet niets af aan het ver­schrik­ke­lij­ke gevoel dat je aan zo’n ervaring overhoudt.

4 reacties

  • Anoniem

    Dit is pakkend. Die eind­con­clu­sie spreekt voor zich. veel mensen begrijpen niet hoe zelfs als er ‘niets’ gebeurd is, je toch nog steeds enorm gekwetst kan zijn. Het doet er niet toe wat er juist gebeurd is, je ver­trou­wen is geschon­den en dat is wat het zo moeilijk maakt. Maar probeer dat maar eens aan anderen uit te leggen…

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.