Kim Clijsters is uiteen

In 2005 las ik op Valentijnsdag de volledige blog van een Belg genaamd Yuri Maanzand. Het was een Belg van de surrealistische soort, de soort die Nederlandse vrouwen het hoofd op hol brengt. Eén van de stukjes heette Kim Clijsters is uiteen. Het ging als volgt:

Kim Clijsters is uiteen, zei Lyndsey Pfaff, op het hoogtepunt van een filosofische discussie met haar kersverse geliefde. Dave stak ongeïnteresseerd een sigaret op wijl ik hem zag denken: Het is te hopen dat gij nooit uiteen gaat, poepke, want ik wil hier zoveel mogelijk sponsorgeld opstrijken. Lyndsey sloeg hun huwelijksalbum open en kwijlde een eind weg over de foto’s van de dans hunner tongen in de kerk van Brasschaat. Wederom stak Dave ongeïnteresseerd een sigaret op en mompelde een zinsnede met stikkapot, koppijn en mij es gerust zeg. De pruillip van Lyndsey groeide tot epische proporties en ter verlichting van de gespannen sfeer in de woonkamer trachtte zij haar witte prins liefdevol op de mond te zoenen – daar zij in de Flair had gelezen dat een jonge vrouw aldus een hele hoop koolhydraten in de verdoemenis brandt. Doch de lippen van Dave hadden enkel aandacht voor de zachtbruine filterhuls van zijn Marlboro, waardoor onze heldin zich lelijk verbrandde en voor verdere verzorging naar Stuyvenberg werd afgevoerd. Dave viel daarop in slaap voor de televisie.

Einde.

U begrijpt, ik viel als een blok voor deze Belg, en omdat het Valentijnsdag was, zag ik mijn kans schoon: ik stuurde hem een mail. Een week later kwam ik erachter dat hij geen Yuri Maanzand heette maar Wannes Daemen en twee weken later liet ik me overhalen om in Amsterdam op de trein te stappen en naar deze vreemde man af te reizen. Op de kadans van wielen en bielzen mijmerde ik over de Belgen en hoe oneindig grappig ze waren. Ik kende slechts twee grappige Belgen, Wim Helsen en Wannes Daemen, maar dat belemmerde mij niet om verregaande conclusies te trekken: Belgen waren geboren voor de grap.

Na wat stomende weekends met mijn nieuwe vlam, u kent het wel, brak er voor de eerste keer een avond aan dat we in de zetel ploften alsof we elkaar al jaren kenden. We keken tv en trokken van zender naar zender. Geert Hoste kwam voorbij, Jacques Vermeire, FC De Kampioenen, Gaston en Leo. Ik lag met mijn hoofd op zijn schoot en probeerde mijn deceptie te verbergen door zachtjes over zijn knie te aaien. Wat was dit? Hielden de Belgen zóveel van flapdrollen dat die zaterdagavond prime-time toebedeeld kregen? Of was dit meta-surrealisme? Dat deze programmering op zichzelf de grap was?
Gelukkig stond Wannes in dezen aan mijn kant van de cultuurkloof. Ook hij begreep het niet. Hij probeerde uit te leggen dat er heus wel leuke programma’s waren. Dat ik het Peulengaleis had moeten zien en In de Gloria, maar dat was een typisch geval van ‘Je had erbij moeten zijn’. Intussen was onze eerste tv-avond er een waarna ik dringend de oubolligheid uit mijn haren moest spoelen.

In 2006 verhuisde ik naar Leuven en sindsdien heb ik me mogen laven aan alle shows van Wim Helsen en aan schitterende series als Van vlees en bloed, met uiterst subtiele humor. Ik weet me te omringen met het mooie surrealisme dat Hollandse vrouwen het hoofd op hol brengt, maar naarmate ik beter de weg weet naar leuke mensen en leuke programma’s merk ik dat ik soms weer even verval in die plezierige naïviteit dat Vlamingen stuk voor stuk geboren zijn voor de grap. Tot ik mijn hoofd weer eens op een zaterdagavond in zijn schoot leg en mij een ongeluk zap om de Geert Hostes van deze wereld te vermijden. En dan weet ik weer: niet alleen Kim Clijsters is uiteen, de humor van sommige Vlamingen is ook keihard uiteen.

Op zaterdag 18 juli las ik deze column voor in het radioprogramma Holland-België. In dat programma interviewde Ruth Joos twee uur lang Wim Helsen en Youp van ’t Hek over humor.