Hoe onze vakantie onbe­staan­de werd (13)

Lees eerst deel 1, 234567891011 en 12.

Mijn her­in­ne­ring aan dat laatste half uur houdt op op het moment dat Wannes bin­nen­kwam. Hij legde een wollen vest van hem over mijn plak­ke­ri­ge schouders, een vest dat je zou aan­trek­ken wanneer het in de bergen onver­hoopt 7 graden is als je wakker wordt en moet kof­fie­zet­ten bij de tent, niet op een zwoele zomer­avond in juni in het poli­tie­bu­reau van Santa Coloma de Farners.

Het vest dekte alles toe, ook mijn her­in­ne­ring, want het volgende moment dat ik me een beetje helder voor de geest kan halen, is pas weer in de auto, toen we weggingen. In de tus­sen­tijd moet er nog van alles gebeurd zijn, ik heb het proces-verbaal getekend, Wannes heeft nog fluis­te­rend aan mij verteld hoe hij met de auto in een gay-bar terecht was gekomen met alleen maar dronken mensen waar iedereen hem aan­klamp­te en de bar­juf­frouw zijn matige Spaans niet begreep, de trans­la­tor heeft nog een teke­nin­ge­tje gemaakt van de rotondes waarmee we dit stadje uit konden komen en we zullen vast nog wel wat wachttijd hebben stuk­ge­sla­gen, maar ik heb het allemaal niet meer werkelijk gere­gi­streerd. Waar­schijn­lijk waren mijn pri­o­ri­tei­ten gedekt en besloot mijn brein na zes uur angst­ge­wau­wel in vier talen dat ik er niet meer bij hoefde te zijn.

Die eerste seconden in de auto herinner ik me dan weer glas­hel­der. De adre­na­li­ne­pomp die het half uur ervoor had staan druppelen, werd open­ge­draaid, want we stonden weer zelf aan het roer en iets in mij ver­trouw­de ons niet meer helemaal. Normaal gesproken zou ik op zo’n moment hebben gezegd: oké, pauze, eerst nadenken en over­leg­gen over hoe we dit het slimste aanpakken. Midden in de nacht honderd kilometer rijden zonder landkaart of navigatie-app, vanuit een stadje waarvan je alleen de naam kent, maar waarvan je geen flauw benul hebt waar het precies ligt, zonder geld of iden­ti­teits­be­wij­zen, maar met een drie­kwart­vol­le ben­zi­ne­tank en een ongezonde dosis angst. Bedenk­tijd, please. Maar de tolk had zich toch niet helemaal zeker gevoeld over de roton­d­e­te­ke­nin­ge­tjes, dus had hij aan­ge­bo­den dat hij ons de afrit zou wijzen. We moesten hem volgen en hadden geen tijd voor een moment van con­tem­pla­tie.

Het klokje in de auto zei: 00:15 uur. We checkten in snel­trein­vaart de belang­rijk­ste dingen: waar was die over­ge­ble­ven 14 euro? In mijn zak, zei Wannes. De papieren van de aangifte, waar waren die? We zochten ze bij elkaar en legden ze in het dash­board­kast­je. De laatste auto­sleu­tel? Wannes hield hem omhoog en stak hem in het contact. Hebben we nog water? Ja, achter mijn stoel lagen nog twee flessen. En die siga­ret­ten die je net hebt gekocht? Hier, zei Wannes. En dan de aan­te­ke­nin­gen voor de route naar Bieke? Hoe moet ik die in gódsnaam lezen? Wannes keek mee. Tussen de nummers van card-stop, doc-stop, ambas­sa­des, Bieke en haar familie, en andere red­dings­boei­en, stond in typisch Wannes-gekrabbel iets dat op een rou­te­be­schrij­ving leek. Hier, zei hij, we moeten de C25 nemen, die vanuit Girona via Vic naar Manresa gaat, en dan moeten we naar Solsona en niet naar Barcelona, en daarna moeten we er niet af bij de Uni­ver­si­dad, maar bij de volgende, Manresa Oeste, dan moeten we bij de eerste rotonde de derde afslag nemen, daarna links bij een ver­keers­licht, en dan rechts en dan kunnen we daar ergens parkeren. Het waren slechts vier regels voor honderd kilometer. Ik kneep mijn billen samen en probeerde de regels uit mijn hoofd te leren. Er werd getoeterd, de tolk stond naast onze auto en wenkte. Wannes startte de motor en de zenuwen gierden door mijn keel. We reden zwijgend het donker in.

