Kan ik the heat verdragen?

Twee weken geleden kreeg Wannes griep, vrijdag schreef ik een opiniestuk voor de Standaard, zaterdag schreef iemand anders een opiniestuk voor de Standaard waarin hij mijn woorden zoveel geweld aandeed dat ik de hele dag moest uitleggen wat ik allemaal niet had gezegd, en zondag was ik jarig. Wannes lag in bed uit te zieken (het gaat inmiddels wat beter, dank voor al jullie verjaardags- en beterschapswensen) en ik zat aan de keukentafel te lezen wat mensen zoal met mijn woorden deden. Heel veel mensen prezen ze, een boel anderen herschreven ze en riepen me vervolgens ter verantwoording op basis van de herschreven versie. Happy birthday.

Uiteraard vroeg ik me een paar dingen af:
Had ik me moeten mengen in de discussie?
Had ik het anders moeten formuleren?
Wil ik een opiniemaker zijn?
Kan ik the heat genoeg verdragen om in the kitchen te staan?

Als je geen sparringpartner hebt, omdat die ziek op de bank ligt, en je toch ondergedompeld wordt in het gekrakeel van het publieke debat, moet je oppassen dat je je niet laat meeslepen door je emoties. Je hart zal namelijk volkomen uit zichzelf in galop gaan als iemand ‘emotioneel zeikwijf’ schrijft, ook als je op de hitte bent voorbereid, ook als je jezelf hebt ingeprent: blijf cool, calm en collected, Maartje! Om te voorkomen dat ik onredelijk, onzakelijk of onbeleefd zou worden, heb ik geprobeerd heel precies na te gaan wat mijn antwoord is op bovenstaande vragen.

Had ik me wel moeten mengen in de discussie?
De opinies die dit weekend in de krant stonden, gingen veelal over de vraag of je je als niet-betrokkene wel moet mengen in een ingewikkeld juridisch dossier. Ik was het met de strekking van de meeste stukken eens: ga niet op de stoel van de rechter zitten als je niet weet hoe het dossier in elkaar zit. Ik ben dan ook van mening dat ik dat niet heb gedaan, Deze specifieke zaak heb ik alleen als aanleiding gebruikt voor een denkoefening over de terminologie van de rechter, over zijn taal, en waarom ik die uiterst griezelig vind. Ik gebruik de woorden uit het vonnis van een meervoudige kamer in Gent als aanleiding, maar maak het direct na mijn eerste alinea universeler door over te schakelen naar ‘rechters die’ en ‘een rechter die’. Juist om aan te geven dat het mij om het concept niet-brutale verkrachting binnen een vriendschappelijke context gaat en en niet om deze specifieke zaak.

In de discussies over mijn stuk zeiden de criticasters dingen als ‘zo heb ik het niet opgevat’ of ‘ik snap wel dat hij dat zo leest’ of ‘ik interpreteer jouw stuk als volgt’. Ik heb geprobeerd het stuk te lezen met de ogen van iemand die denkt dat ik deze ene zaak bekritiseer, maar zelfs dan moet ik concluderen: daarvoor sla ik veel te snel het universele pad in. Dan had ik wel iets meer over de zaak verteld, toch? En niet alleen een paar woorden uit de uitspraak? Kortom: ik kan geen chocola maken van die kritiek.

Een andere belangrijke reden dat ik me in de discussie mengde, is dat dit een onderwerp is waar ik de afgelopen jaren vrij veel over heb geschreven: de verschillende gedaantes van seksueel geweld en het in diskrediet brengen van vrouwen die aangifte doen (onder meer hierhier en hier). Ik denk dat je als columnist het hele discours moet kunnen afgrazen, ook de woorden die een rechter gebruikt in een verkrachtingscontext.

Had ik een en ander anders moeten formuleren?
Over drie dingen twijfel ik.

1. Ten eerste: de intro.

Een rechter die ‘nee, toch maar niet’ ongeldig verklaart en een man toestaat zich straffeloos te verliezen in geilheid, vergeet dat het ontzettend smerig, vernederend, pijnlijk en beangstigend is als je door al je nee’s heen toch een piemel in je voelt, schrijft MAARTJE LUIF.

Die intro heb ik er niet zelf boven gezet, zoiets doet de eindredactie van het medium waarvoor je schrijft doorgaans. In discussies over mijn stuk heb ik dat niet vermeld, omdat ik het flauw vind om naar anderen te wijzen. Want 1: óf ik sta achter de intro en dan neem ik de verantwoordelijkheid (want zoals ik er vanuit ga dat de krant mij dekt als er hommeles komt, vermoed ik dat zij het ook fijn vinden als ik hen niet gelijk afval). Of 2: als ik het niet met de intro eens ben, moet ik dat melden bij de krant en daarna kan ik eventueel de schuld bij de eindredacteur leggen. In dit geval zou ik het zelf niet gekozen hebben, niettemin was ik toen ik de intro na publicatie voor het eerst las niet ontevreden.

