Hoe onze vakantie onbestaande werd (20)

Lees eerst deel 1, 23456789101112131415161718 en 19.

Wat heb je een omslachtige titel voor je serie gekozen, zei mijn vader laatst. En hij had natuurlijk gelijk, het is een omslachtige titel. Maar als ik erover nadenk kom ik toch steeds op dat punt terecht: ineens was de vakantie – poef – weg.

Ik vergelijk het graag met iets dat me ooit overkwam: ik woonde alleen en ik had hoge koorts. Na een paar uur slapen, stond ik op. Ik liep van mijn bed naar de keuken, eindeloos traag, om mijn bonkende hoofd, lage hartslag en trillende lijf terwille te zijn. Ik wilde een kopje thee zetten. Heel langzaam pakte ik het handvat van het keukenkastje boven me dat vervolgens met oorverdovend geraas bovenop mij stortte. Alle borden, alle kopjes, alle schaaltjes, alle glazen donderden over mij heen. Het is dat soort beduusdheid dat ons overviel toen we zingend door de Spaanse zon reden en die onbezorgde stemming in een oogwenk – poef – niet meer bestond.

Maar er is meer met die titel. Als zelfstandige – en zeker als schrijver – loopt je vrije tijd nogal snel over in werk. Wannes en ik werken de helft van het jaar in het weekend door, op feestdagen zijn we vrijwel altijd aan de slag, en meer dan twee of drie keer per jaar een week vrij kunnen we ons meestal niet veroorloven, al was het maar omdat onze opdrachtgevers niet hetzelfde ritme hebben, waardoor onze vrije tijd zelden gelijk loopt.

Als je onze motieven uitkleedt, is een van de belangrijkste redenen dat Wannes en ik geld verdienen: het moment dat we weer los mogen laten. Vermoedelijk kun je daar op retorisch niveau allemaal drogredenen uithalen, maar ik kom daar toch telkens op uit. Ik werk om zo snel mogelijk weer op vakantie te kunnen gaan.

Maar als wij drie weken op vakantie willen, inclusief voorbereiding en uitsuizen, moeten we dus heel wat kunst en vliegwerk aan de dag leggen. Dat deden we van december tot mei: alle zeilen bijzetten, plannen tot we groen zagen en werken tot we erbij neervielen. Met als gevolg dat we nogal uitgewoond op vakantie vertrokken, maar wel in de wetenschap: we hebben een goddelijke periode van drie weken om de stress en de vermoeidheid kwijt te raken. Drie weken leren loslaten onder het toeziend oog van hagedissen, roofvogels en de personages van de boeken die we zouden lezen: ik voorzag een geheid succes.

Die drie weken werden zes dagen. Toen kwam het spreekwoordelijke keukenkastje vol servies over ons heen vallen. Daarna volgden drie dagen terugreizen, en nog drie dagen van geregel en gedoe, en toen zei ik tegen Wannes: zullen we die laatste week toch gewoon nog op vakantie gaan?

Ik heb Wannes zelden zo zenuwachtig gezien als op dat moment. En mijn brein maakte ook kortsluiting, want ik had al een paar dagen met de gedachte gespeeld, maar nu ik het uitsprak leek het net alsof ik het ook echt wilde. En dat was de vraag: wilde ik het wel? Durfde ik het wel? Zou ik me kunnen ontspannen in een wereld vol gevaar? Of zou ik alleen maar spelen dat ik op vakantie was?

Twee dagen hebben we getwijfeld. Niet alleen omdat we twijfelden aan onze durf en onze vakantiegevoelbereidheid, maar ook omdat we nog zoveel moesten regelen, omdat we nog steeds een uitvallende telefoon hadden, omdat Wannes geen rijbewijs had en eigenlijk niet mocht rijden, omdat we geen identiteitsbewijs hadden en dus niet wisten waar we precies mochten gaan en staan, en bovenal: omdat het overal in de wijde omgeving ongelooflijk zeikweer was. Regen, regen, en nog eens regen.

