De totstandkoming van een en al projectie

Voorkennis gewenst? Lees het verhaal Wat je verliest als je geen kinderen krijgt

Het waren die spullen. Als ik in bed lig zie ik bovenop de klerenkast dozen vol verleden. Meestal staar ik gewoon wat naar die dozen, maar soms denk ik erdoorheen. Dan probeer ik me voor te stellen wat erin zit – dagboeken, foto’s, brieven, bewijzen van mijlpalen, oude dreads, polsbandjes van festivals en andere rekwisieten van een vervlogen leven – en dan vraag ik me af of de inhoud eigenlijk niet weg kan, en zo nee, wat ik er dan ooit nog mee zou doen, en zo ja, of ik dat zou kunnen, al mijn tastbare herinneringen bij het vuil zetten, en zo nee, wat dat over mij zegt, en zo ja, wat dat over mij zegt …

Dus het waren die spullen waardoor ik me begon af te vragen wat het betekende om geen kinderen te krijgen. Ooit waren die dozen een keuze voor mijn nageslacht: snuisterpotentie voor de liefhebber en in geval van desinteresse wegsmijtbaar. Nu ik geen kinderen zou krijgen, waren het veel meer gewoon dozen, met papieren, onleesbare handschriften, oud zeer, te weinig tijd om dat ooit allemaal nog eens te bekijken, en wat – moet – ik – er – in – hemelsnaam – mee.

Snuisterpotentie

Ik realiseerde me dat er eigenlijk niks was veranderd: ik lag in bed, ik had geen kinderen, die dozen stonden daar. Net als toen ik ze vulde. Alles was hetzelfde en toch was er iets veranderd. De dozen hadden hun snuisterpotentie verloren. In de dagen erna vroeg ik me af of het voor meer dingen gold, dat er door geen kinderen te krijgen niks was veranderd, maar dat er tóch iets was veranderd. Ik kwam tot de conclusie dat er eigenlijk best veel voorbeelden waren.

Ergens begin november vorig jaar schreef ik de eerste versie van het artikel dat vorige week in Volkskrant Magazine verscheen. Ik liet het aan mijn geliefde lezen en hij vond het mooi, raak en herkenbaar. Ik dubde of ik het op mijn website zou zetten, maar omdat ik al twee verhalen over ivf voor Volkskrant Magazine had geschreven, was het ook een optie het aan hen aan te bieden. Ik talmde nog wat: wie zat er te wachten op mijn persoonlijke gepeins over zoiets abstracts als verlies wanneer je er iets niet bij krijgt? Maar in december las ik het stuk nog eens en ik dacht: het is eigenlijk best mooi geschreven, en nou ja, hup, op hoop van zegen dan maar. Volkskrant Magazine reageerde enthousiast. Tot zover de aanloop.

Beduusd

Vorige week kreeg ik een mailtje. Dat het stuk zou verschijnen en of ik een exemplaar wilde ontvangen, dan had ik het misschien ook op de dag van publicatie, net als de Nederlanders. Vrijdag lagen er twee exemplaren in de bus met een briefje van de hoofdredacteur dat ze elk woord van het voorwoord meende.

Ik bladerde argeloos naar het voorwoord.

Ik was urenlang beduusd en omdat mijn week een aaneenschakeling van rotdagen was geweest, maakte mijn sombere hoofd kortsluiting. Het verhaal was prachtig geïllustreerd, het had een mooie plaats in het blad en het werd op de voorpagina ‘angekeild’. Kortom, van een losse gedachte, starend naar de dozen in bed, was het een succesverhaal geworden. En hoewel ik me complimenten heel slecht eigen maak, raakte ik er wel hyper van.

De volgende ochtend kon de rest van Nederland het lezen en dat werd gretig gedaan, bij het ontwaken was het al een van de ‘trending’ artikelen op Blendle en dat bleef het de hele week en er lagen al vroeg een stuk of wat mails. De eerste berichtjes waren overwegend kort, dankbaar, complimenteus en hartelijk. Ze kwamen van impulsieve mensen die zo vroeg al even wilden laten weten dat ze om wat voor reden dan ook blij waren met mijn stuk. In de loop van de zaterdag kreeg ik langere mails van lezers die het door hun hoofd hadden laten spelen en er nu wat dieper op ingingen, die vragen stelden, kanttekeningen plaatsten, maar die meestentijds toch vooral hun dankbaarheid en waardering uitspraken. Die zaterdag ontving ik honderden mails en berichtjes op sociale media, voor en achter de coulissen. Gelukkig overwegend positief, met een enkele valse noot. ’s Avonds kwamen de langste brieven, van mensen die er vermoedelijk toen pas rustig voor konden gaan zitten, of die de dag nodig hadden gehad om te bedenken wat ze ervan vonden, of die hun emoties net weer de baas waren. Dat waren lange teksten met levensverhalen, fertiliteitsgeschiedenissen, doorwrochte analyses, en niet zelden veel doorvoelde pijn.