Omdat ik er nu publiekelijk op word aangevallen, doe ik de analyse van de intro ook publiekelijk, want in de discussies bleek dat een handvol tegenstanders juist viel over die zin. Een zin die ooit ergens achteraan stond, na 500 woorden afgegraasde denkpiste, en die nu door de promotie naar de intro er niet alleen twee keer instaat, maar ook nog eens vóórdat ik mijn gedachte-oefening heb gedaan, en zo prominent dat het de rest van het stuk overschaduwt. Achteraf denk ik: afgezien van de vraag of de kritiek op de inhoud van die zin terecht was, is het gewicht van de zin door de promotie naar de intro groter geworden dan passend in mijn denktrant. Het zwaartepunt in het artikel ligt immers elders, meer uitgesmeerd.
Note to self: toch vaker vragen of ik de definitieve intro vooraf mag zien en die intro vervolgens ook kritischer beoordelen.

2. Het tweede twijfelpunt is de inhoud van die zin.

Een rechter die ‘nee, toch maar niet’ ongeldig verklaart en een man toestaat zich straffeloos te verliezen in geilheid, vergeet dat het ontzettend smerig, vernederend, pijnlijk en beangstigend is als je door al je nee’s heen toch een piemel in je voelt.

Een aantal mensen dacht dat ik door deze formulering deze specifieke rechter ervan beschuldigde dat hij het principe ‘nee is nee’ niet huldigde. Maar dat heb ik nooit willen zeggen, integendeel. Dat de rechter de verkrachting bewezen achtte, wat ik ook in mijn artikel vermeld, lijkt mij de uitkomst van een afweging van haar nee tegen zijn penetratie. Ik zie dus heel goed dat deze rechter nee is nee op zichzelf niet ongeldig verklaarde. Ik gebruik dan ook een ander zinnetje: ‘nee, toch maar niet’. Dat zinnetje sloeg op de ‘andere verwachtingen van een vriendschap’ die de rechter als verzachtende omstandigheid noemt. Die verzachting vat ik in mijn artikel samen als een ongeldigverklaring van ‘nee, toch maar niet’. Waarbij het me dus vooral om het zinsdeel ‘toch maar niet gaat’: de gewekte andere verwachting in praktijk. Ik ga er misschien te gemakkelijk vanuit dat iedereen die denktrant kan volgen. Daar moet ik dus beter op letten: niet iedereen kan al die subtiele zinswendingen zelf interpreteren.

De juridische scherpslijpers vielen ook over het gebruik van het woord straffeloos. Ik had opschorting van een straf en geen strafblad samengevat als straffeloos, zij vonden dat dat absoluut niet kon. Ik vind dat kwaadwillend lezen, maar omdat het woordje er ook uit kan – voor de strekking van de zin is het niet nodig – denk ik nu: het had er helemaal niet hoeven staan.

3. En tot slot de zin:

Maar het wordt nog griezeliger als je je bij de aangifte afvraagt voor wie je banger bent: een man die na vier keer nee niet stopt of een rechter die denkt dat er niet-brutale verkrachtingen bestaan.

Ook deze zin werd onder vuur genomen, maar dat kun je verwachten als je als columnist prikkelende stijlmiddelen inzet, dus het verbaasde me niet. Wat me wel verbaasde, was dat ook hier de intentie van de zin kennelijk niet goed overkwam. Ik probeerde een incident (de man die na vier keer niet stopt) af te zetten tegen een geïnstitutionaliseerde gedachte: de rechtbank die denkt in termen als de niet-brutale verkrachting. Ik vind die gedachte heel beangstigend, dat heb ik willen zeggen, maar ik heb de indruk dat de bedoeling niet bij iedereen aankwam. Dat mag ik mezelf verwijten: kennelijk heb ik de lezer niet voldoende meegenomen in mijn denktrant.

Geen mening

Juist vandaag schrijft een van mijn geliefde medebloggers een stukje over dat iedereen te veel meningen heeft. Ik moet daar een beetje om lachen, omdat ik juist in Vlaanderen denk: doe eens niet zo gelaten! Stel eens hardop vragen! Wees eens niet zo afwachtend en terughoudend! Laat het niet altijd over aan die paar lefgozers die hardop durven denken en hun hoofd daarmee op het hakblok leggen. Het lijkt alsof de Vlaming liever geen mening heeft dan zich ergens kwaad om te maken, waardoor er voor mijn gevoel juist erg veel met de mantel der liefde wordt bedekt. En zodra je in Vlaanderen een socialemediadiscussie belandt, sta je er alleen voor. De omstanders kijken allemaal stilletjes toe en trekken zich vervolgens weer terug in hun eigen comfortabele hoekje. Dat werkt mij regelmatig op de zenuwen.

Mijn beroep is: woorden aan de dingen geven. Dus dat doe ik. Maar ook voor niet-schrijvers is het vaak de enige manier om de wereld iets draaglijker te maken: samen nadenken, gedachten uitwisselen, kritiek geven en incasseren. En als wij, schrijvers, het al opgeven om woorden aan de dingen te geven, wie moet het dan nog wel doen? Of ik the heat op lange termijn kan verdragen weet ik niet, maar voorlopig zoek ik de kitchen toch nog maar even op.

(Lees ook: ‘ ‘Ik zal moeten accepteren dat ik steeds vaker terug te vinden zal zijn onder de hashtag #zeikwijven.’‘)