/ februari 8, 2016/ Stukjes in het wild/ 5 comments

Twee weken geleden kreeg Wannes griep, vrijdag schreef ik een opi­nie­stuk voor de Standaard, zaterdag schreef iemand anders een opi­nie­stuk voor de Standaard waarin hij mijn woorden zoveel geweld aandeed dat ik de hele dag moest uitleggen wat ik allemaal niet had gezegd, en zondag was ik jarig. Wannes lag in bed uit te zieken (het gaat inmiddels wat beter, dank voor al jullie verjaardags‐ en beter­schaps­wen­sen) en ik zat aan de keu­ken­ta­fel te lezen wat mensen zoal met mijn woorden deden. Heel veel mensen prezen ze, een boel anderen her­schre­ven ze en riepen me ver­vol­gens ter ver­ant­woor­ding op basis van de her­schre­ven versie. Happy birthday.

Uiteraard vroeg ik me een paar dingen af:
Had ik me moeten mengen in de discussie?
Had ik het anders moeten for­mu­le­ren?
Wil ik een opi­nie­ma­ker zijn?
Kan ik the heat genoeg verdragen om in the kitchen te staan?

Als je geen spar­ring­part­ner hebt, omdat die ziek op de bank ligt, en je toch onder­ge­dom­peld wordt in het gekrakeel van het publieke debat, moet je oppassen dat je je niet laat meeslepen door je emoties. Je hart zal namelijk volkomen uit zichzelf in galop gaan als iemand ‘emo­ti­o­neel zeikwijf’ schrijft, ook als je op de hitte bent voor­be­reid, ook als je jezelf hebt ingeprent: blijf cool, calm en collected, Maartje! Om te voorkomen dat ik onre­de­lijk, onza­ke­lijk of onbeleefd zou worden, heb ik gepro­beerd heel precies na te gaan wat mijn antwoord is op boven­staan­de vragen.

Had ik me wel moeten mengen in de discussie?
De opinies die dit weekend in de krant stonden, gingen veelal over de vraag of je je als niet‐betrokkene wel moet mengen in een inge­wik­keld juridisch dossier. Ik was het met de strekking van de meeste stukken eens: ga niet op de stoel van de rechter zitten als je niet weet hoe het dossier in elkaar zit. Ik ben dan ook van mening dat ik dat niet heb gedaan, Deze spe­ci­fie­ke zaak heb ik alleen als aan­lei­ding gebruikt voor een denk­oe­fe­ning over de ter­mi­no­lo­gie van de rechter, over zijn taal, en waarom ik die uiterst griezelig vind. Ik gebruik de woorden uit het vonnis van een meer­vou­di­ge kamer in Gent als aan­lei­ding, maar maak het direct na mijn eerste alinea uni­ver­se­ler door over te schakelen naar ‘rechters die’ en ‘een rechter die’. Juist om aan te geven dat het mij om het concept niet‐brutale ver­krach­ting binnen een vriend­schap­pe­lij­ke context gaat en en niet om deze spe­ci­fie­ke zaak.

In de dis­cus­sies over mijn stuk zeiden de cri­ti­cas­ters dingen als ‘zo heb ik het niet opgevat’ of ‘ik snap wel dat hij dat zo leest’ of ‘ik inter­pre­teer jouw stuk als volgt’. Ik heb gepro­beerd het stuk te lezen met de ogen van iemand die denkt dat ik deze ene zaak bekri­ti­seer, maar zelfs dan moet ik con­clu­de­ren: daarvoor sla ik veel te snel het uni­ver­se­le pad in. Dan had ik wel iets meer over de zaak verteld, toch? En niet alleen een paar woorden uit de uitspraak? Kortom: ik kan geen chocola maken van die kritiek.

Een andere belang­rij­ke reden dat ik me in de discussie mengde, is dat dit een onderwerp is waar ik de afgelopen jaren vrij veel over heb geschre­ven: de ver­schil­len­de gedaantes van seksueel geweld en het in dis­kre­diet brengen van vrouwen die aangifte doen (onder meer hierhier en hier). Ik denk dat je als columnist het hele discours moet kunnen afgrazen, ook de woorden die een rechter gebruikt in een ver­krach­tings­con­text.

Had ik een en ander anders moeten for­mu­le­ren?
Over drie dingen twijfel ik.