Projectie

Toen ik naar bed ging en naar de dozen keek, waaide het in mijn hoofd. De dozen waren geen dozen meer, maar ook niet de vervlogen droom waarover ik schreef, het waren dozen van Pandora geworden, met levensverhalen van mensen van Ameland tot Vlissingen, met een kakofonie van de pijn van de ongehoorden, met een spiegelpaleis aan reflectie. Want dat was wat ik leerde: de reacties op dit stuk waren grotendeels projectie.

Ik ontving dankbare reacties van mensen met kinderen, mensen zonder kinderen, gewenst kinderlozen en ongewenst kinderlozen. Ik ontving brieven van mensen die zich gesteund voelden, die zeiden nu eindelijk mensen in hun omgeving te begrijpen, hun vriendin, hun zoon, hun collega, hun broer, mensen die zich helemaal herkenden, of maar deels, of helemaal niet. Mensen die niet gelukkig waren met hun kinderen, maar daar nu wat genuanceerder over dachten, of mensen die langzaam dreigden te vergeten wat een zeldzaam geluk het ouderschap kan zijn, mensen die me wilden helpen, wilden steunen, die me ivf-klinieken, therapieën, handboeken of lotgenotengroepen adviseerden. Mensen die zich zorgen om me maakten, die zeiden dat ik het niet zo donker moest zien, dat het leven heus nog wel wat voor me in petto zou hebben, mensen die niet wisten wat ze voelden, maar door mijn stuk ineens wel, mensen die nog kwader werden omdat niemand ze begreep, omdat niemand ze ooit vroeg wat ze meemaakten, mensen die het niet zo beleefden, maar door mijn stuk inzagen dat hun vrouw het misschien wel zo ervaarde. En een enkeling reageerde negatief: wat een egoïstisch stuk, of: dit geldt niet voor iedereen. En een journaliste met 8000 volgers op Twitter vroeg zich hardop af of ik niet véél te veel verwachtte en of die kinderen niet erg veel hadden moeten goedmaken.

Zondag bleven de reacties door druppelen, niet iedereen leest het Magazine op zaterdag. Ik was duizelig, want ik had besloten dat je bij zo’n onderwerp niet kunt doen alsof je neus bloedt, al die mensen die hun hart uitstorten en hun diepste gedachten delen, die kun je niet negeren. Dus op elk serieus te nemen bericht, reageerde ik. Maar toen ik dat besloot, wist ik natuurlijk nog niet dat me zo’n karrenvracht aan persoonlijke berichtjes te wachten stond. Ik kwam er gedurende het weekend ook steeds meer achter dat het spookte op mijn mailserver en dat het maar de vraag was of de reacties aan mij, maar ook mijn zo zorgvuldige geformuleerde replies, überhaupt probleemloos door het sijberse zouden gaan.

Die middag belde De Standaard, of ze mijn stuk in een kortere versie ook mochten plaatsen. Ik zei ja. Het artikel zou dinsdag verschijnen. De hele zondag en maandag kwamen er berichtjes binnen, terwijl mijn mailprobleem voortduurde, dus wat arriveerde was waarschijnlijk nog niet eens alles. Ik raakte langzaamaan wat reactiemoe. Van een artikel dat ontstond door een interessante en wezenlijke vraag, liggend in bed, starend naar die dozen, was dit ineens een product dat me boven het hoofd groeide. Ik was losgezongen van het spectrum waarop ik de reacties kon aftekenen. Ik had zelf niks meer te maken met de tekst, met de gedachten die ik had samengebald in zo mooi mogelijke zinnen. Het waren wezensvragen die al maanden als een computerbestandje binnen handbereik lagen, maar die ik mede daarom niet meer in mijn hoofd had. Ik was klaar met die gedachten, ze waren afgegraasd, afgerond; prima gedachten, niks meer aan doen.

