Mijn conservatieve hoofd en het uitgebeende bosschage

Terwijl ik dit schrijf kleppert er een specht tegen een boomstam en toen ik vanochtend opstond was een bosuil zijn territorium aan het afbakenen met zijn oehoegeroep, kortom: ik heb geen klagen. Toch is dat exact wat ik ga doen, want als het om natuur gaat ben ik behoudend; als er een dier in mijn tuin zit dan beschouw ik dat als een definitieve factor. Wanneer ik bijvoorbeeld een eekhoorn zie, heb ik vanaf dat moment een eekhoorn in de tuin, ontdek ik een egel, dan betekent dat dat ik een tuin met egels heb, en zie ik padden, dan zitten er dus padden in de tuin. Voor mij is dat dan geenszins van tijdelijke aard, voor mij is dat voorgoed.

De afgelopen week werd mijn wens om alles bij het oude te houden danig op de proef gesteld. Toegegeven, ik voel me gauw tekortgedaan als het op dieren aankomt. Ik herinner me dat ik in de zomer maandenlang uit mijn humeur was omdat de kleine vogeltjes uit het vroege voorjaar zich niet meer lieten zien. En Wannes en ik breken al de hele winter als het gevroren heeft het ijs in de vijver, omdat in onze verbeelding de kikkers die er een zomer lang van ‘bommetje’ deden nu ergens in de diepte hun winterslaap houden. Dat is een uiterst onzekere aanname, maar in onze conservatieve hoofden is het ondenkbaar dat we ineens een tuin zonder kikkers zouden hebben.

Ruim twee weken geleden kregen we een brief dat de domeinwachters de wilgen die schuin achter onze tuin groeien weg zouden halen, omdat er gevaar was voor vallende takken bij harde wind, bovendien waren de dennen ernaast ‘zieltogend’, dus die zouden ook gekapt worden. De brief was schrikken, want dat zijn de bomen van het eksternest. Het eksternest dat twee jaar geleden leidde tot een eindeloze strijd tussen eksters en kraaien. Het eksternest dat bij verschillende voorjaars- en najaarsstormen sneuvelde en vervolgens met grote volharding weer opnieuw in elkaar werd gevlochten. Het eksternest dat ik in mijn jaaroverzicht prees, omdat het in 2016 ineens wél alle stormen doorstond. Bovendien wonen er rechts eekhoorns, in de buurt van de te vellen wilgen en dennen. We weten niet exact waar ze hun hol hebben, want wij zien ze altijd alleen langs stiefelen op weg naar een voorraad, maar de mare gaat dat eekhoorns altijd in de nabijheid van een naaldboom wonen. Dus denken we dat ze bij de ‘zieltogende’ dennen wonen. De dennen die op de nominatie stonden om tegen de vlakte te gaan.

Omdat Wannes en ik allebei geruime tijd griep hadden, zagen we geen kans onze verontwaardiging om te zetten in protest, dus brak de ochtend van het cirkelzagen zonder pardon aan. De dag ervoor zag het er nog uit zoals op de foto hierboven (pijl bij het eksternest).

Na twee dagen toonde mijn koortsige hoofd mij dit:

Ik probeer het te aanvaarden. Het eksternest is weg, en hoewel de lage bomen er nog wel staan, is de ekstervergadering die daar elke ochtend plaatsvond tot nader order verplaatst naar andere oorden. Toen de bomen een paar dagen weg waren signaleerden we een eekhoorn, maar of dat betekent dat ze nog in de buurt wonen of dat we hier te maken hebben met een gewoontedier dat op termijn alsnog zijn conclusie zal trekken, is onbekend.

Ik probeer het te aanvaarden, hoewel ik niet meer naakt in mijn slaapkamer kan staan zonder de gordijnen dicht te doen, omdat we plotseling zichtbaar zijn voor mensen uit het domein. Ook zullen de prikkels uit het overvolle zwembad dat achter de omgehakte bomen ligt niet langer gedempt worden door de wind in de wilgen en het zomerse groen. Bovendien zal de ochtendzon in augustus de toch al hevige hitte op ons terras stevig aanwakkeren.

Maar praktisch als ik ben, tel ik mijn zegeningen. Ik was al niet zo heel dol op de eksters en kraaien, dus nou ja, good riddance. Daarnaast hoorden we altijd al spechten, maar sinds de kraaien en eksters hun interesse in het bomenrijtje achter de tuin hebben verloren, zijn het er veel meer. Kennelijk waren ze nogal bang voor hun grote broers. En stel dat de eekhoorns toch blijven (ik duim!), dan hoef ik niet langer aan te zien dat ze door de eksters en kraaien in een hoek gedreven worden. Dat scheelt veel bekommernis.

Toch vermoed ik dat mijn conservatieve hoofd de schok traag zal verwerken. Liggend in bed zal ik de associatie met het boek The wind in the willows missen. Zittend op het tuinbankje zal ik de prachtige contouren van de wuivende wilgen steeds opnieuw vergelijken met het uitgebeende bosschage van nu, en ik zal de ochtend prijzen dat ik niet meer op mijn horloge tik omdat de eksters te laat zijn voor de vergadering.