1. Ten eerste: de intro.

Een rechter die ‘nee, toch maar niet’ ongeldig verklaart en een man toestaat zich straf­fe­loos te verliezen in geilheid, vergeet dat het ont­zet­tend smerig, ver­ne­de­rend, pijnlijk en beang­sti­gend is als je door al je nee’s heen toch een piemel in je voelt, schrijft MAARTJE LUIF.

Die intro heb ik er niet zelf boven gezet, zoiets doet de eind­re­dac­tie van het medium waarvoor je schrijft doorgaans. In dis­cus­sies over mijn stuk heb ik dat niet vermeld, omdat ik het flauw vind om naar anderen te wijzen. Want 1: óf ik sta achter de intro en dan neem ik de ver­ant­woor­de­lijk­heid (want zoals ik er vanuit ga dat de krant mij dekt als er hommeles komt, vermoed ik dat zij het ook fijn vinden als ik hen niet gelijk afval). Of 2: als ik het niet met de intro eens ben, moet ik dat melden bij de krant en daarna kan ik eventueel de schuld bij de eind­re­dac­teur leggen. In dit geval zou ik het zelf niet gekozen hebben, niettemin was ik toen ik de intro na publi­ca­tie voor het eerst las niet onte­vre­den.

Omdat ik er nu publie­ke­lijk op word aan­ge­val­len, doe ik de analyse van de intro ook publie­ke­lijk, want in de dis­cus­sies bleek dat een handvol tegen­stan­ders juist viel over die zin. Een zin die ooit ergens achteraan stond, na 500 woorden afge­graas­de denkpiste, en die nu door de promotie naar de intro er niet alleen twee keer instaat, maar ook nog eens vóórdat ik mijn gedachte‐oefening heb gedaan, en zo prominent dat het de rest van het stuk over­scha­duwt. Achteraf denk ik: afgezien van de vraag of de kritiek op de inhoud van die zin terecht was, is het gewicht van de zin door de promotie naar de intro groter geworden dan passend in mijn denktrant. Het zwaar­te­punt in het artikel ligt immers elders, meer uit­ge­smeerd.
Note to self: toch vaker vragen of ik de defi­ni­tie­ve intro vooraf mag zien en die intro ver­vol­gens ook kri­ti­scher beoor­de­len.

2. Het tweede twij­fel­punt is de inhoud van die zin.

Een rechter die ‘nee, toch maar niet’ ongeldig verklaart en een man toestaat zich straf­fe­loos te verliezen in geilheid, vergeet dat het ont­zet­tend smerig, ver­ne­de­rend, pijnlijk en beang­sti­gend is als je door al je nee’s heen toch een piemel in je voelt.

Een aantal mensen dacht dat ik door deze for­mu­le­ring deze spe­ci­fie­ke rechter ervan beschul­dig­de dat hij het principe ‘nee is nee’ niet huldigde. Maar dat heb ik nooit willen zeggen, inte­gen­deel. Dat de rechter de ver­krach­ting bewezen achtte, wat ik ook in mijn artikel vermeld, lijkt mij de uitkomst van een afweging van haar nee tegen zijn pene­tra­tie. Ik zie dus heel goed dat deze rechter nee is nee op zichzelf niet ongeldig ver­klaar­de. Ik gebruik dan ook een ander zinnetje: ‘nee, toch maar niet’. Dat zinnetje sloeg op de ‘andere ver­wach­tin­gen van een vriend­schap’ die de rechter als ver­zach­ten­de omstan­dig­heid noemt. Die ver­zach­ting vat ik in mijn artikel samen als een ongel­dig­ver­kla­ring van ‘nee, toch maar niet’. Waarbij het me dus vooral om het zinsdeel ‘toch maar niet gaat’: de gewekte andere ver­wach­ting in praktijk. Ik ga er misschien te gemak­ke­lijk vanuit dat iedereen die denktrant kan volgen. Daar moet ik dus beter op letten: niet iedereen kan al die subtiele zins­wen­din­gen zelf inter­pre­te­ren.

De juri­di­sche scherp­slij­pers vielen ook over het gebruik van het woord straf­fe­loos. Ik had opschor­ting van een straf en geen strafblad samen­ge­vat als straf­fe­loos, zij vonden dat dat absoluut niet kon. Ik vind dat kwaad­wil­lend lezen, maar omdat het woordje er ook uit kan – voor de strekking van de zin is het niet nodig – denk ik nu: het had er helemaal niet hoeven staan.

3. En tot slot de zin:

Maar het wordt nog grie­ze­li­ger als je je bij de aangifte afvraagt voor wie je banger bent: een man die na vier keer nee niet stopt of een rechter die denkt dat er niet‐brutale ver­krach­tin­gen bestaan.

