De opkomst van de afkomst

Stigmatiseren is salonfähig geworden. MAARTJE LUIF vindt dat opiniemakers en gezagsdragers daarmee moeten stoppen.

Het was vaste prik toen ik eind jaren negentig lesgaf op de School voor Journalistiek in Utrecht: in examens gaven we bij de informatie die studenten moesten gebruiken om een bericht te schrijven altijd de afkomst van de betrokkenen. De studenten die in de val trapten en effectief schreven dat de dader ‘van Marokkaanse afkomst’ was, kregen een punt aftrek met in de kantlijn: ‘irrelevant!’ Groepen mensen stigmatiseren beschouwden we als een journalistieke zonde.

Sinds een decennium is die politieke correctheid juist een zonde. Bij elke misdaad is de eerste vraag: wat was de afkomst van de dader? Of anders: wat was zijn religie? En als je vraagtekens zet bij de relevantie, word je verweten een wegkijker te zijn. De trend begon schoorvoetend, vaak ingegeven door opluchting – hé gelukkig, Breivik is geen moslim – en door verwarring – de moordenaar van Joe Van Holsbeeck kwam uit Polen, was hij dan juist wel of niet een van ons? Maar steeds vaker zag je geen voorbehoud bij de vermelding van zulke kenmerken en naarmate de tijd vorderde verschenen dergelijke beschrijvingen ook bij verdachten, mensen die achteraf helemaal niet schuldig bleken. Stigmatiseren in de journalistiek werd geleidelijk aan salonfähig.

Hanenkam en zo

In de informatieverstrekking rond de massa-aanranding in Keulen passeert eveneens een duizelingwekkende hoeveelheid stigma’s de revue. Zonder al te veel voorbehoud gebruiken belangrijke nieuwsmedia de etiketten ‘Noord-Afrikaans’, ‘vluchtelingen’ en ‘asielzoekers’. ‘Nee’, zegt de Keulse politie, die ook niet vies blijkt van een etiketje meer of minder, ‘het waren geen Noord-Afrikanen, het waren Syriërs’. Maar de politie vroeg naar eigen zeggen van niet meer dan 10 procent van de verdachten de papieren. Voor de overige 90 procent blijft de voornaamste vraag hoe goed een Keulse politieman op het gezicht een Egyptenaar (Noord-Afrika) van een Syriër (Midden-Oosten) weet te onderscheiden.

Het doet me denken aan de Eurotop in 1997, waar het Verdrag van Amsterdam werd gesloten. De oproerpolitie gijzelde toen in het centrum van Amsterdam ‘preventief’ een grote groep vreedzame demonstranten en ik interviewde als leerling-verslaggever de politie. ‘Hoe weet u wie u moet insluiten?’ vroeg ik aan een politieman terwijl ik mijn perskaart voor het vizier van zijn helm hield. ‘Gewoon, de autonomen, hanenkam en zo.’

Dreadlocks (en zo)

Op basis van vergelijkbare profilering word ik zelf regelmatig staande gehouden en gefouilleerd. Ik heb namelijk dreadlocks, die in hetzelfde bedje ziek zijn als de hanenkam, én ik zie er bij tijd en wijle Noord-Afrikaans, Caraïbisch en wie weet zelfs Syrisch uit. Hoe vaak ik niet op een rijtje met – komt-ie – een stel Noord-Afrikaans uitziende mannen heb staan wachten tot ze mijn bagage hadden gecontroleerd.

Je zou kunnen zeggen: het doel heiligt de middelen. Maar wordt het doel bereikt? De oproerpolitie zal zeggen van wel, want er kwam mooi geen hommeles tijdens die Eurotop. De populisten zullen ook beweren van wel: het is immers kei-overzichtelijk als alle Syriërs vrouwenverkrachters blijken te zijn. Maar het is een kleine stap van de hanenkam naar de vlam in de pan. Polariseren en stigmatiseren zijn olie op het vuur van het angstklimaat. Iedereen die een etiketje plakt, zet de verhoudingen steeds meer op scherp.
Juist opiniemakers en gezagsdragers zouden roomser dan de paus moeten zijn en denkfouten moeten bestrijden: sorry, lieve lezer, sorry lieve kiezer, sorry lieve veiligheidszoeker, de wereld wordt helaas niet veiliger door alle mensen met iets meer pigment op een hoopje te vegen, door mensen met te veel haarlak in hun pieken te arresteren of door het fouilleren van Maartje Luif, schrijfster te Leuven.

Deze column verscheen op zaterdag 9 januari 2015 als opiniestuk in De Standaard.