Hoe onze vakantie onbe­staan­de werd (15)

Lees eerst deel 1, 2345678910111213 en 14,

Na meer dan 36 uur in het appar­te­ment van Bieke was het raar om plaats te nemen in het brik vol cam­pings­pul­len. Toen ik ging zitten joegen de zenuwen op slag weer door mijn lijf. Ik zag aan Wannes dat hij ook nerveus was. Normaal gesproken zou ik uitkijken naar een rit door de Pyreneeën, maar nu zonder telefoon, met bela­che­lijk veel cash geld, geen enkel iden­ti­teits­be­wijs, geen rijbewijs en over­ver­moei­de hersenen zag ik alleen maar beren op de weg. Ik moest moeite doen om niet slechts in wat-alsen te denken.

We ver­deel­den het geld over vijf plekken in de auto, we ver­deel­den de twee pakjes siga­ret­ten, we checkten of we water hadden, check, of het mapje met de aan­gif­te­pa­pie­ren veilig was, check, en of we het lijstje met de route paraat hadden, check (zie foto) .

Met bonzend hart reden we de par­keer­ga­ra­ge van het appar­te­ments­ge­bouw uit, we zwaaiden naar Bieke en Maite, en raakten bij het eerste stoplicht al in de war. Moet ik ergens stoppen? vroeg Wannes. Nee, zei ik. Ik denk dat we wel goed zitten, maar ik weet het niet zeker. We volgden de weg die we waren inge­sla­gen en kwamen inderdaad bij de rotonde die Bieke had voorspeld. Daar moesten Navas en Berga op de bordjes staan, maar er stond alleen Andorra. Ga daar maar heen, zei ik. Die andere namen komen vast zo, we moeten in elk geval in de richting van Andorra. Wannes sloeg af, ik keek zonder te knipperen naar de rand van de weg, bang om een bordje te missen, maar twintig minuten later hadden we nog steeds nergens Navas en Berga zien staan. Niet erg, zei ik. Ik had een kaart van Frankrijk en daar stond niet op waar wij reden, dat was nog te ver in Spanje, maar de lands­grens stond er wel op en ik vermoedde dat de wegen wel weer samen zouden komen, zolang we Andorra bleven volgen,

Ik probeerde mijn billen te ont­span­nen, de prachtige omgeving in me op te nemen en tot rust te komen, maar mijn gedachten tolden alle kanten uit. Hoewel hij deze keer niet met zijn neus op het stuur zat, zag ik dat Wannes ook gespannen was. Het was nu al drie uur ‘s middags. De rit zou twee dagen duren, omdat ik geen rijbewijs heb en Wannes alles alleen moest rijden. Bovendien waren regel­ma­ti­ge stops geboden, wegens ver­re­gaan­de ver­moeid­heid. Ik probeerde niet te zuchten bij het voor­uit­zicht twee dagen met samen­ge­trok­ken billen op de pas­sa­giers­stoel te zitten, maar ik zuchtte toch.

We zochten niet langer naar Navas en Berga en zagen ook Puigcerda niet op de bordjes ver­schij­nen, dus we bleven Andorra volgen. Vanuit Andorra kunnen we sowieso naar Toulouse, zei ik. laten we die oor­spron­ke­lij­ke route maar vergeten. Het maakte me eigenlijk al lang niet meer uit hoe we thuis­kwa­men, als we maar thuis­kwa­men.

Naarmate de route onont­koom­baar­der werd en we langer zaten, werd de auto weer meer cocon en minder plaats delict. Langzaam begonnen we wat te over­leg­gen. Eerst over de pri­o­ri­tei­ten: we mochten de weg niet kwijt­ra­ken, dus ik moest voort­du­rend blijven opletten. We moesten goed in de gaten houden of het Polootje geen rare geluiden zou maken, want het is een uitermate betrouw­baar autootje, maar of het ook een berg­ke­ten­waar­dig autootje is, wisten we niet. We moesten voldoende stoppen om te zorgen dat Wannes de geweldige chauffeur zou blijven die hij doorgaans is. We moesten de auto direct op slot doen als we beiden uit­stap­ten. We moesten de auto­sleu­tel bewaken met ons leven. We moesten de rugzakjes, die dienden als hand­tas­sen, bij ons houden, waar we ook gingen. We moesten altijd een deel van het geld in de auto laten en een deel van het geld op ons beider lijf dragen. We moesten zorgen dat we telkens bij een halflege tank een ben­zi­ne­sta­ti­on op zouden rijden, voor het geval we op een of meer tank­sta­ti­ons zouden komen waar je alleen met kaart kon betalen. Dan hadden we altijd genoeg brandstof om verder te zoeken. We moesten ruim voor het donker werd uitkijken naar een hotel om dezelfde reden. In sommige hotels kun je ‘s avonds alleen inchecken met een bankkaart, dus we moesten voldoende tijd inbouwen om een plek te vinden waar ze cash zouden accep­te­ren. In verband met die slaap­plaats moesten we proberen EK-steden te vermijden – maar wat waren in hemels­naam EK-steden? We moesten niet voor iedereen bang zijn, maar we moesten misschien toch wel iets banger zijn dan normaal. En vóór alles: we moesten de stemming erin houden.

