/ juni 24, 2016/ Stukjes in het wild/ 0 comments

Lees eerst deel 1, 234 en 5.

Toen de agenten hun auto afsloten, begreep ik dat we niet met hun veel te kleine autootje mee moesten. Dat was een opluch­ting. Wij checkten voor de dui­zend­ste keer of wij onze eigen auto hadden afge­slo­ten en liepen achter de poli­tie­man­nen aan. In de tus­sen­tijd vertelden de agenten door hun portofoon dat wij eraan kwamen, dat er sig­na­le­men­ten waren, een Nissan QashQai, een num­mer­plaat, een lange dunne man, rond de 35 jaar, kort kapsel, zwart T‐shirt, lichte jeans.

Over de weg was een gang naar de overkant, naar een hoger gelegen cafetaria. We wachtten op de eindeloos trage lift om naar boven te gaan. Een van de agenten begon in het Spaans te vertellen over Bosnische bendes die de Cata­laan­se snelwegen onveilig maakten. Dat ze ze steeds opnieuw oppakten, maar dat de wetgeving niet in orde was, want no violencia. Hij pakte een mes uit een broekzak en wees ernaar: no, entonces … hij blies door zijn tanden en maakte een beweging alsof hij een stel post­dui­ven vrijliet.
Het zijn Bosnische bendes en ze doen het keer op keer, vertaalde ik voor Wannes. Hij zegt dat ze ze steeds opnieuw pakken, maar dat ze dan algauw weer op vrije voeten zijn, omdat ze geen geweld gebruiken. Wannes knikte. Ik vermoed dat hij net als ik een beetje opgelucht was dat we niet de enige en misschien ook niet de aller­groot­ste sukkels van West‐Europa waren.

Over_de_weg

Find my iPhone, zei Wannes toen we uit de eindeloos trage lift stapten. Als ze een computer of smartfoon hebben, kunnen we Find my iPhone doen. Hij klampte de man aan die een klein beetje Frans en een nog kleiner beetje Engels sprak. Die kende de software god­zij­dank, maar zei toch ineens: ssst! Hij gebaarde dat we moesten blijven staan en duwde ons zachtjes achter de laatste muur voordat de gang overging in een open gedeelte (zie foto bovenaan). Mijn hart was gekal­meerd sinds de politie het tank­sta­ti­on was op komen rijden, maar het sprong nu weer in galop. Er was nau­we­lijks licht in de gang en ik had nog steeds mijn zonnebril op, omdat mijn gewone bril was gestolen. De duis­ter­nis maakte het allemaal onnodig spannend. De agenten com­mu­ni­ceer­den druk door de portofoon. Ze mogen ons niet zien, fluis­ter­de Wannes. Ik knikte. Ja, zoiets moest het zijn. We gingen nu iemand iden­ti­fi­ce­ren, die niet mocht weten dat we dat kwamen doen.

De agent gaf een teken dat we door mochten lopen, we volgden hem door het open gedeelte van de gang, langs de bar in het cafetaria naar de par­keer­plaats aan de andere kant (zie foto bovenaan), waar ver­schil­len­de politie-auto’s en een politie‐combi stonden en waar het wemelde van de agenten. Naast de politieauto’s stond een zwarte Ford Mondeo gepar­keerd, waarvan alle deuren, de kofferbak en de motorkap openston­den. Twee agenten waren de auto nauwgezet aan het onder­zoe­ken. Ik scande ogen­blik­ke­lijk of ik onze tassen ergens zag, maar de auto was leeg. Ook zag ik niemand die eruitzag als een verdachte die we mogelijk zouden moeten iden­ti­fi­ce­ren.

Onze vier agenten en de talloze andere agenten begonnen druk te over­leg­gen in het Catalaans. Het duurde een tijdje. Bij vlagen leek het op Spaans en dan kon ik het redelijk verstaan, maar er ging niettemin veel langs ons heen. Mijn hart klopte weer als een wilde en mijn gedachten buitelden over elkaar. Ik had het warm en koud tegelijk, voelde me naakt met alleen mijn jurk, mijn onder­broek, mijn slippers en mijn zonnebril, en ik kon mijn onderlip niet langer in bedwang houden. Wat een fuckzooi.

Om mijn tranen te temperen, begon ik logik­wis­sen op te lossen in mijn hoofd. Een zwarte Ford Mondeo is geen zwarte Nissan QashQai. En het num­mer­bord klopte ook niet. Kon het dan nog de goede auto zijn? En wat zou dat dan zeggen over Marcos? Stel het was de goede auto, we zouden de dader iden­ti­fi­ce­ren en onze spullen zouden ook ergens in de buurt zijn, was dat dan ondanks of dankzij Marcos? De kleur van de auto was wel goed, dus het kon zijn dat hij zoals elke getuige slordig had gere­gi­streerd. Dat hij niet zo goed was in auto­mer­ken en niet zulke scherpe ogen had. Maar het kon ook zijn dat hij in het complot zat en dat deze toevallig was aan­ge­hou­den. Dan kon het de goede auto zijn. Of niet. Als het de goede was, dan was het de vraag waarom hij wel de kleur zwart als sig­na­le­ment had gegeven. Maar ja, er zijn inca­pa­be­le mensen op alle niveaus, dus vast ook bij Bosnische bendes.

De agenten vroegen ons of we in de combi wilden gaan zitten. Die had ver­duis­ter­de ramen, wat in com­bi­na­tie met mijn zonnebril een bijzonder donker schouw­spel opleverde, maar ik heb -12 en dus geen keus. De auto begon te rijden. Waar zouden ze ons heen brengen? vroeg ik aan Wannes. Misschien naar het betaal­sta­ti­on? zei hij. Of het poli­tie­kan­toor? zei ik. Dat ze daar iemand in de cel hebben. Ik vroeg het aan een van de agenten die ook was ingestapt. Uit de brij van woorden maakte ik op dat we hier ergens op het terrein mensen moesten bekijken.

