Uitgezucht en weggezucht

Normaal is het al lang niet meer, solidair zijn. In de jaren negentig, toen het gif van de neoliberalisering al werd geïnjecteerd maar de mensen zelf nog gewoon deden alsof barmhartigheid en medemenselijkheid vanzelfsprekend was, viel je nog niet in negatieve zin op als je uitgesproken solidair was met minderheden. Nu is dat anders, solidariteit wordt zonder al te veel scrupules in de kaartenbak onder ‘aanstellerij’ geschaard.

Solidariteit hoeft natuurlijk niet leuk te zijn, daarvoor is het te principieel, maar toen ik in de jaren negentig als journalist mijn eerste stukken schreef over structurele uitsluiting veroorzaakte dat zelden de kramp die ik nu aantref wanneer mijn stukken inleving in andere mensen vergen. Niet dat mijn lezers destijds erg enthousiast reageerden als ik met onderzoek blootlegde hoeveel uitsluiting er vooral op beleidsniveau gaande was, maar ik werd op een enkele kwaaie brief na zelden ‘uitgezucht’ op basis van mijn weinig opbeurende boodschap.

Tegenwoordig word ik voortdurend uitgezucht en weggezucht. Ik schreef er precies een jaar geleden een column over, dus dat aspect ga ik niet nog eens herhalen, maar neem van mij aan: de mensen zijn te moe voor openlijke solidariteit. Ze willen nog net op een fatsoenlijke partij stemmen en wat geld overmaken naar wat goede doelen, maar verder willen ze niet al te veel lastiggevallen worden met problemen die openlijke solidariteit en een zekere ongemakkelijkheid vereisen.

Ik doe het niet voor de lol, die problemen steeds opnieuw aansnijden, ik doe het omdat ik bang ben voor gezapigheid. Ik vrees dat we al Netflixend vergeten dat meegaan in de status quo een keuze is vóór het systeem zoals het nu is. Ik ben bang dat solidariteit langzaam gaat betekenen ‘het ten onrechte opnemen voor mensen die kennelijk niet voor zichzelf kunnen zorgen’.

Afgelopen maandag wond ik me enorm op over de berichtgeving over de vermiste meisjes die in Portugal bleken te zijn. Overal werd de afkomst van de man die zich in hun nabijheid bevond zonder enige aanleiding genoemd. Omdat het een goed journalistiek gebruik is te zorgen voor evenwichtige beeldvorming, besloot ik een soort zwartboek aan te leggen van voorbeelden van onvoorzichtige etikettering. Uiteraard omdat het mijn vak is, ik ben al 22 jaar bezig met journalistiek, diversiteit en beeldvorming, maar ook omdat ik het opvallend vind dat zo weinig mensen zich erover opwinden. ‘De 35-jarige Marokkaanse verdachte’ begint zo’n veelvoorkomende frase te worden dat het ons niet eens meer opvalt dat het er staat.

We weten hoe beeldvorming de wereld verandert, dit jaar meer dan ooit. En toch steunen weinigen mijn strijd voor evenwichtige beeldvorming. Mijn vrienden en kennissen laten zich met tientallen tegelijk horen als ik een foto plaats van mezelf in een opblaasbadje, maar als ik een beeldvormingsdiscussie opwerp blijft het verontrustend stil. Dan mag ik blij zijn als ik op Facebook en Twitter samen tot vijftien schouderklopjes kom.

Maar ik blijf het doen in de hoop dat solidariteit ooit weer een goed idee wordt, en in de hoop dat er in elk geval een paar mensen langer over nadenken dan ze anders hadden gedaan.

Voor mijn nieuwe site Stigmatiseren kun je leren, over stigmatisering in nieuwsverslaggeving: klik hier.