Groentjes

Er belde een jongen aan. Hij was van Natuurpunt en ze deden een onderzoek naar de eikelmuis die hier in de buurt was gesignaleerd. Of ik misschien onlangs een eikelmuis had gezien. Hij hield een a4’tje voor me met een foto van het beest. Het was een grote muis met een dikke staart. Een mooie muis. Een muis die ik graag had gezien. Er zitten muizen in onze tuin, maar die laten zich niet bestuderen. Nou, zei ik, ik zag wel een grote muis laatst, die ging hop, hop, hop door het hoge gras. Ik realiseerde me dat het wat sullig klonk, maar de jongen sloeg aan. Hoe zag hij eruit?
Ja, uh, dat weet ik niet hoor, zei ik, Hij ging gewoon van poing poing poing door het gras. Maar hij was groot en had wel een flinke staart. Ik was me ervan bewust dat dit een kinderachtige poging was mijn verhaal relevant te maken en schaamde me, maar de jongen pakte een pen. Van poing poing poing en een dikke staart waren kennelijk genoeg om mij serieus te nemen. Hoe laat zag u de muis? Was het in de voormiddag? De namiddag? ’s Avonds? Was de muis alleen? Weet u echt niet meer hoe groot de muis was? Welke kleur had de muis? Ik moest hem teleurstellen. Het gras was hoog en ik herinnerde me alleen dat ik had geroepen: kijk, een muis! Dat is wat ik doe, zo ga ik om met dieren. Ik signaleer ze, laat wat geluk in me opborrelen en ga dan verder met waar ik mee bezig was. De jongen stopte zijn pen weer weg en knikte vriendelijk: onze onderzoeker komt misschien later nog bij u langs, als hij nog vragen voor u heeft. Maar de deurbel bleef stil, de onderzoeker had geen vragen meer.

Er belde een man aan van de gemeente. U had een nestkastje besteld? Ik moest even nadenken. Had ik een nestkastje besteld? Ja, ik geloof het wel. Ik had iets gezien van gratis nestkastjes voor gierzwaluwen en aangezien ik geen gelegenheid onbenut zal laten dieren aan mijn omgeving toe te voegen waar ik niet voor hoef te zorgen, had ik mijn adres ingevuld en het formulier verzonden. Ziet u wel eens gierzwaluwen hier? vroeg de man. Uh, nou, nee, vooral boerenzwaluwen, zei ik. Heeft u al ooit een gierzwaluw gezien hier? Ik tuurde naar de hemel voor mijn geestesoog. Nee, zei ik, ik geloof het niet, alleen die grote. De gemeentewerker stak een verhaal af over de gierzwaluw, bebouwing, dakgoten en richeltjes, en dat ze hier in de buurt inderdaad zelden werden gesignaleerd omdat het zo landelijk was, en dat het dan misschien niet zo zinnig was om hier een nestkastje op te hangen. Nee, zei ik, dat is inderdaad niet zo nuttig. Maar als ik er ooit een zag, mocht ik contact opnemen. Toen ik de deur dichtdeed had ik het gevoel dat hij dat laatste had gezegd om de pijn voor mij te verzachten, maar ik schaamde me alleen maar meer, want we wisten allebei dat ik hier nooit een gierzwaluw zou zien.

We zaten op het bankje in de tuin en tuurden in de schemering naar de kleur die uit de bomen verdween. Waarom zien we nooit egeltjes? vroeg ik. We zien hier alles, en er schijnen talloze verdwaalde, dorstige egels in Vlaanderen rond te banjeren, maar wij zien nooit een egel. Misschien is het gaas van het hek te nauw. Laten we aan de onderkant een gat maken, dan kunnen ze erdoor. Oké, zei Wannes. En we tuurden verder. Een half uurtje later, ik moest even iemand bellen, sjorde Wannes aan mijn arm. Je moet ophangen, zei hij. Gauw. Nu. Ik ga ophangen, doei, zei ik tegen degene die ik aan de telefoon had, en ik ging op een drafje achter Wannes aan, door het natte gras. Hij scheen met de zaklamp en ja hoor, er zat een egel. Een grote egel, een mooie egel. Zijn ene poot stak achter hem uit. Kijk, zijn poot, zei Wannes. Het zag er zielig uit, dat pootje. Zou hij gewond zijn? vroeg ik. Geen idee, zei Wannes. We keken een tijdje en overlegden: wat moet je doen met zo’n egel? Laten we googelen, zei ik. We gingen weer naar binnen, googelden, lazen iets over gewonde egels naar de dierenopvang brengen en over te weinig drinkplaatsen. Snel vulden we een schoteltje water en stiefelden terug door het natte gras. De egel was weg. We beschenen het hele grasveld, maar nergens was een egel. Hij was niet gewond, zei ik, hij stond gewoon een perfecte freeze. Ja, zei Wannes. Teleurgesteld gingen we naar binnen.