Geestelijke eierdozen

De buurman drilboort. Al maanden. Hij doet het met een klein drilboortje, want hij probeert de kelder pleistervrij te krijgen, maar dat maakt het niet minder erg. Al veertien weken lang snerpt zijn gereedschap door mijn comfortzone.

Niet iedereen heeft last van geluiden, ik wel. Ik heb zelfs al last van de badkamerontluchter van de andere buurman, een voortdurende ruissoundtrack die mijn dagen voorziet van een laagje onrust. Je zou kunnen zeggen dat ik gevoelig ben voor geluiden.

In Amsterdam woonde ik ooit in een huis waarvan ze het metselwerk opnieuw moesten voegen, ook met zo’n kleine drilboor, dat duurde bijna een half jaar. In al mijn gekte berekende ik destijds de kans dat ik nog eens in een huis zou wonen waar het auditieve behang een voortdurende drilboor was. Ik achtte die kans gering, en stelde mezelf daarmee gerust. Gelukkig doet het er voor geruststelling niet toe of het klopt wat je denkt.

In mijn eerste huis in Leuven woonden we in een een sluipverkeerstraatje met een nachtelijk terras op de hoek. Ik stelde toen vast dat we toch wel een beetje geluidsoverlast hadden. Little did I know.

Vervolgens verhuisden we naar een huis naast twee verwaarloosde pitbulls die hun verveling met hun stembanden doodden. Bovendien stripten de buren twee huizen verder én de overburen hun pand tot de fundamenten aan toe. Als klap op de vuurpijl ging de ietwat grote weg, die op twintig meter van ons huis lag, een jaar lang op de schop. Ze groeven tot onder de riolering en pompten met een aggregaat maandenlang het teveel aan water omhoog. Drie jaar lang leefde ik in een decor van getril, gebrom en geblaf.

In mijn derde huis in Leuven begon men een week na onze komst met de straat ‘herinrichten’, al het asfalt werd weggebeukt en ook hier kwamen een aggregaat en een pomp te staan. Dat duurde een jaar. Na dat jaar probeerde onze slome buurman rechts het huis dat hij voor zijn kinderen had gekocht woonklaar te maken, maar omdat hij zo sloom was duurde dat ook anderhalf jaar.

In dit huis, ons vierde huis in Leuven, dacht ik twee vormen van geluidsoverlast te krijgen: treinen en auto’s. Maar de treinen rijden achter een talud en daarmee is het fenomeen talud sinds ik hier woon enorm in aanzien gestegen: we horen vrijwel geen treinen. De auto’s horen we wel, soms hinderlijk, en een enkele keer zit ik te schudden op mijn stoel. Maar alles valt in het niet bij de drilboor die ons sinds december gezelschap houdt.

Mijn leven bestaat uit de binnenkant van mijn hoofd met behulp van een toetsenbord omzetten in een inkomen. Voor dat proces is één ding heel belangrijk: het schriftelijk afwikkelen van een logische denktrant. En precies dat wordt verstoord door het gesnerp van die boor. Mijn schrijfsels worden onderbroken door grote oranje pijlen die van elke gedachte een sightseeingtour langs mijn incasseringsvermogen maken. De boor begint, ik zet me schrap, en zes uur later vraag ik me af of er één gedachte is geweest die ik wel tot een goed einde heb gebracht.

We kunnen met de buurman overleggen, het is een goeie gast en hij wil zich best naar ons schikken. ‘Wat zoudt ge het liefste hebben?’ vroeg hij laatst. ‘Dat je het helemaal niet doet’, zei ik. Maar we weten allebei dat dat geen optie is. Dus doet hij het wel. Vaak en lang.

En mij rest niets anders dan een oplossing te verzinnen voor de obstructie in mijn hoofd. Ik moet zorgen dat mijn gedachtengang geen auto is die bij een omleiding niets anders kan dan slaafs de oranje pijlen volgen. Nee, mijn maalstroom moet de gedaante krijgen van een BMX die behendig over de afzetting vliegt en dan via de zanderige route toch nog de snelste weg naar zijn doel vindt. Wat me doet denken aan het cliché: het gaat niet om wat er gebeurt, maar om hoe je ermee omgaat. Dat klinkt gemakkelijker dan het is. Ik ben een prikkel-spons, totaal niet toegerust op het blokkeren van dingen die binnensijpelen. Ik kan heus wel zo hier en daar een oor sluiten, en een receptor blokkeren, sterker: ik doe niet anders. Maar als ik niet uitkijk, sta ik de hele dag geestelijke eierdozen strategisch tegen de binnenkant van mijn hoofd te spijkeren.

Dus loop ik mentaal lalala roepend te doen alsof ik helemaal niet overgevoelig ben, alsof ik best kan veranderen in iemand die haar gedachten afmaakt, ook al giert er een boor doorheen. Maar ik vrees dat ik boven mijn macht aan het werken ben, dat ik die geestelijke eierdozen tegen mijn plafond aan het spijkeren ben. Mijn arm is lam, mijn nek is stram en ik kan gewoon niet meer.