Hoe onze vakantie onbe­staan­de werd (12)

Lees eerst deel 1, 2345678910 en 11.

De nurkse agent onder­vroeg ons alsof we het verhaal de afgelopen zes uur niet al talloze keren hadden verteld. Wie het had gedaan, met hoeveel ze waren, hoe het was gebeurd en wat ze hadden gestolen. Kun je vragen of ik nog even weg mag om te bellen? vroeg Wannes aan de trans­la­tor. Wie ga je bellen? vroeg ik. Mijn ouders, zei hij. Zij zouden nog andere pogingen doen om Bieke te bereiken. De nurkse agent knikte, het mocht. Ik vroeg me af of we onszelf in de voet schoten door ons eigen plan te trekken, misschien ver­wacht­te deze man een soort volg­zaam­heid en dacht hij hierdoor: nou, zoek het dan ook maar zelf uit. Ik bestu­deer­de hem. Hij zag er niet uit alsof het hem überhaupt allemaal veel kon schelen.

Toen Wannes weg was moest ik alles opnieuw vertellen. Van Marek, de man op het iden­ti­teits­be­wijs, van Marcos en de net niet kloppende num­mer­plaat, van de app Find my iPhone, van de Nissan Qashqai en de Ford Mondeo, van de bui­ten­wijk van Barcelona, van de poging tot iden­ti­fi­ca­tie van de drie andere mannen en van de zoektocht in de Burger King. Hij tikte en klikte traag. Ik vroeg me af of zijn dienst net was begonnen of dat die juist bijna voorbij was. In het eerste geval kon het nog wel even duren, in het tweede geval mocht ik hopen dat hij zin had in het weekend en snel naar huis wilde. Dan zou het misschien opschie­ten.

Wat zijn jullie kwijt? vroeg hij. Ik had het lijstje die dag al een paar keer opgenoemd, en aan de balie hadden we het tussen het bellen door al eens op een papiertje geschre­ven, maar nu het in de aangifte genoteerd werd, voelde ik ineens het belang van wat ik zou zeggen. Alles wat ik nu zou vergeten op te noemen, zou invloed hebben op ver­ze­ke­rings­kwes­ties. Maar wist ik eigenlijk wel precies wat er allemaal in mijn tas zat? En in die van Wannes?
Wil hij alles weten? vroeg ik aan de tolk. Ja, ze wilden alles weten, paspoort, bank­kaar­ten, sleutels. Brillen? vroeg ik. Boekjes, kaarten? Alles, zei de tolk.

Ik begon op te sommen: vier bank­kaar­ten, een Neder­lands paspoort en twee Belgische iden­ti­teits­kaar­ten, 150 euro, een auto­sleu­tel, twee iPhones, een iPhone-oplaadbatterij. Hij noteerde trager dan ooit en vroeg van welk type de iPhones waren. En verder, wat zat er verder in? Ik dacht na. De tassen zelf, een leren tas, een klein heren­tas­je, twee brillen. Merk van de tas? Merk van de brillen? vroeg hij. Pffff, ik had echt geen idee, en het leek erop dat hij ze daarom niet opschreef, terwijl de brillen en die leren tas bij elkaar zeker een bedrag van 700 euro ver­te­gen­woor­dig­den. Ik werd er zenuw­ach­tig van. En verder? vroeg hij. Ze willen alles weten had de tolk gezegd, dus ik stak van wal: een noti­tie­boek­je, een toi­let­tas­je, een elek­tro­si­ga­ret, een zak­lan­taarn, een woor­den­boek, een landkaart, een … Ik wilde ver­der­gaan maar de tolk fronste, hij vertaalde het voor de agent en ze begonnen allebei heel hard te lachen. Je hoeft niet álles te vertellen, zei de tolk. Mijn wangen werden warm en er trok kippenvel over mijn hoofd. Ik voelde me gekrenkt, want het waren wel míjn kleine spullen, en juist die onbe­nul­li­ge dingen waren veel onver­vang­baar­der dan de iPhones en de inhoud van onze por­te­mon­nees. Het noti­tie­boek­je met twee jaar rom­mel­ge­dach­ten, die vanwege hun rom­me­lig­heid ook niet zomaar opgediept konden worden, het perfecte zak­lan­taarn­tje, het lie­ve­lings­na­gel­schaar­tje, de por­te­mon­nee waar ik zo lang naar had gezocht, omdat ik er een moest hebben waar mijn Neder­land­se paspoort in paste, en ga zo maar door. Ik hield mijn gezicht in de plooi en zei: verder zat er niets in.

Ik heb Bieke bereikt. Wannes stond in de deur­ope­ning met een toon in zijn stem die me opti­mis­tisch maakte en dús wan­trou­wend, want optimisme had me nog niet veel goeds gebracht die dag. Hij kwam naast me zitten. Ik heb haar adres, zei hij, en ze heeft me uitgelegd hoe we er moeten komen. Het is honderd kilometer van hier en ze weet niet of ze nog wakker zal zijn, maar ik heb gezegd dat ze alleen de deur voor ons open hoeft te doen.

