Niet meer naar buiten

Als Wannes en ik niet uitkijken, zien we soms dagenlang niemand. Dan eten we twee weken uit de voorraad, halen we slechts een frisse neus in het uit­ge­stor­ven park achter de tuin en laten we brood­krui­mels achter op sociale media ten teken dat we nog leven.

De afgelopen week was het weer raak. We hadden twee kansen om iemand te zien: 1. we gingen een kerstboom kopen en 2. we gingen een plumeau kopen. Bij kans 1 waren we in de Aveve. Het was een door­de­week­se ochtend, waardoor het stil was in de winkel, want de rest van de wereld had andere ver­plich­tin­gen. Met de uit­ver­ko­ren boom naderden we de kassa, waar het ineens heel druk bleek. Er stond een lange rij en Wannes en ik sloten geduldig met kar en boom achteraan. Het kas­sa­meis­je riep er nerveus een collega bij die op haar dooie akkertje aan kwam wandelen. ‘Ge moogt ook bij mij aan­slui­ten’, zei ze in het voor­bij­gaan.

Omdat we achteraan stonden, maakten Wannes en ik geen aan­stal­ten om van rij te wisselen. Maar toen er bij de nieuwe kassa uit­ein­de­lijk slechts twee karren aansloten en ik nog vijf karren voor ons telde, leek wisselen de enige juiste optie. Kom, zei ik tegen Wannes, en ik wilde nét schuin over­ste­ken toen het echtpaar voor ons hetzelfde besloot. Ik zag pas dat ze hun winkelkar schuin hadden gezet toen ik al zowat in de andere rij stond. Na een blik op hun ver­bou­we­reer­de gezichten zei ik: o, gaat u maar! Maar het was te laat, de man was rood aan­ge­lo­pen en maaide met zijn arm in mijn richting alsof hij wilde zeggen: nu hoeft het niet meer, kust toch mijn kloten! Ik maakte nog eens een gebaar om ze voor te laten, maar de man stond hoofd­schud­dend en met samen­ge­kne­pen lippen te doen alsof hij het niet meer zag, terwijl hij me door zijn ooghoek nog steeds in de gaten hield. Dat bleef hij doen, terwijl ik opgelaten een kerstboom probeerde af te rekenen. De rest van de dag zag ik die witte samen­ge­pers­te lippen en het kust‐mijn‐kloten‐armgebaar in herhaling voorbij komen.

De volgende dag, kans 2, gingen we naar de Action om daar een plumeau te zoeken die ik jaren geleden zwart op wit aan iemand had beloofd. Ik vond de plumeau en wilde nog iets anders van een hoge plank pakken. Ik ging op mijn tenen staan, strekte mijn arm, pakte het product en liet mijn hielen weer zakken; op iemands teen. Ik schrok, keek achter me en zag dat een onge­dul­di­ge vrouw mij bas­ket­bal­ge­wijs had omringd om op exact dezelfde plek ook iets van de hoge plank te pakken. Ik had haar teen onmo­ge­lijk kunnen vermijden, maar toch was zij degene die oogrolde, haar lippen op elkaar perste en mij een kwaaie blik toewierp, om mijn excuses ver­vol­gens zó osten­ta­tief te negeren dat ik mijn woorden het liefste met dezelfde ademteug weer had ingeslikt. Thuis had ik moeite om haar demon­stra­tie­ve rug uit mijn hoofd te zetten.

In de krant las ik over boze witte mannen, onder­buik­ge­voe­lens en luisteren naar de mensen die vinden dat ze iets tekort komen. Ik opende de voor­raad­kast en zei opgelucht: ‘Liefje, we hoeven voorlopig niet meer naar buiten toch?’

2 reacties

  1. Miles

    Ik herken wat je schrijft heel erg. Ik heb de indruk dat dit in Vlaan­de­ren een groter probleem is dan in andere landen: wij durven “de ander” al snel eerder vijandig en uit de hoogte te benaderen, wat dan bij­voor­beeld blijkt door elke inter­ac­tie zo kort mogelijk te willen houden, zelfs als die andere persoon zich probeert te excuseren.
    Erg her­ken­baar dus, en tegelijk ook con­fron­te­rend, want ik bezondig me er zelf ook soms aan.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.