Hoe onze vakantie onbestaande werd (8)

Lees eerst deel 1, 23456 en 7.

We werden gewenkt: kom maar! We kwamen achter het muurtje vandaan. Op de hoger gelegen parkeerplaats wemelde het nog steeds van de agenten, de Ford Mondeo stond er nog met alle deuren open, en het circus begon weer van vooraf aan. Een agent kwam naar ons toe met het kopietje van het identiteitsbewijs van Marek. Was dit hem? Ja, zeiden wij, dat was hem. Zeker? vroeg hij. 99 procent. Ik wees op de te zwart gekopieerde kin en mompelde iets over negra en trop noir. Geen 100 procent? vroeg hij. No, lo siento, geen 100 procent. Hij liep teleurgesteld weg en wij keken maar weer eens een tijdje toe hoe de agenten overlegden en overlegden en overlegden.

De agent die de eerste keer met de app Find my iPhone naar Wannes was toegekomen, liet ons opnieuw het schermpje zien. Of we ons wachtwoord nog eens wilden intikken. Wannes tikte mijn wachtwoord in en daar was het weer: het groene cirkeltje dat mij het gevoel gaf dat er slechts een paar handelingen nodig waren voordat alles weer normaal zou zijn. Naar dat adres gaan, aanbellen, naar binnen gaan, mijn tas pakken, weer naar buiten gaan en die tas aan mij geven. Maar hoewel ik niet wist hoe het allemaal wél zou verlopen, dit scenario zou het vast niet worden.

Omdat mijn adrenalinepeil een beetje begon te zakken, voelde ik hoe lang ik al niet meer had gezeten, hoe lang ik al op deze slippers rondliep, hoe lang ik al niet meer had geplast. Ik was uitgeput. Een agent wenkte ons. Zijn collega’s hadden een geboeide arrestant bij de arm, maar het was helaas niet de onze. We gaan nu naar het politiebureau, zei hij, jullie kunnen ons volgen. Hij liep in de richting van de gang en de lift. Je weet dat we geen geld voor de tolweg hebben? vroeg ik. De agent keek moeilijk en begon maar weer eens eindeloos te ratelen tegen zijn collega’s. Geen probleem, zei hij uiteindelijk, volg ons maar. We liepen door de gang naar de lift. Hoe laat is het? vroeg ik aan een agent die naast me liep. Las siete y media, zei hij. Half acht. Ik begon te rekenen. We waren beroofd tussen vijf en half zes, dus we hadden twee uur heen en weer gelopen tussen de gang met de lift, de Burger King en de twee parkeerplaatsen. En nu, eindelijk, zouden we vertrekken. Weg bij dit tankstation, weg bij deze lift, weg bij de duistere gang, de geboeide mannen, de hete zon. Changement de décor. Op naar het ongewisse.

Beneden propten ze de geboeide arrestant in hun kleine autootje, ze startten de motor en reden met blauwe zwaailichten – godzijdank zonder sirene – voor ons het tankstation af. Wij reden erachteraan, exact zoals we dat een paar uur daarvoor hadden willen doen. Wannes probeerde te gassen, maar we mochten dan wel alle waardevolle spullen kwijt zijn, ons Polootje torste nog altijd 1500 kilo op zijn wielen en had dus grote moeite om in het kielzog van de auto met het zwaailicht te blijven.

Ik durfde niet tegen Wannes te praten, omdat de snelweg steeg en ik wist dat het niet eenvoudig zou zijn om de auto van de Mossos d’Esquadra bij te houden. Hij zat zowat met zijn neus op het stuur, ik gaf hem de fles water, hij pakte de fles, nam een teug, gaf de fles terug en drukte zijn neus weer tegen het stuur. In mijn hoofd dwarrelden duizenden gedachten. Wat als er wel auto’s tussen ons en de politie-auto kwamen en we ze kwijt zouden raken? Wat konden we dan nog doen? Was het überhaupt slim om het enige waardevolle dat we nog hadden, een volle benzinetank, leeg te rijden op een ritje naar het politiebureau? Deze agenten hadden nog niet veel blijk gegeven van een hulpverlenende houding. Zouden we nog wat eten vanavond? En waar zouden we slapen? Op het politiebureau? Voor mijn geestesoog verscheen mijn luchtbed in een politiecel. Wat als ik nu een sigaret neem? Hoe laat is het? Het is zo donker met een zonnebril. Waar zijn onze brillen? Ook in Barcelona? Of hier in de berm?

Na een dikke vijf minuten arriveerden we bij het betaalstation van de tolweg. Een agent stapte uit, vertelde ons wat we moesten doen en hoewel het niet soepel ging, kwam het toch goed. We volgden de politieauto naar de rijksweg en ik constateerde een opluchting die totaal niet in verhouding stond tot de situatie waarin we zaten. Goed, we waren van de tolweg af, die belemmering was inderdaad verdwenen, maar verder was ons enige baken de auto met het flikkerende blauwe zwaailicht voor ons. En wat had die ons te bieden?

Ik keek om me heen en voelde de zenuwen weer opborrelen. Een prachtig landschap van bossen en velden, zo hier en daar een huis of een gehucht, niet toeristisch, geweldig licht van de laagstaande zon, mooie heuvels. Een plek waar ik die ochtend nog ten volle zou hebben genoten, maar die nu alleen maar heel erg detoneerde met de spanning die me in zijn greep had. Zullen we een sigaret nemen? vroeg ik. Neem jij maar, zei Wannes, ik moet mijn handen aan het stuur houden.

Ik stak een sigaret aan en probeerde me voor te stellen dat ik zou genieten van het moment. De bomen, de schaduwen, de heuveltjes, de bochtige weg. De politie remde voor een tegenligger die op een gevaarlijk punt stilstond en sprak de man aan door het raam. Daarna trokken we weer op. Ik gaf Wannes een trekje en nam zelf een slok water. Het stroboscopische licht van de laagstaande zon door de bomen dirigeerde mijn hart. Ik was liever rustig, maar ik had het niet voor het kiezen. Er stond een tuinstoel op een bospad. Hee, een tuinstoel, zei ik. Ja, daar ook, zei Wannes. Hee, een vrouw erbij. Het begon ons te dagen. De tegenligger had niet zomaar stilgestaan en deze vrouwen waren geen bermtoeristen. De weg slingerde verder en we ontdekten steeds meer hooggehakte vrouwen in het struweel (zie foto). Ik tuurde uit het raam. Naast de auto huppelde er een enorm wild zwijn door het veld. Een wild zwijn! zei ik, maar Wannes durfde zijn ogen niet van de weg te halen. Ik nam een trekje van mijn sigaret en probeerde alle beelden te verwerken. De prostituees, het wilde zwijn, het blauwe zwaailicht met het zwart-witte geflikker van steile boomschaduwen, de wetenschap rond te rijden zonder rijbewijs, geld, telefoon of identiteitspapieren, het feit dat de autorit inmiddels al bijna een half uur duurde. Waar zou dit eindigen?

Wordt vervolgd.