Stukjes in het wild

Niet langer door half­ge­slo­ten wimpers

buren

Mijn buren zijn altijd slechts een verhaal geweest. Een con­struc­tie van piepjes, klopjes, bonkjes, stemmen en geluiden. Die verhalen kwamen uit mijn hoofd. Ik plakte de piepjes, klopjes en bonkjes aan de dingen die ik van ze wist. Het tijdstip waarop ze thuis­kwa­men, opstonden, naar bed gingen, of ruzie maakten. Het klin­ge­len­de geluid van flessen in hun bood­schap­pen­tas­sen, of de flarden van gesprek­ken die ik opving door open ramen, dunne muren en nau­we­lijks geï­so­leer­de vloeren. Van hun ach­ter­naam, haar­dracht en stem­ge­luid boet­seer­de ik een personage dat door hun huis wandelde en dat ver­ant­woor­de­lijk was voor de piepjes, klopjes en bonkjes die ik hoorde. Zo borduurde ik levens­lo­pen die Wannes soms voor­zich­tig ‘onge­fun­deerd’ durft te noemen.

Nog nooit had ik buren met wie ik wijn dronk, terwijl dat een hoop tram­me­lant had kunnen voorkomen. Hoe zou het met de pit­bull­bu­ren (1, 2, 3) zijn gegaan als ik in een vroeg stadium het glas met ze had geheven? En hoeveel god­ver­doem­mes zou de buurvrouw achter de muur van het koertje van ons vorige huis ons uit­ein­de­lijk toegesist hebben als we eens met haar hadden geklonken? Maar het kwam er nooit van, en tegen de tijd dat het ervan had kunnen komen, was ik meestal alweer verhuisd. Zo bleven mijn buren slechts verhalen.

In dit huis had ik me voor­ge­no­men om eens even fiks te ‘bonden’. Elke keer als ik iemand zag die in ons rijtje woont, klampte ik hem of haar aan, zette ik mijn aller­be­min­ne­lijk­ste glimlach op en sloeg ik een babbeltje. En zo bemach­tig­de ik steeds meer flarden die ik kon vast­schroe­ven aan de stemmen en de piepjes. De klopjes en bonkjes kregen meer reliëf, en als Wannes mijn verhaal weer eens als onge­fun­deerd afdeed, pareerde ik dat met de getui­ge­nis­sen uit de gesprek­jes op straat.

Onlangs stak mijn rech­ter­buur­man zijn hoofd over de schutting met de vraag of we zin hadden om te komen eten. Van deze buurman had een vriendin ooit beweerd dat ze er verkering mee had gehad en daarmee was het verhaal flink aan­ge­zwen­geld. Maar bij nader inzien had ze zich vergist, waardoor de piepjes, klopjes en bonkjes ineens vooral een buurman vormden ‘die het nooit met An had gedaan’. Uiteraard zei ik gretig ja op zijn aanbod, tegen al mijn sociale fobietjes in.

Die zaterdag keken we uit over de de buurt vanaf een paar meter verderop. We mon­ster­den onze tuin uit ander per­spec­tief, we dronken wijn met de buurman, zijn vriendin en twee kennissen, aten quiches en voerden de gesprek­ken die je voert met mensen die je niet kent. Het was oké, het was gerust­stel­lend en het was ver­trou­wen­wek­kend. Dit was geen buurman die opzet­te­lijk zijn sleutel zou vergeten (1), dit was geen Paul (1), dit waren geen buren zoals die van Pruts (1), het leek er niet op dat deze buurman ons dit zou flikken en bovenal: er viel met deze mensen te praten.

Thuis­ge­ko­men was ik opgelucht. Ik ben slecht in small talk, niet voor niets kwam ik nooit veel verder dan stoep­ge­sprek­jes, en een glas wijn zou ik eigenlijk al een hele over­win­ning hebben gevonden. Nu had ik een lange avond aan team­buil­ding gedaan en het leek erop dat het werkte. Zeker na dit voorjaar, waarin de gees­te­lij­ke eierdozen niet aan te slepen waren, was het gevoel dat ik met deze mensen dingen zou kunnen oplossen als het nodig was een niet te onder­schat­ten kal­me­rings­mid­del.

Tot ik de maandag erna aan het werk ging en de dage­lijk­se piepjes, klopjes en bonkjes hoorde passeren. Waar die eerst leidden tot een verhaal dat zich door half­ge­slo­ten wimpers opdrong, leek het nu alsof de rech­ter­muur in de huiskamer was weg­ge­haald. Ik zag de buurman redderen in zijn keuken, ik zag hem zitten aan zijn bureau. Het lichtplan, de mate­ri­a­len, de inrich­ting, de kleur­stel­ling: het stond allemaal zo helder op mijn netvlies dat het onmo­ge­lijk was om de buurman terug te brengen tot een verhaal. De buurman was ineens iemand van vlees en bloed, in een écht huis, die op vijftig cen­ti­me­ter afstand dingen stond te doen die bonkten. En, ja jezus, dat was dus niet de bedoeling.

Eén reactie

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.