Gren­zen­zoe­ke­rij

Van 1998 tot 2006 werkte ik op de School voor Jour­na­lis­tiek in Utrecht, als docent in de vakgroep geschre­ven pers. Aan die tijd moest ik denken toen ik gisteren las over de 19-jarige jongen die bij de Neder­land­se krant de Volks­krant een super­sta­ge liep met deels over­ge­schre­ven stukken. De stukken werden geplaatst, ook in de Vlaamse krant De Morgen, en niemand had iets door. Tot een bui­ten­staan­der de redactie waar­schuw­de: hee, check de teksten van die stagiair even. De redactie zocht en vond, en de conclusie was: plagiaat.

Ik heb ze ook aan mijn bureau gehad toen ik docent was, jongens zoals deze. Meisjes ook trouwens. Nog nat achter de oren, brandend van ambitie en dan ineens: een onvoor­stel­baar goed geschre­ven artikel van hun hand.

Ik was natuur­lijk altijd nijdig als ik de over­schrij­ve­rij ontdekte. Dan zat met ik met mijn rode pen tien­tal­len inter­views te beoor­de­len en dan voelde ik nat­tig­heid: hee, dit is wel een heel goed artikel, perfect opgebouwd, nul taal­fou­ten, uiterst pro­fes­si­o­ne­le blik­van­gers. Dan borrelde er onge­rust­heid op: o, nee, flip, laat hij dit niet over­ge­schre­ven hebben. En kwaadheid: wat hij flikt hij me nu? En ook ver­moeid­heid, want dertig inter­views nakijken is één ding, maar met de zoek­ma­chi­nes van voor 2006 plagiaat bewijzen is iets heel anders. Bovendien moest na elke vorm van fraude de exa­men­com­mis­sie benaderd worden volgens een officiële procedure. Je kon er dus donder opzeggen dat je als docent een boel vrije tijd kwijt was als je iemand betrapte.

Maar als het dan zover was, ik had de zinnen, de alinea’s of het hele artikel elders terug­ge­von­den, ik had van binnen wat gestamp­voet, en ik had de over­schrij­ver in kwestie opgebeld en gevraagd om bij mij langs te komen, dan had ik het doorgaans vooral met hem te doen.

Een ding was altijd hetzelfde: de daders gingen huilen als hun bedrog uitkwam. Bij het woord plagiaat ver­an­der­de zo’n grote, stoere jongen die het voor elkaar had gekregen de vice-premier te spreken, in een stuurloos hoopje mens van nog geen twintig dat in alles uit­straal­de: ik kom nog maar net van de mid­del­ba­re school.

Ik moest dan met grote woorden donkere wolken boven zijn toekomst draperen en ik moest met alles wat ik in me had proberen de ernst van de situatie over te brengen, terwijl ik niets liever wilde dan hem bij me op schoot trekken om hem zachtjes over zijn bol te aaien.

Niet omdat het ik het niet erg vond, inte­gen­deel: ik zat er altijd enorm mee in mijn maag, maar omdat ik wist dat het in negen van de tien keer ging om jeugdige overmoed, puberale gren­zen­zoe­ke­rij en hormonaal gestuurde bewijs­drift. En dáár kun je als tiener nu eenmaal verdomd weinig aan doen.

Vorige week verzorgde ik elke dag het Mid­dag­jour­naal in het programma Nieuwe Feiten op Radio 1. Dit was het Mid­dag­jour­naal van vrijdag 30 oktober 2015. Hier kun je de radio­ver­sie beluis­te­ren.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.