Dat laatste lukte niet helemaal, want na de pri­o­ri­tei­ten begonnen we aan onze angsten. Waar moesten we op letten? Wie konden we onderweg nog ver­trou­wen? Wie niet? Wat was er gebeurd in die zes uur dat onze bank­kaar­ten niet waren geblok­keerd? Wat gebeurde er as we speak met onze Belgische iden­ti­teits­be­wij­zen, het Neder­land­se paspoort en het rijbewijs? We hadden onze tele­foon­num­mers geblok­keerd, en de inhoud zou worden gewist als ze werden aangezet, maar konden onze telefoons in de uren voordat we dat hadden geregeld al frau­du­leus gebruikt zijn? Zat er een huis­sleu­tel in een van de tassen? En ons adres? Liepen we gevaar? Welk motief hadden de rovers gehad? Waren het krui­mel­die­ven die voor zichzelf werkten? Loop­jon­gens van grotere boeven? Of knechtjes van de aller­groot­ste criminele netwerken? Als we het motief snapten, konden we misschien ook inschat­ten hoe ver­re­gaand de gevolgen waren. Waren ze al blij met die hon­derd­vijf­tig euro, die telefoons en de iPhone-batterij? Of zouden ze proberen er meer uit te halen? En zo ja, waren ze daar handig in of waren het sukkels? Hadden ze mij bespied toen ik de pincode intikte bij het tank­sta­ti­on? Of hadden ze een hac­kers­af­de­ling boven zich die onze bank­kaar­ten, ons iden­ti­teits­be­wij­zen en onze telefoons in die bui­ten­wijk van Barcelona waar het Find my iPhone-crikeltje was opgedoken in een uurtje routineus en script­ma­tig had misbruikt?

De mede­wer­ker van de Belgische ambassade had Wannes tijdens het teleur­stel­len­de tele­foon­tje verteld dat er de dagen ervoor al drie andere Belgische auto’s op deze manier te grazen waren genomen, de politie had zich uit­ge­la­ten over hun eindeloze jacht op Bosnische bendes, en de consulair mede­wer­ker van de Neder­land­se ambassade, de trans­la­tor in Santa Coloma de Farners en Bieke en Àngel hadden gezegd: dit is aan de orde van de dag bij toeristen. Dus het ging om Bosnische bendes met zeer veel ervaring, dat leek me op zich niet zo hoop­ge­vend.

We waren een uur aan het rijden toen Wannes zei: ik wil het liever niet, maar we moeten zo even stoppen, ik moet mijn benen strekken. En dan kunnen we misschien siga­ret­ten kopen. De zenuwen borrelden direct op en ik haatte het dat ze opbor­rel­den. We gingen alleen even stoppen, siga­ret­ten kopen, normale dingen, dingen waarvoor je niet zenuw­ach­tig hoefde te zijn.

We stopten in een dorpje bij een tank­sta­ti­on­ne­tje. Moet er iemand bij de auto blijven? Of kunnen we samen weg? Heb je de sleutel? Waar zijn de papieren? Heb je je tas? Is je raampje dicht? Het dak? Is je rugzakje dicht? En het geld? Heb jij ook je geld goed weg­ge­stopt? Zal ik de rou­te­be­schrij­ving maar in het tasje stoppen? Ik haatte mezelf, ik haatte Wannes, ik haatte ons. Ik haatte het dat we hier zo mee omgingen, dat we deden alsof even stoppen een halszaak was. Trillend stapte ik uit. Ik durfde niet bij de autodeur weg te lopen voordat Wannes de deuren had gesloten. Het cafeetje bij het tank­sta­ti­on zat vol met streek­volk en het duurde lang voor we geholpen werden. Tijdens die minuten aan de bar zoomde ik in op elke bezoeker, ik maakte een risico-analyse, regi­streer­de een sig­na­le­ment, en ver­vol­gens zoomde ik in op iemand anders. Ik haatte mezelf nog meer. Onschul­dig ogende ber­ge­lin­gen die in een prachtige maar eenzame streek hun zondagse vrije tijd ver­dron­ken aan de bar van het tank­sta­ti­on; er was geen enkele reden om deze situatie met ogen op steeltjes te ondergaan.

