Stukjes in het wild

Hoe onze vakantie onbe­staan­de werd (7)

Lees eerst deel 1, 2345 en 6.

Ik ben een con­trol­freak van de school van de harde leer­mees­ters. Doe mijn pleister er maar – reng – af, want ik gedij erg slecht bij valse hoop. En dat was precies waar ik al meer dan een uur zweefde: tussen hoop en vrees. Ook nu, dankzij het groene cirkeltje van Find my iPhone en het iets te donkere hoofd van Marek op het kopietje, vond ik het moeilijk om mij niet vast te klampen aan de droom­beel­den van een politie‐agent die ons met een big smile onze tassen over­han­dig­de.

Het duurde allemaal eindeloos en Wannes en ik begonnen te spe­cu­le­ren op het vervolg. Ze zouden ons toch wel meenemen? De tolweg af? Anders zaten we hier forever vast. En dan? Zouden ze dan een slaap­plaats voor ons hebben? Of zouden ze een rekening hebben waarop we iemand iets konden laten storten? Wat was het protocol voor situaties als deze? Was dit het? Een beetje achter vermeende boeven aanhollen? Of was er meer?

De agent die een klein beetje Frans en een nog kleiner beetje Engels sprak, kwam naar ons toe. Of we bereid waren even bij de Burger King te gaan kijken of we iemand konden iden­ti­fi­ce­ren. We knikten. Ja, natuur­lijk. Bien sûr, claro que si. Samen met de vier poli­tie­man­nen liepen we terug door de gang over de snelweg. Ik vond het een raar verhaal. Waarom zouden we nu, een uur later, in de Burger King moeten kijken of er een voort­vluch­ti­ge boef zat van wie ze kennelijk al het iden­ti­teits­be­wijs in handen hadden? Voor mijn gees­tes­oog zag ik Marcos hand­je­klap doen met de politie. Tijd rekken was hier vast geld waard.

Het wachten op de lift duurde wederom eindeloos. Deze keer was het stiller toen we erin stonden, zelfs de portofoon zweeg. Toen we bui­ten­kwa­men stuurden ze ons alvast vooruit. We liepen op een drafje naar een klein gebouwtje dat kennelijk een com­bi­na­tie van een Burger King en een kof­fie­bar­re­tje was. Onderweg bespraken we hoe raar het was om zoveel later nog te gaan kijken of de dief hier misschien dood­ge­moe­de­reerd een Whopper zat te eten.

In de Burger King was het stil. Vier van de dertig tafeltjes waren bezet en er was slechts één man met donker haar, maar die was mollig en hij was ten prooi gevallen aan de tondeuse, terwijl onze Marek mager was en een echt kapsel had. Een poli­tie­man kwam binnen en wees op de kerel met donker haar. Nee, zeiden wij. Echt niet? vroegen ze. We schudden ons hoofd. De agent leek opnieuw teleur­ge­steld en ik vroeg me af wat hij in hemels­naam had verwacht: mijn telefoon was 41 kilometer verderop, en hoewel ik geen enkel besef van het tijdstip had, wist ik zeker dat de beroving al meer dan een uur geleden had plaats­ge­von­den. Waren die Bosnische bendes volgens de politie zo sukkelig dat ze eindeloos ham­bur­gers gingen eten op hetzelfde tank­sta­ti­on als waar ze iemand hadden beroofd? Mij bekroop het vage gevoel dat ik liever werd bestolen door een slimme boef dan door een lid van een bende met een ont­stel­lend laag iq.

De agenten checkten samen met Wannes de toiletten en daarna liepen we weer naar buiten. Wannes en ik spe­cu­leer­den verder over het vervolg van dit verhaal. Op de een of andere manier vonden we het nog steeds gerust­stel­lend dat onze iPhone was getra­ceerd, hoewel we beseften dat de kans klein was dat iemand die terug zou gaan halen. We bleven bij onze auto staan en keken naar de over­leg­gen­de politie‐agenten. Het was warm, ik had zin in een sigaret en ik kon me niet aan het gevoel ont­trek­ken dat er er niet veel nuttigs was gebeurd sinds we op deze plek op de politie stonden te wachten.

Ik wil weten hoe ze aan dat iden­ti­teits­be­wijs van die gast komen, zei ik tegen Wannes. Waar hebben ze dat vandaan? En waarom hebben ze hem dan niet kunnen pakken? Ik was pas drie uur in Spanje, maar niet eerder was mijn talen­knob­bel zo fluks onder het win­ter­stof vandaan gehaald, dus ik werd over­moe­dig. Ik ging naar de agent die een klein beetje Frans en een nog kleiner beetje Engels sprak. Ik begon inmiddels te wennen aan de mix van Spaans, Frans en Engels die onze con­ver­sa­ties opleverde, maar hij kreeg wederom rode vlekken in zijn nek en begon glazig te kijken. Ik probeerde uit te leggen dat ik het over het kopietje van het iden­ti­teits­be­wijs had, dat die jongen daarop onze over­val­ler was geweest, en dat ik me afvroeg hoe ze aan dat kopietje kwamen. Hij schudde zijn hoofd. Hij had geen idee waar ik het over had. Een andere agent eiste zijn aandacht op en ik ging weer bij Wannes staan.

