Akoestiek

We betreden het erf van de hoeve. Als Wannes de deur van de stal opendoet, valt de akoestiek als een glasbak over me heen. Later vertelt hij dat het bij hem werkt als bij een computerventilator: het komt op, eerst zachtjes en traag, maar dan steeds sneller en luider, tot het niet te negeren oorverdovend is. Bij mij werkt dat anders: het slaat me in mijn gezicht, al die stemmen, kopjes, borden, glazen en lachsalvo’s, het noopt me tot inademen, waarna ik niet meer in staat ben die adem kwijt te raken.

Ik neem plaats op een plastic stoel en stel me voor hoe mijn billen een deel van het geluid nu smoren, en hoe ik als ik hele grote billen zou hebben al het geluid kon smoren. Het lucht me een ogenblik op, maar het lawaai breekt er onmiddellijk weer doorheen. Geen gedachte is ongenaakbaar, geen seconde vrij van ruis. We zijn er met anderen, dus direct weer vertrekken zou raar zijn, niettemin staan mijn reflexen in de richting van de deur. Met moeite denk ik een stolpje om mij heen. Op de randjes van de plastic stoel, langs mijn armen, rond mijn schouders, met dubbel glas bij mijn oren. Het lukt me om het geluid terug te brengen tot het gewobbel dat je hoort als je in bad je hoofd net onder de waterspiegel laat zakken, maar het vergt veel inspanning en na een paar seconden is het werkelijke geraas weer terug. Mijn adem heeft zich vastgezet tussen mijn hoge schouders en mijn middenrif, en ik raak bevangen door een machteloos gevoel dat ik alleen ken van bij de tandarts. Die uren dat je de marteling weerloos ondergaat. Maar bij de tandarts is de pijn lokaal. De strijd is stuurbaar, want er is een front, in je mond, alle hens aan dek op dat ene punt. Bij stemmen in ongestoffeerde ruimtes is de tegenstander overal. Zelfs als je je handen tegen je oren zet, infiltreren de vijandelijke troepen met gemak het midden van je hoofd. Mijn voeten, benen, buik, nek, alles wordt in de uren die volgen gestut door de adem die ik inhoud. Als we na een paar uur vertrekken, voel ik me alsof ik drie dagen heb doorgebracht in een Center Parcs-zwembad. Buiten, in de gedempte wereld van nat gras, lukt het me niet mijn buikspieren te ontspannen.

Thuis rol ik me op in bed. Ik sluit mijn ogen, maar alle hoge tonen van de dag zeilen als tafelhockeyschijven door mijn hoofd. Het doet me denken aan de periode van lichtblindheid een paar jaar geleden, toen ik zelfs als ik mijn ogen sloot nog urenlang flitsen zag. Dat beangstigende gevoel dat er ook in een lege, stille, donkere kamer geen plek is waar je zintuigen je met rust zullen laten. Maar ik weet dat dit iets anders is, geen ziekte aan mijn oren, maar iets met maximale belasting en dat moment dat de spreekwoordelijke druppel de oppervlaktespanning een oplawaai geeft. Terwijl ik onder de geluiden in mijn hoofd door denk, neem ik me voor het afgelopen half jaar van te grote projecten, deadlines en onheil te zien voor wat het was: een periode waarna je naar je lichaam moet, uh, luisteren.