Sweet Thing

De angst voor de angst had bezit van me genomen rond 1993. Het begon met wat ik toen nog heel eufemistisch hyperventilatie noemde. Ik blies in een zakje en iedereen verzekerde me dat het dan wel over zou gaan. Dagen achtereen blies ik in zakjes, in handpalmen, in lege glazen en in mijn mondholte. Zo begon het. Het eindigde een paar maanden later met mij op een matrasje in een zo leeg mogelijke kamer boven bij mijn ouders. Ik kon geen spullen verdragen, geen activiteiten, geen mensen. Niemand mocht met me praten, ik durfde niet de deur uit en niemand mocht me aanraken. Slechts één ding kon ik verdragen, de dubbelelpee Bowie Live (1974) die ik op een bandje had. Niet Ziggy Stardust, niet Space Oddity, nee, alleen Bowie Live in The Tower Theater in Upper Darby, Philadelphia.

Vraag me niet hoe het kwam. Vond ik Bowie goed? Ja. Had ik ooit gedacht dat Bowie mijn enige contact met de buitenwereld zou zijn in tijden van opperste wanhoop? Nee, zeker niet. Toch was het zo. Wekenlang trok ik me zoveel mogelijk terug tussen het schuim van de oortjes van mijn walkman, en steeds opnieuw draaide ik het bandje om. 1984, Rebel Rebel, Moonage Daydream, Sweet Thing, Changes, Suffragette City, Aladdin Sane, All the Young Dudes, Cracked Actor, Rock ‘n’ Roll with Me, Watch That Man, Knock on Wood, Diamond Dogs, Big Brother, The Width of a Circle, The Jean Genie, Rock ‘n’ Roll Suicide. En opnieuw en opnieuw. Terwijl ik lag te staren naar de ornamenten op het plafond voorkwam deze energieke soul-achtige plaat van Bowie dat ik kopje onder ging.

Bijna twintig later schreef ik mijn eerste boek dat vermoedelijk nooit als éérste boek zal uitkomen. De flaptekst en de titel (Hier zijn we dan) verwijzen naar Nirvana, maar het boek zelf is eigenlijk vooral doordrenkt van Bowie.

Op pagina 8 staat:

De eerste keer dat ik bij Balsemien kwam, begin 1991, had ze inderdaad nog maar twee katten, Major Tom en Aladdin Sane. Die had ze op een bootje in de Ruysdaelkade gevonden. Maar daarna was het snel gegaan. Een week nadat ik haar leerde kennen, kwam ze thuis met Little China Girl, een gehavende Siamees van de Albert Cuyp; een mannetje, hoewel zijn naam anders deed vermoeden. In de zomer nam ze The Jean Genie en Hunky Dory mee uit het Sarphatipark en in september ontvoerde ze The Young Dude uit een coffeeshop.

Balsemien noemt al haar huisdieren naar Bowie-liedjes, en één van mijn lievelingsdecorstukken in het boek, een gestolen zwarte poedel met dikke krullen voor zijn ogen, heet Sweet Thing. Nog steeds krijg ik een verliefd gevoel als ik op straat een zwarte poedel met dikke krullen voor zijn ogen voorbij zie lopen, want voor mij was Sweet Thing veel meer dan een decorstuk. Ik vond het verschrikkelijk dat juist hij model stond voor hoe krankzinnig mijn personages met zichzelf en hun omgeving omgingen. Dat ik altijd maar weer moest zorgen dat Sweet Thing kwijt of bang was.

Sweet Thing  was de eerste die ik voor me zag toen ik vanmorgen las dat David Bowie was overleden. Mijn eigen black star van mijn eerste boek. Het tweede dat ik zag waren de ornamenten van het plafond bij mijn ouders. Toen begon ik te huilen.