De avondzon was heet, ik plakte van het angst­zweet en ik vroeg me af hoe lang het zou duren voor we iets alledaags konden doen, zoals plassen, eten of douchen. Er verscheen een blanco beeld voor me. De ant­woor­den op al mijn vragen waren op. Waar ik een uur daarvoor nog in alle staten raakte van het voor­uit­zicht geen voor­uit­zicht te hebben, kwam er nu een soort rust over me. Desnoods blies ik hier mijn luchtbed op, onder het motto morgen weer een dag. Want we hadden dan wel geen geld, papieren, slaap­plaats of telefoon, we hadden wel een luchtbed, een tent, een cam­ping­gas­je, lekkere lig­stoe­len en goede boeken. Die gedachten werkten. Ik ben niet het type dat in een hopeloze situatie eens lekker een uiltje gaat knappen, maar de beelden van de inhoud van onze auto mooi opgebouwd in de berm van dit tank­sta­ti­on bleken beelden die mij konden laten geloven dat zelfs het einde van de wereld het einde van de wereld niet was. En die rust in mijn borstkas was goud waard.

De agent met de rode vlekken in zijn nek kwam naar me toe: dat iden­ti­teits­be­wijs waar ik het over had. Wat was daarmee? Ik legde hem uit dat een van de agenten aan de overkant ons een iden­ti­teits­be­wijs had getoond van de man door wie wij waren beroofd. Weet je dat zeker? vroeg hij. Zo goed als zeker, zei ik. Het kopietje was niet zo duidelijk, maar ik was vrij zeker dat het die man was geweest. Hij liep weg en begon in de portofoon een heel gesprek over de copia van de identitat. Ze zouden het toch wel begrepen hebben, de eerste keer dat ik zei dat dát hem was? vroeg ik aan Wannes. Ik was toch duidelijk? Ja, zei Wannes. Volgens mij wel. Je was heel duidelijk.

Het duurde even, maar na een tijdje kwam de agent met de rode vlekken in zijn nek naar ons toe. We moesten weer naar de overkant, opnieuw iets bekijken. Weer naar de eindeloos trage lift, weer wachten tot die kwam, weer wachten tot die boven was. Een van de agenten begon in het Spaans een gesprekje. Waar we vandaan kwamen, waar we naartoe op weg waren en hoe lang we al in een Spanje waren voor het gebeurde. Een uur zei ik. Mooi land hè, Spanje? zei hij grappend. Ik moest erom lachen, maar dat was misschien vooral omdat ik me zo’n krak voelde dat een Cata­laan­se poli­tie­man mijn Spaans goed genoeg achtte om een grapje tegen me te maken.

Boven in de tunnel was het door de laag­staan­de zon inmiddels nog donkerder en ik wenste nog harder dat ze mijn tas met mijn gewone bril nu wel hadden gevonden. Ook deze keer werden we vlak voor het open gedeelte van de gang tegen een muurtje gedrukt, en opnieuw moesten we fluis­te­rend wachten tot we verder mochten lopen. Ik vond het allemaal maar sur­re­a­lis­tisch; wij, in onze veel te blote toe­ris­ten­out­fit, tussen die zwaar bewapende mannen van de Mossos d’Esquadra die bezig waren Bosnische bendes achter slot en grendel te krijgen.

Een van de agenten van de ploeg die de Ford Mondeo onder­zocht, kwam naar ons toe: zeg, die man op het iden­ti­teits­be­wijs, weten jullie zeker dat dat hem was? Bijna zeker, zeiden wij. Bijna zeker is niet genoeg, zei de agent. 95 procent, zei ik. We moeten 100 procent hebben, zei de man. Het was een heel donker kopietje zei ik, de onderkant van zijn gezicht was zwart. De agent fronste: maar van die bovenkant, weet je daarvan 100 procent zeker dat het hem was? Ik stond in dubio, ik wilde zo graag zeggen: ja, ik weet het 100 procent zeker, of nee, 200 procent! Gewoon, om een ont­wik­ke­ling te forceren. Ik wist niet welk belang zij precies hadden bij die 100 procent, maar ik wist wel dat zolang ík mijn doel niet kon bereiken (slaap­plaats – iden­ti­teits­pa­pie­ren – vakantie) het in elk geval geen kwaad kon als zij hun doel zouden bereiken (boeven vangen). Maar ja, ik was nu eenmaal niet 100 procent zeker. 99 procent, zei ik uit­ein­de­lijk, alsof ik aan het afdingen was. De agent keek teleur­ge­steld en drukte ons op het hart achter het muurtje te blijven wachten.

Wordt vervolgd.

Eén reactie

  • Paul Luif

    Je zult inmiddels wel vernomen hebben dat dit soort misdaad in heel europa gebeurd. Mijn vriend Thijs is op een par­keer­plaats in Frankrijk even gaan slapen en werd ver­vol­gens bedwelmd. En ja hoor , alles kwijt.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.