Leren stoppen

Doorgaan zou gemakkelijker geweest zijn. Zoals ik bij Lost deed. Er klopte al seizoenen niks meer van – the hatch, de ijsbeer, de Dharma Initiative, alles was zijn logische einde al lang voorbijgegleden – maar ik keek door tot en met seizoen 6. Dat was niet alleen omdat ik te lui was om de knoop door te hakken, het was ook omdat ik het niet voor mogelijk hield dat de makers hun product zo zouden verkwanselen. Ik kende de deceptie toen alleen nog maar van 24, maar ik had dat altijd verklaard door die 24 afleveringen per seizoen. Dat waren er gewoon te veel. Lost werd mijn tweede deceptie.

In de jaren die volgden, bewaakte ik mijn tijd. Voelde ik de deceptie komen, dan kwam de stop-optie in beeld. Nu wil het noodlot dat ik getrouwd ben met een omnivoor met een grenzeloze liefde voor film en beeldverhalen in álle vormen, ook de slechte. Stoppen is derhalve niet alleen grenzen stellen aan de absorptie van flauwekul door mijn brein, maar het is ook een streep door gedeeld tijdverdrijf. Wannes had nog best verder gewild toen het zuidelijke accent van Sookie voor mij niet langer opwoog tegen de esoterische onzin die we op ons bordje kregen in True Blood, hij kon nog meer superpowers verdragen toen ik besloot dat mijn suspension of disbelief op sterven na dood was en ik het volgende seizoen van Hero’s liet voor wat het was. Hij vond de karakters in de Tudors ook wat vlak, maar hij had nog niet overwogen te stoppen op het moment dat ik er genoeg van had, en na vijf seizoenen Homeland begreep hij mijn weerzin tegen die eeuwige herhaling heel goed, maar hij had nog best even verder gekund.

Mede daarom ben ik zo blij als ik een serie begin waarvan ik het gevoel heb dat we gedurende langere tijd dezelfde kijkbehoefte hebben. En mede daarom ben ik zo teleurgesteld als blijkt dat het verkwanselen van een product door de makers helemaal niet zo zeldzaam is als ik dacht. Begin dit jaar besloot ik dat ik seizoen 4 van House of Cards niet hoefde te zien. Die twaalf uur van mijn leven waren me liever dan de voorspelbare beelden die ik na die langelange twaalf uur aan de verzameling in mijn hoofd toe zou kunnen voegen. Hetzelfde gold voor Fargo en Les Revenants: mooie verhalen die één seizoen prima werkten, maar die hun tijdrovendheid niet langer goedmaakten.

Eergisteren besloot ik dat het genoeg was met Game of Thrones seizoen 6. Na drie afleveringen zei ik tegen Wannes: ik ben van géén van deze verhaallijnen nog benieuwd hoe het afloopt, ik weet inmiddels absoluut niet meer wie er dood is, hoe lang al en waarom ook alweer precies, en ik erger me zó aan de dialogen dat ik de vormgeving – het enige aan de serie dat voortdurend van topkwaliteit is – niet eens meer zie. Bovendien heeft Tyrion nog niet een goede grap gemaakt.

En zo kwam het dat Wannes zaterdagavond twee afleveringen zonder mij keek, waarmee mijn keuze onverbiddelijk werd. Doorgaan zou gemakkelijker geweest zijn, maar stoppen is iets dat ik moet leren. Er zullen alleen maar meer series komen die de vraag opwerpen: is dit acht, tien, twaalf of – godbetert – meer uur van mijn leven waard?

Volgend jaar ga ik voor het eerst in mijn leven echt gedisciplineerd zijn. Na een leuk eerste seizoen van Stranger Things zal ik het tweede niet eens beginnen. Ik heb ervan genoten, zeer zeker, al was het maar omdat de storyboards van jarentachtigfilms in dikke neuronen zijn uitgehouwen in mijn beeldtaalarchief waardoor ik van bijna elk shot kon zeggen in welke film het voorkomt. Maar dat is één keer leuk. Nog een seizoen iconische bmx-kaders herkennen of dikkejongetjesrollen duiden zou een herhaling van zetten zijn, en dan is zo’n Alieneske-verhaallijn gewoon niet genoeg om mij op de knieën te dwingen.

Het is een beetje als een reis naar Griekenland niet boeken en dan zeggen dat je 600 euro hebt verdiend, maar toch: ik heb in twee dagen achttien uur aan mijn leven toegevoegd en ik ben er erg mee in mijn nopjes.