Wannes zat weer met zijn neus op het stuur en ik herhaalde de rou­te­be­schrij­ving in mijn hoofd. Ik vroeg me zelfs nog even af of de tolk betrouw­baar was, en of we nu niet naar een indu­strie­ter­rein werden gelokt waar hij ons onze auto afhandig zou maken, of erger … Het ver­ont­rust­te me dat ik inmiddels kennelijk zo paranoïde was, De trans­la­tor had gezegd dat hij bij de derde rotonde in Santa Coloma een andere afslag zou nemen dan wij, dus vanaf dat moment was ik als co-piloot ver­ant­woor­de­lijk voor het succes van de reis. Hij toeterde, dit was de derde rotonde. Hij sloeg af. Gelukkig stond er inderdaad het bordje naar Vic, zoals hij had voorspeld. Daar moet je in, zei ik tegen Wannes.

Het eerste half uur spraken we weinig, we waren veel te bang dat we iets over het hoofd zouden zien, maar na een tijdje stelden we vast dat het laatste geld dat er nog was voordat Spanje in de crisis verzeild raakte god­zij­dank in deze weg was geïn­ves­teerd. Want de vier­baans­rijks­weg was onver­licht, maar elke paar meter spiegelde een reflector de koplampen, het asfalt was spik­splin­ter­nieuw, er was zowaar een vlucht­strook­je, en de belijning en beweg­wij­ze­ring waren dik in orde. We staken een sigaret aan, ademden uit en spraken af en toe een gedachte hardop uit.

Mijn buik­spie­ren ont­span­den zich, mijn tenen, mijn schouders en mijn voorhoofd. Het deed pijn, Niet de ont­span­ning op zich, maar de ruimte die ontstond voor allerlei flits­ge­dach­ten. In de ruim elf jaar dat Wannes en ik samen zijn, zijn we nooit langer dan ongeveer twee weken weg­ge­weest. Vaak kwam dat door geld, soms door tijd, en soms door allebei. De laatste jaren gingen we helemaal niet samen weg en zelfs dit jaar raakte de vakantie in de lente een paar keer uit het zicht door finan­ci­ë­le tegen­val­lers. Maar eind april besloten we dat het kon, dat we het dit jaar eindelijk nog eens voor elkaar zouden krijgen: drie weken los van alles, van thuis, van werk, van dage­lijk­se mui­ze­nis­sen. Lezen, liggen, water, natuur, terrasjes. Ik tuurde naar de reflec­to­ren op de weg en probeerde me voor te stellen dat deze gebeur­te­nis niet het einde van de vakantie was. Dat het vertrek uit de Ardèche die ochtend – was dat écht die ochtend? – daad­wer­ke­lijk het begin van het tweede deel van de vakantie was geweest, en dat we ons vandaag als niet meer dan een slechte dag tus­sen­door zouden her­in­ne­ren. Ik beeldde me in dat we zó veel geld van Bieke zouden lenen dat we door konden reizen, dat we onze aangifte als ver­van­gend iden­ti­teits­be­wijs zouden beschou­wen, en doodleuk weer ergens onze tent zouden opzetten, maar de schrik sloeg me direct om het hart, Ik dacht aan Marcos en Marek, en hoe ze ons hadden geholpen, en hoe we van Marek wisten dat die hulp bedrieg­lijk was geweest, en hoe we het van Marcos nooit zouden weten, en hoe ik onge­twij­feld de rest van zo’n geïm­pro­vi­seer­de vakantie iedereen met goede bedoe­lin­gen met argusogen zou bekijken, en hoe we elke vorm van behulp­zaam­heid zouden wan­trou­wen, en en en. Ik kon me niet voor­stel­len dat die houding tot iets kon leiden dat op vakantie leek, dus dit was het einde. Ik probeerde niet te huilen, want ik was co-piloot en ik moest naar de bordjes kijken, de rou­te­be­schrij­ving opdreunen indien nodig. en ik moest bovenal mijn cool houden. Dus trok ik mijn schouders recht, probeerde iets te doen dat leek op diep zuchten, nam een slok water en con­cen­treer­de me op de weg.