Ook deze zin werd onder vuur genomen, maar dat kun je ver­wach­ten als je als columnist prik­ke­len­de stijl­mid­de­len inzet, dus het verbaasde me niet. Wat me wel verbaasde, was dat ook hier de intentie van de zin kennelijk niet goed overkwam. Ik probeerde een incident (de man die na vier keer niet stopt) af te zetten tegen een geïn­sti­tu­ti­o­na­li­seer­de gedachte: de rechtbank die denkt in termen als de niet‐brutale ver­krach­ting. Ik vind die gedachte heel beang­sti­gend, dat heb ik willen zeggen, maar ik heb de indruk dat de bedoeling niet bij iedereen aankwam. Dat mag ik mezelf verwijten: kennelijk heb ik de lezer niet voldoende mee­ge­no­men in mijn denktrant.

Geen mening

Juist vandaag schrijft een van mijn geliefde mede­blog­gers een stukje over dat iedereen te veel meningen heeft. Ik moet daar een beetje om lachen, omdat ik juist in Vlaan­de­ren denk: doe eens niet zo gelaten! Stel eens hardop vragen! Wees eens niet zo afwach­tend en terug­hou­dend! Laat het niet altijd over aan die paar lefgozers die hardop durven denken en hun hoofd daarmee op het hakblok leggen. Het lijkt alsof de Vlaming liever geen mening heeft dan zich ergens kwaad om te maken, waardoor er voor mijn gevoel juist erg veel met de mantel der liefde wordt bedekt. En zodra je in Vlaan­de­ren een soci­a­le­me­dia­dis­cus­sie belandt, sta je er alleen voor. De omstan­ders kijken allemaal stil­le­tjes toe en trekken zich ver­vol­gens weer terug in hun eigen com­for­ta­be­le hoekje. Dat werkt mij regel­ma­tig op de zenuwen.

Mijn beroep is: woorden aan de dingen geven. Dus dat doe ik. Maar ook voor niet‐schrijvers is het vaak de enige manier om de wereld iets draag­lij­ker te maken: samen nadenken, gedachten uit­wis­se­len, kritiek geven en incas­se­ren. En als wij, schrij­vers, het al opgeven om woorden aan de dingen te geven, wie moet het dan nog wel doen? Of ik the heat op lange termijn kan verdragen weet ik niet, maar voorlopig zoek ik de kitchen toch nog maar even op.

(Lees ook: ’ ‘Ik zal moeten accep­te­ren dat ik steeds vaker terug te vinden zal zijn onder de hashtag #zeik­wij­ven.’)

Share this Post

5 Comments

  1. Van een storm in een glas water is geweten dat hij snel luwt. U lijkt het me allemaal teveel aan te trekken. Ik heb het bewuste artikel gelezen in DS en ik kon me er inhou­de­lijk helemaal in vinden.

  2. * U lijkt het zich

  3. Je bent niet de eerste die zegt dat ik het me te veel aantrek. Ik snap dat je het zo ziet, maar ik vind het belang­rijk om – als de kritiek geuit wordt in serieuze kranten en door serieuze mensen – eropin te gaan. Niks ergers dan brullers die kritiek negeren alsof het nooit op hun kan slaan.

  4. Ik wil je alleszins heel erg bedanken om je uit te spreken en steeds terug in die ‘kitchen’ te gaan staan. Ik ben volledig akkoord met je artikel, en om eerlijk te zijn vind ik niet dat je tekst ondui­de­lijk was. Dat er zaken in vraag worden gesteld en woorden verkeerd geïn­ter­pre­teerd worden zal je altijd hebben als het gaat over ‘hot topics’, niet? Ik denk dat je veel vrouwen een hart onder de riem heb gestoken door je artikel te publi­ce­ren. Een ver­krach­ting is altijd brutaal, en het feit dat dit ontkend/geminimaliseerd wordt in de rechtbank is erg pijnlijk, en zal de drempel om aangifte te doen ver­moe­de­lijk nog verhogen. Dààrover gaat alle kritiek, niet over welke straf de man moet krijgen. De rechter beslist de straf; akkoord. Maar een ver­krach­ting ‘niet‐brutaal’ noemen is – zoals je zegt – beang­sti­gend.

  5. Wow. Je hebt inderdaad volledig begrepen wat ik wilde zeggen, ik had het zelf nau­we­lijks beter kunnen samen­vat­ten. Een dikke dankjewel!

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>