Stel nou dat dit het is?

Al jaren probeer ik een beter mens te worden. Ik worstel me door de gevolgen van mijn karakter, ik ploeter door de omstandigheden en ik eindig altijd in een hopeloos soort perfectionisme dat geen enkele inspanning op waarde zal schatten.
• Ik mag niet piekeren, maar o wee als ik dommer ben dan zou hoeven.
• Ik mag niet kluizenaren, maar hoe stupide is het wel niet om overprikkeld te raken?
• Ik mag niet leven om te werken, maar djiezus, I need more money!
• Ik mag niet te zwaar tillen aan details, maar als ik al die kleinigheden nou verdomme eindelijk eens op orde zou hebben …
• Ik mag mijzelf en mijn lichaam niet verwaarlozen, maar ik zou nu ook eindelijk wel eens door mogen hebben dat de boog niet altijd gespannen kan zijn.
• Ik accepteer geen pathetiek, maar binnenvetten is al helemaal geen optie.
• Ik moet echt eens mijn kansen grijpen, maar dat mag er zeker niet toe leiden dat ik ontevreden ben als ik misgrijp. Want ik weet heus wel dat dat by far het domste is dat je kunt doen, ontevreden zijn.

Ziehier een greep uit de tabbladen die de afgelopen 40 jaar 24/7 openstonden. Vanaf mijn kleutertijd ben ik dag in dag uit aan het afvinken: is er evenwicht? Balans? Nuance? Klopt het nog? Doe ik het goed? En nee, het klopte nooit en ik deed het nooit goed. Elke keer als ik een tabblad weg klikte, serveerde mijn hoofd mij als een ware pornoboer een veelvoud aan nieuwe evenwichtsoefeningen, en telkens als ik besloot dat alles perceptie was, begon mijn scherm zich opnieuw met browservensters te vullen. Want als alles perceptie is, hoe ongelooflijk stom is het dan wel niet om jezelf zo te benarren? Zo stom dat dat besef steevast weer leidde tot alle hens aan dek en we gaan nog niet naar huis, nog lange niet.

Twee weken geleden wurmden de tranen zich maar weer eens een weg naar buiten. Ik staarde door het keukenraam naar mijn prachtige tuin en besefte dat ook deze rouwsluier weer zorgvuldig door mijzelf was geknoopt en gedrapeerd. Zonder mij was dit prima gras, zonder mij waren dit puike zonnebloemen, zonder mij zou dit alles een heel aardig landschapje zijn. Maar dankzij mij was het een decor in een loodzwaar toneelstuk.

Ik dreigde als altijd de weg van zelfverwijt en ambitie in te slaan. Dit kon immers beter. En als er iets beter kon, dan was er werk aan de winkel. Maar zodra ik de bekende weg insloeg, realiseerde ik me dat het zinloos was. Het was niet voor niets de bekende weg. Deze route zou mij een dikkere rouwsluier opleveren, een zwaarder gemoed en misschien wel het belangrijkste: bij het eindpunt lag geen oplossing in het verschiet.

Volgens mij zat ik heel klassiek met mijn kin in mijn hand zieligjes naar buiten te staren, toen er een tabblad openging met de vraag: stel nou dat dit altijd zo blijft? Ik sla de bekende weg in, knoop een rouwsluier, ik leg die over de omstandigheden en alles wordt troebel, dag in dag uit, steeds opnieuw. Uiteraard kwamen alle reflexen en drogredenen als de wiedeweerga opborrelen: dat accepteren zou een gebrek aan ambitie zijn – iedereen kan die dingen die ik wil, dus waarom ik niet? – er is geen enkele reden waarom ik mijn wensen niet zou kunnen vervullen, dus opgeven is geen optie. Kortom: het reservoir vulde zich alweer met to-dolijsten, opgeheven vingertjes en een algeheel gevoel van reddeloosheid.

Tot het tot me doordrong dat als dat de nieuwe werkelijkheid was – dat dit het is, dat alles altijd zo blijft – het er niet meer toedeed wat ik ervan vond. Dan was het vooral zaak te dealen met een werkelijkheid waar je toch niet zoveel aan verandert. Nee, er is geen balans. Ja, ik ben zo nu en dan vreselijk dom. Nee, ik ben niet in staat niet te piekeren. Ja, de boog is vaker gespannen dan me lief is. Nee, ik zorg niet altijd goed voor mezelf. Ja, ik ben geneigd tot een irrationeel soort ontevredenheid. Nee, dit gaat nooit veranderen. Ja, dit blijft altijd zo.

Ik schrok van de gedachte, maar het leek me ineens ook zó plausibel. Wie dacht ik wel niet dat ik was? Een perfect iemand? Mijn hemel, zo naïef was ik toch niet? Ik was een hopeloos geval, tot huilens aan toe, zo bleek steeds maar weer. De kans dat ik op korte termijn handenwrijvend van tevredenheid aan diezelfde tafel door datzelfde raam zou kijken, was gering, dat kon ik na 40 jaar wel concluderen. Waarom nam ik dat niet gewoon voor lief? Ik ben doorgaans best goed in dingen voor lief nemen. De veranderlijkheid van het weer, een trein die niet rijdt, een tegenvallend boekjaar: ik incasseer wel. Waarom zou mijn eeuwige teleurstelling in een andere categorie vallen dan shit happens?

[insert zelfhulpboekstrijkorkest] Nou, en dat was dus een hele opluchting. Want als ik altijd mijn teleurstellende zelf zou blijven, zou dat veel gepieker schelen. Dan hoefde ik niet langer mijn hele wezen in gedachten te verbeteren.

De rouwsluier trok op, alsof er een raam was opengezet na het douchen. Ik stelde me voor hoe ik alle dingen zou doen die ik mezelf nu steeds maar weer verweet, maar dan zonder schuldgevoel, zonder de wens om het anders te doen. Ik zag voor me hoe ik door mijn huis en door mijn leven zou wandelen. Hoe leeg het in mijn hoofd zou worden als alles niet steeds voor verbetering vatbaar was. En hoeveel tijd ik zou overhouden als ik niet meer in cirkeltjes van zelfverwijt en verbeterdrift hoefde rond te draaien.

Ik wantrouwde de opluchting nog een beetje, ik ben wel vaker gestuit op de oplossing to end all oplossingen, maar omdat ik twee weken later nog steeds verkeer in een algehele staat van ‘mij maken ze de pis niet lauw’, durf ik van een kantelpunt te spreken. Het is allemaal kut en het zal allemaal kut blijven. En dat is een hele opluchting.