Achter_cafetaria

De combi reed stapvoets naar een straatje achter het weg­res­tau­rant, daar zaten drie mannen geboeid naast elkaar in de schaduw op een muurtje, bewaakt door twee agenten. Zit de dader hierbij? vroeg een van de agenten bij ons in de combi. Hoe donker het ook was, door een zonnebril en ver­duis­ter­de ramen in de schaduw, ik zag direct dat onze boef er niet bij zat. Ze waren te dik en te oud, en ze hadden niet de juiste kleding aan. No, zeiden we in koor. No son estos hombres.

De agenten leken teleur­ge­steld en ik vroeg me af waar ze deze mannen vandaan hadden. Waarom hadden ze de Ford Mondeo staande gehouden? Alleen maar omdat deze kerels er Bosnisch uitzagen? We par­keer­den bij de andere politie‐auto en Wannes en ik mochten uit­stap­pen. Ik zuchtte, de hoop op mijn tas en mijn spullen vervloog voor de zoveelste keer. Ineens begon ik me op te winden. Wat was er gebeurd met het kenteken? Met de beschrij­ving van de auto? Wat als Marcos wel betrouw­baar was, maar deze agenten gewoon stupide? Wat als er al na vijf minuten door de telefoon een adequaat sig­na­le­ment was gegeven, waarmee je de daders gemak­ke­lijk van de tolweg kon halen, maar de politie te traag of te onbe­trouw­baar was? Wat als we hier alleen maar tijd stonden te verdoen met niet‐functionerende snelweg‐agenten?

Een van de vele agenten kwam naar ons toe en in een mix van Frans, Engels en Spaans vroeg hij ons of we een iden­ti­teits­be­wijs wilden bekijken. Claro que si, zeiden we, uiteraard. Hij toonde ons het Bosnische iden­ti­teits­be­wijs van ene Marek. Het was een te donker kopietje, de mond liep over in een zwarte kin en nek, maar het te korte kapsel, de ogen, de sproeten, de vorm van het gezicht: ja. Si, zei ik, esto es el hombre. Ik keek naar Wannes. Ja toch? Ja, ik denk het wel, zei hij, maar ik weet het niet zeker. De man liep weer weg en raakte weer verzeild in een eindeloos overleg. Find my iPhone, zei Wannes nog eens tegen een van de andere agenten. Die knikte. De zon brandde. Ik vroeg me af hoe laat het was en ik had zin in een sigaret. Een van de agenten keek ons mede­lij­dend aan en ik zag mijn kans: tienne un cigar­ril­lo? Hij schudde zijn hoofd, infor­meer­de even bij een collega en schudde nog eens. Oké, het viel te proberen.

Wannes en ik stonden wat te zuchten in de zon, toen een van de agenten naar ons toekwam en Wannes een iPhone voor zijn neus hield waarop de Find my IPhone‐app openstond. Wannes toetste mijn e‐mailadres en wacht­woord in en na een paar seconden verscheen er een groen cirkeltje in een sate­liet­beeld. De agenten zoomden in. Een voorstad van Barcelona, 41 kilometer verderop. Wannes probeerde ook nog zijn eigen telefoon, maar die maakte geen ver­bin­ding. De kans was groot dat zijn batterij leeg was. De kerels begonnen druk in hun portofoon te praten, er startte iemand een tele­foon­ge­sprek waarin hij her­haal­de­lijk sprak over 41 kilometer verderop, en intussen lieten ze elkaar met een zekere geest­drift het groene cirkeltje op het scherm zien.

Tegen beter weten in kreeg ik een spran­kel­tje hoop, want hoe kwamen ze aan het iden­ti­teits­be­wijs van Marek? Was hij hier misschien in de buurt? En als wij ze via Find my iPhone een huisadres van de ben­de­le­den hadden bezorgd, was dit misschien dé aan­lei­ding om die gasten in te rekenen? Een huis­zoe­king te doen? En moest dat dan niet gewoon nu? Snel? Dan hadden we over een paar uur onze spullen terug.

Mijn hoofd begon weer overuren te draaien. Als de telefoon 41 kilometer verderop in een voorstad van Barcelona was, dan was de dader in elk geval niet tegen­ge­hou­den bij de afrit van de tolweg. Wat was er fout gegaan? Waren wij zelf al te laat op het moment van het tele­foon­tje naar de politie en was de auto daarom met gemak weg­ge­ko­men? Was het sig­na­le­ment bij de politie niet gelijk door­ge­ge­ven? Of was het een leu­gen­ach­tig sig­na­le­ment geweest, met dank aan Marcos? En ook: hadden de agenten hetzelfde doel als wij? Of hadden we meer met boe­ven­van­gers dan met hulp­ver­le­ners te maken? Want ze deden erg hun best de daders in de kraag te vatten, maar die boeven konden me minder schelen dan mijn iden­ti­teits­pa­pie­ren, een slaap­plaats en – liefst van al – een voort­ge­zet­te vakantie.

Wannes en ik wachtten af en spraken onze ont­zet­ting uit over hoe ver onze iPhone al was. 41 kilometer verder, en hij was kennelijk zonder enig probleem ván de tolweg geraakt. We hoopten dat iemand ernaartoe zou gaan, maar we wisten allebei dat het naïef was om dat te denken. Waarom zouden ze onze tassen willen terug­vin­den als dit dagelijks gebeurt? Voor deze mannen was dit een kat‐en‐muisspel met een bende, geen zoektocht naar de spullen van Wannes en Maartje.

Wordt vervolgd.

Share this Post

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>