Stukjes in het wild

Hoe onze vakantie onbe­staan­de werd (16)

Lees eerst deel 1, 234567891011121314 en 15.

We liepen de winkel in, omdat ik uit een eerder bezoek aan Andorra had onthouden dat het een belas­ting­pa­ra­dijs was. En ja hoor, de reus­ach­ti­ge winkel was vol­ge­stouwd met souvenirs, drank, siga­ret­ten en vlees tegen bodem­prij­zen. We kochten twee sloffen siga­ret­ten voor de helft van het geld, liepen door naar het café­ge­deel­te en bestelden een koffie en een glas water. Of we een fles wilden, vroeg de ober. Nee, geen fles. We hadden flessen te veel in de auto, er pasten geen flessen meer bij. Dan kon het niet, zei hij. Oké, laat dan maar, dan alleen de koffie. Ik ging een wc zoeken en kwam daarbij langs een kast met levende slakken, langs een gang met allemaal nepdeuren, langs een replica van King Kong, en langs een balkon aan een echte waterval voordat ik het toilet vond. Toen ik terugkwam bij Wannes zei ik: je kijkt je ogen uit. Hij ging ook.

Ik staarde wat voor me uit, in mijn uppie aan in dat Las Vegas‐achtige skigebied met op de ach­ter­grond het geklin­gel­k­lon­gel van koebellen en berg­gei­ten, en ik rea­li­seer­de me hoe ver ik ver­wij­derd was van alles wat ik anders voel. Normaal zou ik mijn ogen uitkijken, de mafheid van de plek diep opsnuiven, ik zou erom lachen en de kof­fie­stop rekken om nog even wat langer in dit sur­re­a­lis­ti­sche land te kunnen blijven, nu wilde ik alleen maar zo snel mogelijk onze veilige cabine in, zodat ik niet langer elke prikkel hoefde te beoor­de­len op mogelijk gevaar. Toen Wannes terugkwam, had ik tranen in mijn ogen. Zijn lip begon ook te trillen, hij ging naast me zitten en op een onhandige manier omhelsden we elkaar zij­de­lings. De ober bracht de koffie en keek geschrok­ken toen hij onze tranen zag. Iets later kwam hij terug met een ver­ont­rus­tend nederige blik in zijn ogen, zette een enorm glas voor ons neer en vulde het met water. Van het huis, zei hij.

We hadden sinds de beroving alleen een paar keer gesnift als we spraken over het einde van de rust die we zo hard nodig hadden, en ook nu hielden we het kort. Huilen maakt moe, en ver­moeid­heid was taboe. We haalden diep adem, dronken onze koffie op en liepen terug naar de auto. De man met de bebloede voet was weg en ik probeerde niet te denken aan hoe dat meer ondanks ons dan dankzij ons was.

De tank is halfvol, dus we moeten tanken, zei Wannes. Ik keek naar buiten. We naderden de lands­grens met Frankrijk, maar er lag nog één ben­zi­ne­sta­ti­on voor ons. Hier is de benzine 1 euro per liter, zei ik, het is hier nog belas­ting­vrij, gauw, ga eraf. Hij gooide het stuur om en parkeerde. We maakten afspraken over onze vei­lig­heid en de vei­lig­heid van onze spullen. Wannes zou tanken en ik zou in de auto blijven, en ik zou betalen terwijl hij in de auto bleef. Bij het tank­sta­ti­on was gelukkig een winkeltje open, dus we konden cash afrekenen en ik was blij dat ik deze beslis­sing zo snel genomen had, want van de eerste keer tanken na onze zo onfor­tuin­lijk geëin­dig­de vorige tankbeurt had ik anders vast een dingetje gemaakt. We betaalden 25 euro en ik rekende uit dat we van de 1500 tot 2000 euro schade die de beroving had ver­oor­zaakt er al 90 hadden terug­ver­diend door per ongeluk de route dóór Andorra te nemen.

We reden verder door het adem­be­ne­men­de landschap. In stilte. Het werd steeds bewolkter en steeds later. De auto draaide de bergen af in scherpe bochten en plot­se­ling steeg er een zacht geschraap uit de auto op. Het bloed trok naar mijn hoofd. Het was zon­dag­avond, er was vrijwel niemand op de weg, de bergen waren hoger dan ooit en het geschraap hield aan. Je moet stoppen, zei ik. Maar waar dan? vroeg Wannes. Rechts werd de weg geflan­keerd door een diep ravijn, links door een steile bergwand. We reden door, luis­te­rend naar het geschraap dat soms harder werd en dan weer zachter. Ik probeerde een patroon te herkennen, Was het alleen in de bochten? Dan kon het zijn dat we te diep lagen en tegen de wielen schaafden. Was het continu? Dan was het misschien iets in de motor. Een paar bochten lager lag een nood­stop­grind­plaats. Hier beneden kun je stoppen, zei ik.