Maar donderdagavond hakten we de knoop door: we zouden zaterdag neerstrijken op een betaalbare camping in de buurt van Han sur Lesse, want daar was de weersvoorspelling vanaf zaterdag goed te doen. We zouden ons een dag of zes laven aan de natuur, de zon en terrasjes en op die manier zou de week niet voorbijgaan in de waas van thuis, maar in het avontuur van een nieuwe reis.

We regelden een poezenoppas, zetten de campingspullen die nog allemaal ingepakt waren weer in de auto, maakten een mapje met alle documenten die moesten verklaren waarom we zo weinig documenten hadden, wachtten tot het zaterdagochtend was en vertrokken vol goede moed naar Ave-et-Auffe.

Daar gebeurde wat de bedoeling was: in plaats van dagen die een sprintje trokken naar het einde van mijn out-of-office-reply ervaarden we elk uur een nieuw avontuur. De tent zo snel mogelijk opzetten voor de regen, terrasjes zoeken uit de regen, telefoonbereik zoeken waarmee we zicht kregen op het einde van de regen, en verwerken dat het weerbericht ineens nog veel meer regen voor ons in petto had. Omdat het zondag droog zou blijven en ik toch wel vrij hardnekkig mijn vakantie wilde terugkapen, interpreteerde ik elke teleurstellende voorspelling met een optimisme die me eigenlijk niet past.

Zondag lazen we urenlang in een aarzelend zonnetje (zie foto), we kookten een maaltijd met zicht op de stieren in de wei naast ons en we dronken een glaasje cognac in de kou van de schemering. We wisten inmiddels dat het maandag zou stortregenen, en hoewel de hoeveelheid regen van een maand op één dag was voorspeld, reikte ons optimisme tot in de sterren. Onze tent stond goed en was waterdicht. We zouden ons boek meenemen, ons nestelen in een café en ons door de dag heen lezen. ’s Avonds zouden we uit eten gaan, zodat we niet in de regen hoefden te koken, en vervolgens zou de herinnering aan de zondvloed dinsdag, woensdag en donderdag in de zon vervagen.

Maar toen ik maandagochtend heel vroeg wakker werd, een beetje telefoonbereik had en het weerbericht bekeek, stelde ik vast dat we niet alleen die dag een zwembad op onze kop zouden krijgen, maar dat ook de dagen erna ineens veel regen voorspeld werd. Ik zette koffie en ging met drie truien, een sjaal, beenwarmers en twee broeken voor de tent zitten. Daar staarde ik wat naar de stieren in de wei, de kwetterende vogeltjes, de wolken die steeds dreigender werden. Had ik zin in vier koude, natte dagen? Waren de Ardense cafeetjes leuk genoeg om een week lang te schuilen voor de regen? Was onze perfecte tent perfect genoeg voor 96 uur hondenweer? Waar deed ik dit ook alweer voor?

Om een uur of negen zouden er emmers water uit de lucht vallen, dus als we wilden vertrekken moest de tent voor die tijd ingepakt zijn. Ik maakte Wannes wakker, gaf hem een kop koffie en liet hem het weerbericht zien. Hoewel Wannes niet van het heldere soort is als hij opstaat, drong het ook tot hem door dat de verhouding zoek was: een dag zondvloed om daarna nog drie dagen gewone regen te doorstaan. Om kwart over acht besloten we dat we zouden vertrekken. Jammer dan, tweede poging tot vakantie ook niet gelukt, volgende keer beter.

Hoewel het pas de derde keer was dat we de tent afbraken en het logge gevaarte een stuk minder snel opgeruimd is dan de vlotte trekkerstentjes die we tot nu toe altijd hadden, lukte het ons toch om alle rommel in drie kwartier in de auto te proppen. Volkomen bezweet rekenden we af. Toen we de camping afreden begon het regenen.

Maandagmiddag, een week nadat we thuiskwamen uit Spanje, kwamen we thuis uit de Ardennen. We hadden nog zes dagen vrij, maar geen idee hoe we die konden benutten, want thuis lag de rompslomp te wachten, thuis leken de dagen een rechte lijn te trekken naar het einde van mijn out-of-office-reply, en thuis was toch altijd weer gewoon thuis.

Wordt vervolgd.