Kutreacties

Fast forward naar dinsdagochtend. Met angst en beven opende ik bij het ontwaken mijn mail. Had de publicatie in De Standaard de kraan weer opengezet? Ik had al vaker ondervonden dat Vlamingen niet zulke brievenschrijvers zijn als Nederlanders, maar aangezien ik hier ooit in de zwartepietendiscussie verwikkeld raakte, weet ik dat ook een Vlaming zich soms gretig op de auteur van een artikel werpt. Maar nee hoor, er lag niks. Opgelucht begon ik aan de dag, maar die opluchting was van korte duur. Mijn mailbox haalde stotterend berichten binnen, niet zo veel als zaterdag, want het spook op de mailserver had een actieve dag, maar omdat De Standaard het bericht op Facebook plaatste en er dus via FB-message en Twitter-dm ook veel binnenkwam, zwelde de kakofonie toch weer aan. De mails en persoonlijke berichten waren natuurlijk moeilijk te mijden, maar de rest van de reacties besloot ik niet op te zoeken. Edoch, omdat het Facebook-algoritme veronderstelt dat ik geïnteresseerd ben in artikelen geschreven door ene Maartje Luif botste ik op de reacties op een artikel door haar geschreven. En die reacties waren deels opnieuw dankbaar en complimenteus, maar voor een veel groter deel dan zaterdag waren ze ook vrij giftig. Ik sloot het FB-scherm snel, maar helaas waren er toch al een stuk of wat nasty zinnetjes op mijn netvlies blijven plakken.

Ik had die dag een deadline, dus ik moest alle humbug uit mijn hoofd zien te verdrijven, met als gevolg dat ik na een uurtje besloot de geniepige stemmetjes die de kutreacties op mijn stuk in mijn hoofd hadden achtergelaten de mond te snoeren met een FAQ die ik op Facebook plaatste. Ik deed een greep uit het scala aan venijn en reageerde erop. Niet dat de critici het ooit zouden lezen, maar dan was het van mijn hart.

FAQ

Q: ‘Is die vrouw 43? En die denkt nog steeds dat kinderen de zin van het leven zijn?’
A: Nee, dat denk ik niet en dat staat ook niet in het stuk.
Q: ‘Wat een egoïstisch artikel.’
A: Yup, als je reflecteert op wat je in je persoonlijk leven mist, dan is een vleugje egoïsme onvermijdelijk.
Q: ‘Ik snap niet dat zo iemand niet een kind adopteert.’
A: Welnu, ik sta hier niet alleen in, ik heb een man. Die heeft ook nog dingen in te brengen. Bovendien is het voelen van een gemis niet afhankelijk van de bereidheid tot het aangaan van een ander avontuur. Daarnaast onderschatten de roepers aan de zijlijn de impact van een ellenlange fertiliteitsbehandeling. In de slipstream daarvan een adoptieprocedure beginnen, is niet iets dat je zomaar even doet.
Q: ‘Die verwachtte wel veel van kinderen, ze moesten wel erg veel voor haar goed maken.’
A: In een eerder stuk schreef ik over de duizend kanten van de medaille van mijn kinderwens. Dat stuk verscheen twee jaar geleden in Volkskrant Magazine. Daarin kun je lezen dat mijn verwachtingen nogal getemperd waren.
Q: ‘Ik herken er niks in, waarom staat er dan zo’n kop boven?’
Dat kan. Koppen zijn vaak generaliserend. Die kop is voor de welwillende lezer vermoedelijk best duidelijk.
Q: ‘Belachelijk stuk, ik herken me er helemaal niet in. Ik heb het gevoel dat ik alleen maar heb gewonnen.’
A: Ik had waarschijnlijk met evenveel liefde het verhaal Wat je wint als je geen kinderen krijgt, kunnen schrijven. Het is niet of-of, maar en-en. Dit was de invalshoek van dit verhaal, volgende keer weer een andere invalshoek.
Q: ‘En zij wil nu nog kinderen? Zo oud?’
A: Nope. En dat staat ook nergens.

Ziezo. Dat lucht op. Nog meer vragen?

Het klinkt gemakkelijk gezegd, maar het luchtte echt op. Ik was dan wel losgezongen van het verhaal en van alle mogelijke manieren om ernaar te kijken, maar ik verinnerlijk kritiek veel sneller dan complimenten, dus het was zaak om zo snel mogelijk korte metten te maken met de stemmetjes in mijn hoofd. De FAQ hielpen geweldig. Ik was het kwijt. DOEI!

Reactieproof

Tot op de dag van vandaag krijg ik reacties binnen, sommige mooi, sommige lelijk. In de Volkskrant van vandaag werd de brievenpagina geopend met een kutreactie. Heel even was ik verontwaardigd: 95 procent van de reacties op het stuk in VK Magazine was positief, waarom zou je dan alleen een negatieve brief plaatsen? Maar toen dacht ik aan het voorwoord van Corinne, dat was de ene kant van het spectrum, het was logisch dat ze daar nog een andere kant tegenover zetten.

Nu de week weer wat verder is, ik de meeste deadlines heb gehaald en ik in staat ben terug te kijken, ben ik niet meer reactiemoe, ik ben vooral reactieproof. Én blij dat ik voor honderden mensen een waardevol en in sommige gevallen razend belangrijk stuk heb geschreven

Iedereen die me dat liet weten: bedankt.