Er stond een andere auto gepar­keerd met twee mannen erbij. Ik peilde of ze te ver­trou­wen waren. Kon ik uit­stap­pen? Wannes alleen laten? Moest ik mijn tas meenemen? Maar dan kon ik niet onder de auto kijken. Nee, de tas moest in de auto staan. Ik stapte uit. Blijf zitten, let op mijn spullen en hou die kerels in de gaten, zei ik. Ik hurkte en keek naast de auto, voelde aan de banden, aan de bin­nen­kant van de wie­l­ope­nin­gen, keek of er nergens iets aanliep of uitstak, ging op mijn buik liggen en staarde grondig naar het zwarte vuil op de bodem­plaat. Ik zie niks, zei ik. Ik liep terug naar mijn deur en dacht aan hoe lang de avond nog zou duren als er daad­wer­ke­lijk hier, op twee­dui­zend meter, iets mis was. Ik hoor het nog steeds, zei Wannes, ook nu we stilstaan. We luis­ter­den. De mannen reden de par­keer­plaats af, ik ging in de auto zitten en Wannes stapte uit. Hij dook in de kofferbak, haalde er wat bagage uit, graaide nog dieper en stuitte op het wereld­ont­van­ger­tje dat we mee hadden om naar het EK te luisteren in afgelegen gebieden. Het kraakte. Hij drukte op UIT en het was stil. We lachten veel te hard, uit pure opluch­ting.

Het vervolg van de weg verliep voor­spoe­dig, zo voor­spoe­dig dat we ook weer een beetje durfden te praten. Dit keer was het onderwerp: hoe stom waren we nu eigenlijk geweest? Die tassen, zei ik, die hadden we nooit alleen in de auto mogen laten. Nee, zei Wannes, ik had niet uit mogen stappen. Nee, inderdaad, zei ik, maar ik had mijn tas natuur­lijk ook in de gaten moeten houden. Ik wist dat jij niet meer in de auto zat. Dat ik me ver­vol­gens op hem con­cen­treer­de en niet op mijn tas was echt wel een begin­ners­fout.

Het zat me al twee dagen dwars. Ik ben een gro­te­stads­kind, opge­groeid met heldere waar­schu­win­gen als: hou altijd een hand op je schou­der­tas, verlies nooit je koffer uit het oog en ga niet met vreemde mannen mee. Ik ben in de afgelopen 42 jaar veel kloot­zak­ken tegen­ge­ko­men die allerlei ontoe­laat­baars bij en met me deden en mede daarom kon ik het niet uitstaan dat juist mij dit was overkomen. Ik, de neuroot die vaak met het hengsel van haar tas drie keer om haar enkel of pols op een terras zit, die in de trein Amsterdam‐Leuven nooit in slaap durft te vallen, tenzij er een moge­lijk­heid is om óp haar bagage te gaan zitten, die al eens beroofd is, heel vaak gezak­ken­rold, en tal van keren getuige van bero­vin­gen en fiets‐ of motor­jac­kings, en die zelfs al een keer een encounter had met een onguur type dat een wiel­dop­truc uithaalde. Juist ík wist toch inmiddels wel beter?

Maar ik had wel wan­trou­wen, argwaan. zei ik, ik voelde dat er iets niet klopte. Ja, zei Wannes, had ik dat ook maar eerder doorgehad. We zwegen. Je hebt niks aan argwaan als je niet goed handelt, zei ik. De volgende keer moet ik zelf ook goed handelen, niet naar die man kijken, maar naar mijn spullen. Ik hoorde mezelf praten, ik wist hoe gratuit het was, en ik haatte mezelf. Wat nou: de volgende keer moeten we goed handelen? Wat is goed als je de truc niet kent? Welke regel moet je dan precies hanteren? Bij bal­le­t­je­bal­le­tje kun je onheil vermijden door je te houden aan de regel Doe geen gok­spel­le­tjes op straat. Maar Accepteer geen behulp­zaam­heid is een onhoud­ba­re regel. En de vraag of je wel hulp nodig hebt, kost tijd waardoor goed handelen vaak al te laat is. Zie ook het stukje dat ik ooit schreef over de man met het ijs op zijn broek op station Mechelen. De vraag is of je je kunt weren tegen dit soort dingen.