Ik was bang, zei ik tegen Wannes toen we weer in de auto zaten. Ik ook, zei Wannes. Hij startte de motor en zwijgend ver­volg­den we onze weg, de bergen tegemoet. De weg kronkelde en steeg, er verscheen sneeuw op de toppen in de verte en ons autootje bromde ons in de baan voor langzame voer­tui­gen naar voren. Het ging tergend langzaam en ik vroeg me af hoe fout we precies aan het rijden waren. Kwamen we misschien in de hoge bergen terecht? En moesten we daar al cirkelend weer naar beneden, waardoor we de route twee of drie keer aflegden? Was de weg die we eigenlijk hadden moeten rijden veel recht­streek­ser? Zouden we door mijn ‘volg Andorra maar’ misschien morgen nog niet thuis zijn? Ik haatte mezelf om de beroving. om mijn aan­wij­zing die ons naar een langere route had gedi­ri­geerd, om mijn angst en paranoia, ik haatte mezelf om alles wat ik kon bedenken. Terwijl het zo mooi was. De bergen, de zon die al wat lager stond, de roof­vo­gels, de sneeuw­top­pen in de verte, de weg die slingerde, het volkomen gebrek aan ach­ter­vol­gers en tegen­lig­gers, het regel­ma­ti­ge geluid van het betrouw­ba­re autootje, genoeg geld, genoeg siga­ret­ten, genoeg water en door­dach­te plannen.

Na een uurtje reden we de kaart van Frankrijk op. Ik zag waar we waren, vlak vóór Andorra en stelde vast dat onze weg dóór Andorra liep en de weg die we hadden moeten nemen lángs Andorra. We hadden over het stuk dat we net achter de rug hadden dus misschien veel langer gedaan dan nodig, maar voor het vervolg van de route leek de omweg gelukkig mee te vallen. Hoewel het een opluch­ting was, zag ik ook dat ons streven om al ruim boven Toulouse te zijn als we een hotel gingen zoeken waar­schijn­lijk veel te opti­mis­tisch was. Het was nu zes uur, we wilden niet in het donker op zoek en we moesten nog minimaal één, misschien twee keer stoppen voordat we voorbij Toulouse waren. En één ding wist ik zeker: Toulouse was een van de steden waar EK-wedstrijden werden gespeeld. Op de heenweg hadden we al bot gevangen toen we een hotel in Metz zochten en daar een oefen­wed­strijd van Les Blues bleek te worden gespeeld; pas ver na het donker hadden we een plek in Nancy gevonden. Wanneer er precies in Toulouse werd gespeeld, wist ik niet, maar ik wilde liever het risico niet lopen dat alle hotels vol zouden zijn als we eenmaal gingen zoeken.

We naderden Andorra en moesten pauzeren. We stopten bij een gigan­tisch complex met een winkel, bar en res­tau­rant, checkten weer duizend keer of we alles hadden, of alle ritsjes dicht waren, alle deuren op slot, alle papieren en de auto­sleu­tel veilig. Een paar meter van de auto zat een man in een wie­le­rou­tfit met een voet vol met bloed op het asfalt. Wannes en ik keken elkaar aan en liepen door. Iets verderop zei ik: hij zag eruit alsof hij al geholpen werd, toch? Hij leek naar de weg te kijken alsof hij op een auto wachtte, vond je niet? Ja, zei Wannes, dat dacht ik ook. Maar ik wist wat ik aan het doen was.: ik was aan het goed­pra­ten dat ik niet had gevraagd of ik kon helpen. Iets wat ik tot twee dagen daarvoor altijd zou hebben gedaan. Can I help you? Are you okay? Nu dacht ik alleen maar: nee vriend, ik trap nergens meer in.

Wordt vervolgd.

Eén reactie

  1. Hoi Maartje, ik ben stilaan verslaafd geraakt aan dit spannende ver­volg­ver­haal. Je bent dan misschien veel waar­de­vols kwijt, maar onder­tus­sen ineens ook iets waar­de­vols rijker: zomaar ineens is dit bijna een boek geworden!

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.