Hoe ziet uw ik eruit?

Waar­schu­wing: het abstrac­tie­ge­hal­te van dit stukje zal de pan uit swingen, maar dat moet u mij maar vergeven. Wij – u en ik – hebben het al vaker gehad over syn­es­the­sie en over de meest voor­ko­men­de kenmerken ervan (12, 3, 4) en ik heb ook al eens geschre­ven over andere aspecten van syn­es­the­sie, zoals het zien van pijn (5), maar dit keer gooi ik er nog een meta‐laagje overheen.

Omdat ik onlangs een dag of acht op de bank lag met een nare griep en steeds dieper wegzonk in een soort ultra­su­per­me­t­azelf­re­flec­tie, ‘zag’ ik de dingen ineens heel helder. Het was zo’n griep die je niet vloert, maar die je wel uit­scha­kelt en dat zijn de ergste. Die dagen waarop je niet coherent kunt denken, lezen en schrijven, maar waarop je je ook niet slecht genoeg voelt om gedach­ten­loos onder zeil te zijn.

Op zulke dagen is alles buiten mij donker, en in mijn hoofd is het licht. Mijn ‘beleving’ begeeft zich – als ik het van buitenaf beschouw – als een licht­ge­ven­de ver­schij­ning in een her­me­tisch zwart vlak (zie foto hierboven), het licht is een soort visuele samen­bal­ling van mijn ‘zijn’. Hoe het er voor mij uitziet, is natuur­lijk de omge­keer­de versie van hoe het in wer­ke­lijk­heid is: in mijn schedel reikt het licht niet ver, terwijl daar­bui­ten licht­bron­nen te over zijn.

Het beeld van die lichte ver­schij­ning in het duister heeft twee ‘kanten’, er zijn dus eigenlijk twee beelden. 1. De bui­ten­kant, wanneer ik mezelf, mijn gedrag en mijn han­de­lin­gen observeer en daar iets van vind, en 2. de bin­nen­kant, wanneer ik midden in mijn gedachten zit, nadenk, besluiten neem en han­de­lin­gen en reflexen uitvoer.

De eerste dagen van zo’n griep kan ik nog zo nu en dan ‘naar buiten’ gaan. Ik kan mijn zorgen en gepieker (het licht) vanuit een heli­kop­ter (het donker) bekijken en ik kan er iets van vinden. Dat zijn de dagen dat ik beide beelden van mezelf nog kan oproepen: het beeld van de bin­nen­kant en het beeld van de bui­ten­kant. Het beeld met een per­spec­tief vanuit het zwart en een beeld met per­spec­tief vanuit het licht.

Dat klinkt alsof ik aan de paddo’s zit, of misschien als een metafoor, een poëtische beschrij­ving van mijn gemoeds­toe­stand, maar het is let­ter­lijk hoe mijn syn­es­the­ten­brein mij de perceptie van mijzelf pre­sen­teert, van mijn ik, mijn beleving, mijn zijn – anderen zouden het misschien mijn ziel noemen, of mijn geest.

Als je het plaatje hierboven in ogen­schouw neemt dan ziet het er best gezellig, die gedachten van mij. En zo ervaar ik het beeld ook: prima sche­del­pan­ne­tje, knus, warm, gezellig, niks meer aan doen. Maar na een paar dagen griep is er nog maar één beeld: dat van de bin­nen­kant. Ik trek dan als het ware vanuit het zwarte vlak naar het licht, en ik krijg een volkomen andere projectie van wat mijn beleving is. Midden in het ik, het zelf, die beleving, die geest, die ziel, blijkt alles eeu­wig­du­rend wit, met steeds ver­sprin­gen­de lijnen, draden, strepen en ver­bin­din­gen. Dat ziet er ongeveer zo uit:

Het zwart uit het beeld van buitenaf is verdwenen, daar is niets, maar dan ook niets meer van over. Wat ook betekent dat er geen weg terug is, ver­ge­lijk­baar met iemand die onder het ijs is geschoven en het wak niet meer ziet. De gezel­lig­heid is weg, het warme licht is koud licht geworden, de beweging is in your face, en net als je denkt dat je doorhebt hoe de belijning loopt, is het beeld alweer veranderd. Alles kaatst af, ketst weg en ver­springt, en geen seconde is er rust. Op momenten dat ik goed in mijn vel zit en samenhang ervaar, lopen de lijnen veelal gelijk met nog te volgen gedachten, maar na dagen van hoesten, slaap­te­kort, koortsige toe­stan­den en nul komma nul aanspraak kan ik het gekets alleen maar mach­te­loos aan­schou­wen. Ik weet niet meer waar het over gaat of wat ik ermee moet doen.

Nu ik weer beter ben en mijn ‘geest’ weer onder controle heb, weet ik niet meer hoe het voelde om opge­slo­ten te zitten in het cha­o­ti­sche wit, zoals je ook van pijn vergeet hoe erg het precies was als het eindelijk achter de rug is. Maar ik weet nog wel hoe het eruitzag, ik, mijn zelf, en dat was vrij trau­ma­tisch.

Waar ik nieuws­gie­rig naar ben: ziet u uw ik ook? En bent u syn­estheet? Of ziet iedereen zijn ik? En hoe ziet uw ik er dan uit? Heeft die ook meerdere ver­schij­nings­vor­men?

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.