Wat denk jij? vroeg ik aan Wannes. Was Marcos te ver­trou­wen? Het bleef lang stil. Ik weet het niet, zei Wannes. Ik weet het echt niet. Ik ook niet, zei ik. het is fifty-fifty. Uit het niets verscheen er een auto met de deuren wagenwijd open op het mini-vluchtstrookje. Wannes moest meteen uitwijken, want de lin­ker­deur belem­mer­de de rech­ter­rij­strook. What the fuck, zei hij. Ja, what the fuck, zei ik. Wannes, die al enige tijd iets minder voorover gebogen zat, drukte ogen­blik­ke­lijk zijn neus weer tegen het stuur. De rest van de weg zwegen we. Je zou denken dat je elkaar veel te vertellen hebt na zo’n gebeur­te­nis, en dat je veel wilt over­leg­gen over hoe je in godsnaam ooit terug in België komt, maar het mooie aan adre­na­li­ne is dat het van elk warhoofd een one-track-mind maakt. Het enige dat telde waren de reflec­to­ren op de weg, die ons in één stuk zouden moeten houden, de bordjes boven de weg, waarop de naam Manresa moest staan, en het geluid van de motor, dat ons zolang het ritmisch raasde, vertelde dat in elk geval ons Polootje ons niet in de steek liet.

De stress nam weer even toe toen we bij Manresa de grote weg af moesten en het erom spande: kon ik het beknopte gekrabbel van Wannes vertalen naar de oplossing der oplos­sin­gen? Naar het huis van Bieke? Wonder boven wonder bleek de beschrij­ving accuraat, mijn inter­pre­ta­tie correct, de weg zoals verwacht, en de straat waar we zouden moeten parkeren had dezelfde naam als die op ons papiertje. We par­keer­den de auto en mon­ster­den de omgeving. Niet veilig en niet onveilig, was mijn conclusie. Ik overzag de rommel achterin en vroeg me af of het me nog iets kon schelen als de auto open­ge­bro­ken zou worden. De tent van 28 kilo zouden ze niet stelen, en de para­sol­voet, de klap­ta­fel­tjes en het kaartspel van Catan zouden me hoe­ge­naamd worst wezen, en ja oké, als ze de auto zelf zouden stelen waren we zodanig de lul dat ik er koude rillingen van kreeg, maar het was geen buurt die uit­straal­de dat er op dit uur van de nacht ergens een bewaakte par­keer­plaats zou zijn, en ik kon ook niet bedenken hoe we op een andere manier het zekere voor het onzekere konden nemen. Mijn hersens leken op een digitale display met te weinig stroom, van alle gedachten ontbrak een deel, waardoor ik me enorm moest con­cen­tre­ren om ook nog maar iets te overzien. Een gestolen auto was niet te overzien.

We haalden wat kleren, twee kussens, toi­let­ar­ti­ke­len, een fles cognac, de koelbox met – naar later bleek – een bak beschim­mel­de frambozen en een beschim­mel­de meloen uit de auto, we checkten nog eens alle belang­rij­ke dingen: hadden we de tele­foon­num­mers, de aan­gif­te­pa­pie­ren en de enige auto­sleu­tel? Waren alle deuren op slot? Zagen we niks over het hoofd? Konden we de auto met een gerust hart verlaten?

We liepen bepakt en bezakt de kant op die de rou­te­be­schrij­ving ons aangaf en zagen algauw dat we goed zaten. Het juiste adres, het juiste huis­num­mer. We belden aan. Het duurde even, maar toen zoemde het slot. We trokken de deur open, ik slikte een brok in mijn keel weg en ik zag dat bij Wannes de tranen in de ogen sprongen.

Wordt vervolgd.

Eén reactie

  1. josiane

    zeer goed geschre­ven !
    mijn plan waren om alleen en voor enkele maanden met fiets en tent door Spanje naar Portugal te gaan .….…nu begin ik te twijfelen :-(

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.