Wow. Dat klonk als een oplossing. 100 kilometer, dat zouden we redden met deze ben­zi­ne­tank. En dan bij Bieke, die ik weliswaar niet goed kende, maar die vroeger een goede vriendin van Wannes was geweest, bovendien was ze verre familie van hem, en ook ik had haar in het begin van mijn tijd in Vlaan­de­ren een paar keer gezien en gesproken en ik mocht haar graag. Dus ja, wow, als dit goed zou uitpakken … We have a place to go, zei ik. De tolk vertaalde, maar de nurkse agent reageerde nau­we­lijks. We zaten en wachtten en ik probeerde me voor te stellen dat ons probleem opgelost was, maar ik durfde het niet. Ik stelde me voor hoe we midden in de nacht door het Spaanse land dwaalden en hoe we alleen maar dieper in de shit zouden raken, zonder telefoon, zonder geld, zonder navigatie-app of landkaart

Siga­ret­ten. Elke vorm van shit was beter te hanteren met een sigaret. Ik voelde een pri­o­ri­teit opbor­re­len. What time is it? Half twaalf, zei de trans­la­tor. Could you ask him if my husband can go and buy some ciga­ret­tes? Dat was geen probleem. Ik gaf Wannes de twintig euro die ik van de tolk had geleend. Wil jij siga­ret­ten halen? Wannes keek geschrok­ken, maar trok direct bij. Het moet nu, vrees ik. Ja, zei hij, anders is er niets meer open. Could you ask where he can buy ciga­ret­tes? vroeg ik. De tolk vertaalde en de agent zei dat hij het buiten aan Wannes zou uitleggen. Tot seffens, zei Wannes. Tot zo, zei ik. Ze liepen naar buiten en ik stelde me voor hoe ze daar samen stonden, de nurkse agent en Wannes, in het donker op een stoep in Santa Coloma de Farners, verloren in een Baby­lo­ni­sche spraak­ver­war­ring. Sinds het bericht dat Bieke honderd kilometer verderop de deur open zou doen, was ik iets minder gespannen, maar echte opluch­ting was nog veraf, want er kon nog veel gebeuren in honderd kilometer. Bovendien stuurde ik Wannes nu midden in de nacht een stadje in waarvan ik niet wist of het wel veilig was. En onze wegen scheiden, dat was misschien wel het domste dat we konden doen.

De nurkse agent kwam weer binnen, ging in zijn stoel hangen, zette zijn handen op het toet­sen­bord en babbelde wat met de trans­la­tor, ze lachten wat, ze grapten wat, en ze lachten nog meer. Mijn aandacht verslapte en alles wat ik kon voelen diende zich in die ogen­blik­ken tege­lij­ker­tijd aan. Alle pijntjes die ik had, alle honger, alle dorst, alle ver­moeid­heid, alle rade­loos­heid die door mijn lijf had gegierd, alle teleur­stel­ling over de vakantie die hier zo abrupt eindigde. Ik moest moeite doen om niet vreselijk te gaan zitten huilen, dus ik dacht aan Wannes en hoe die mét talen­knob­bel maar zonder kennis van het Spaans door een donker stadje doolde. Ik dacht aan zijn ori­ën­ta­tie­ver­mo­gen en werd nerveus.

De ont­span­ning van de nurkse agent was opvallend, hij deed ronduit vrolijk tegen de tolk en ook wat aardiger tegen mij. Het leek erop dat het dossier Wannes en Maartje het begin van zijn vrij­dag­avond­dienst was geweest, en als hij érgens geen zin in had dan was het wel de admi­ni­stra­tie­ve rompslomp van twee naïeve noor­der­lin­gen zonder slaap­plaats. Langzaam drong nu tot hem door dat het nog maar een kwestie was van een paar papieren printen en dan waren deze toeristen eindelijk opge­hoe­peld. Hij ontdooide volkomen.

Hij tikte en klikte gestaag verder en kwebbelde nog wat tegen de tolk. Ik probeerde mijn ver­moeid­heid de baas te blijven, want ik wist niet of ont­span­ning al op zijn plaats was en probeerde te overzien welke beren we nog op ons pad konden ver­wach­ten. We konden de weg kwijt­ra­ken. We konden autopech krijgen. We konden nog eens beroofd worden. En er kon iets onver­wachts gebeuren. Want ik kon al die obstakels proberen te voorzien, maar tot nu toe waren er alleen maar onver­wach­te dingen gebeurd, dus er was geen enkele reden om aan te nemen dat ik ons volgende probleem wel kon zien aankomen.

Wordt vervolgd.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.