Even geen supe­ri­o­ri­teits­ge­voel

Eind april beginnen over de supe­ri­o­ri­teit van ‘onze’ cultuur: in Nederland zouden ze het niet durven. Niet omdat er in Nederland geen politici wonen die kampen met een mis­plaatst supe­ri­o­ri­teits­ge­voel, inte­gen­deel, maar omdat het eind april al bijna begin mei is en meidagen in Nederland bestaan uit grote woorden. Opdat we niet vergeten. Iedereen is gelijk. Dit mag nooit meer gebeuren. Vrijheid geef je door. Op 4 mei worden de Neder­land­se oor­logs­slacht­of­fers herdacht die sinds de Tweede Wereld­oor­log zijn gevallen en vandaag, op Bevrij­dings­dag, vieren we dat de Duitse bezetter in 1945 capi­tu­leer­de.

Dat klinkt als een evenement met veel geblaat en weinig wol, van kransen leggen en, hup, weer door, maar dat is niet het geval. Na de polonaise op Konings­dag schminkt iedereen zich af, de oranje pruiken gaan de kast in en de onbe­van­gen hysterie maakt plaats voor ruim een week con­tem­ple­ren over oorlog, vrijheid en de con­se­quen­ties van die twee. De media staan dagenlang bol van de inter­views, repor­ta­ges en ach­ter­gron­den over de Tweede Wereld­oor­log, de Holocaust en de dunne grens tussen goed en kwaad. En dan niet op de National Geographic-manier – ‘Hebben we nog een filmpje van een bom­men­wer­per?’ – maar diep­gaan­der, met gesprek­ken over gewe­tens­kwes­ties en dub­bel­har­tig­heid. Kinderen luisteren in de klas naar ver­halen over leef­tijds­ge­no­ten die moesten vluchten voor honger of geweld. Kranten­abonnees lezen over moedige ver­zets­da­den en het drieste verraad van boeren, burgers en buitenlui. Overal in het land zijn lezingen over de gevolgen van oorlog en genocide voor families, dorpen en gemeen­schap­pen. De bezoekers van de talloze Bevrij­dings­fes­ti­vals worden tussen de nummers door bij­ge­praat over vrijheid, samen delen, keuzes maken, nadenken en ver­draag­zaam zijn.

Sinds ik in België woon, mis ik die twee dagen van stilstaan en beseffen. Niet als privé-aangelegenheid, want ik ben tobberig aangelegd, aan stilstaan en beseffen geen gebrek, maar wel als col­lec­tief moment waarop er zonder meer aandacht is voor wat vrijheid inhoudt. Want er wordt niet alleen gefocust op de Holocaust, in de aanloop naar Bevrij­dings­dag gaat de boodschap ook over de impli­ca­ties van vrijheid: dat vrijheid alleen bestaat bij de gratie van gelijk­heid, dat dis­cri­mi­na­tie logi­scher­wijs een bedrei­ging is van die vrijheid, en dat de cultuur van bepaalde bevol­kings­groe­pen als inferieur bestem­pe­len een heil­loze weg is wanneer je die vrijheid voor toe­kom­sti­ge gene­ra­ties wilt behouden.

Ik maak me geen illusies. Ik realiseer me terdege dat niet iedereen in Nederland even vatbaar is voor die dagen­lan­ge viering van huma­nis­ti­sche waarden, dat steeds minder mensen weten wat er precies herdacht en gevierd wordt, en dat op sommige scholen het gesprek over de Holocaust elk jaar moeizamer verloopt. De laatste jaren zijn er ook steeds meer dis­cus­sies over het in- dan wel uit­slui­ten van bepaalde groepen bij de her­den­king.
Toch gun ik elk land een officiële feestdag in com­bi­na­tie met een jaar­lijk­se ­mediahype, die het zoeklicht zet op de uitwassen van nati­o­na­lis­me, op het belang van tole­ran­tie en op de gewe­tens­vra­gen die horen bij onder­druk­king.

Je op een amorfe chris­te­lij­ke feestdag volvreten in fami­lie­ver­band kan heel bevrij­dend zijn, maar het is pas echt fees­te­lijk om elk jaar te zien dat zelfs de minst maat­schap­pe­lijk bewuste vrienden zich ineens wel inleven in oor­logs­slacht­of­fers en dat grote groepen flie­re­flui­ters vol overgave docu­men­tai­res kijken over de breek­baar­heid van de vrije wereld.

Want zelfs als de mensenrechten­verering hypocriet is, omdat een deel van de bevolking stemt op partijen die er hun voeten aan vegen, omdat bepaalde groepen in de samen­le­ving zich meer en meer ver­schan­sen achter hun mid­del­vin­ger, en omdat de segre­ga­tie allang een feit is, dan nog is die dagen­lan­ge anti-uitsluitingscorridor in april en mei een ware ver­a­de­ming. Dat het gekrakeel daarna met volle kracht terug­keert, is teleur­stel­lend, maar je weet dat je één keer per jaar meer dan een week op adem kunt komen om je te laven aan het feit dat zoveel mensen wél bereid zijn om periodiek stil te staan bij de gevolgen van mis­plaatste supe­ri­o­ri­teits­ge­voe­lens. Tien dagen waarin geen levende ziel het in zijn hoofd haalt om, zich op de borst roffelend, een andere groep inferieur te verklaren ten behoeve van elec­to­raal gewin. Wie wil dat nu niet?

Maartje Luif is jour­na­list en schrijver. Haar column ver­schijnt twee­we­ke­lijks op vrijdag.
Deze column verscheen op 5 mei 2017 in De Standaard.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.