Tegen negenen arri­veer­den we op de ring van Toulouse. Op de matrix­bor­den stond een oproep: vermijd de stad op 13 juni, want dan is er een EK‐wedstrijd en dus ver­keers­druk­te. We slaakten een zucht van opluch­ting: geen EK‐wedstrijd in deze omgeving vandaag. Als we nu nog even door­kar­den, waren we Toulouse voorbij en dan konden we mor­gen­och­tend zonder drukte ver­trek­ken. Tussen Toulouse en Montauban keken we uit naar een hotel. We hadden drie uit­gangs­pun­ten: a. het moest een keten zijn, want daar voelden we ons het veiligst, b. het hotel moest vanaf de weg te zien zijn, want in de schemer op de tast een hotel zoeken zagen we niet zo zitten en c. we moesten proberen een hotel met of naast een res­tau­rant te vinden, want we hadden honger als een paard. We tuurden in de sche­me­ring over de geluids­wal­len en zagen tal van licht­re­cla­mes, reden een paar keer de weg af voor een mogelijke slaap­plaats, maar gingen als de beweg­wij­ze­ring niet vlug genoeg duidelijk werd gauw weer terug naar de snelweg. Na een minuut of veertig spotten we een gemak­ke­lijk vindbaar, splin­ter­nieuw Ibis‐hotel mét een res­tau­rant. We zetten de auto neer, deden de waar‐hebben‐we‐alle‐belangrijke‐spullen‐drill en troffen achter de balie een mevrouw die cash geld accep­teer­de. Ze vertelde ons dat het res­tau­rant nog open was en wenste ons een prettige avond. We gooiden onze bagage neer op de kamer, die er vooral op was gericht dat je hem in tien minuten schoon kon maken, aten in het res­tau­rant een boven ver­wach­ting lekkere maaltijd en zagen in de verte een tv‐scherm met een voet­bal­wed­strijd. Ik regi­streer­de nog steeds van elke bezoeker het sig­na­le­ment en maakt nog steeds van iedereen een risico‐analyse, maar toch was ik in mijn nopjes met de uitkomst van de dag. Ik had misschien liever nog iets verder boven Toulouse overnacht, en ik had misschien eigenlijk een snellere weg door de Pyreneeën willen volgen, maar we waren veilig, we werden behoor­lijk gevoed, we hadden een goed bed, morgen een ontbijt. Kortom: onze plannen bleken uit­voer­baar.

Weer op de kamer zette ik de tv aan. Op elke zender rolde er een tic­ker­ta­pe door het beeld. Er is iets gebeurd, zei ik. Wannes kwam erbij en keek mee. Iets in Orlando. Met IS. Een aanslag. Mijn hart rolde voor de zoveelste keer dat weekend mijn keel binnen en ik voelde hoe mijn schouders omhoog trokken. We keken nog een uur naar de nieuws­bul­le­tins in hoge­school­frans en besloten toen te proberen te slapen.

Het was warm in de kamer. Het bed was hard en een beetje kort, en mijn zenuwen waren inmiddels wat gekal­meerd, maar mijn schouders bleven doen alsof ze aan de waslijn hingen. Om half twee lag ik naar Wannes te kijken. Hij deed zijn ogen open. Ben je wakker? fluis­ter­de hij. Ja, zei ik. Heb jij al geslapen? vroeg ik zachtjes. Nee, zei hij. We zwegen en luis­ter­den naar elkaars adem­ha­ling. Weet je wat ik lig te denken, zei ik. Nee, zei hij. Dat we ook nu door zouden kunnen rijden. Ik ook, zei Wannes, ik dacht daar ook aan.

Ik begon in mijn hoofd af te wegen wat de voor‐ en nadelen waren. De voordelen waren legio: nu niet langer wakker liggen met het gevoel dat we tijd ver­spil­den, veel minder verkeer dan in de maan­dag­och­tend­spits te ver­wach­ten viel, veel minder regen dan het weer­be­richt op tv voor morgen voorspeld had, en als gevolg van dat alles misschien veel eerder thuis. De nadelen waren minder talrijk, maar ono­ver­ko­me­lij­ker. De kans dat je ’s nachts kon tanken met cash was veel kleiner, en het aller­be­lang­rijk­ste: Wannes zou na een lange dag niet slapen en dan weer een nacht en een deel van de dag moeten rijden. Dat klonk niet als een slim plan.

Zullen we het doen? vroeg Wannes.
Ik weet het niet, zei ik.

Wordt vervolgd.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.