Vaste columnist bij De Standaard

Jarenlang hoopte ik het, een vaste column in een medium dat ik hoog had zitten. Ik schreef al veel columns voor grote media, maar vaak tijdelijk, of wel vast, maar dan in niche-media, of in media die niemand kende, of in media die net zo goed niet hadden kunnen bestaan, of of of.

De mensen die mij al langer volgen, weten dat ik me maar deels geaccepteerd voel in België, soms voel ik me eerder ‘getolereerd’ en af en toe voel ik me zelfs niet geaccepteerd. Een column in een Belgisch medium dat ik hoog had zitten, schreef ik in mijn hoofd dus al af: er zijn genoeg mensen minder controversieel door hun afkomst, dus waarom zouden ze mij daarvoor kiezen?

Ik gooide wel eens lijntjes uit, maar ik moet toegeven: leuren is niet mijn sterkste kant en als je dan ook nog eens het vermoeden hebt dat het vechten tegen de bierkaai is, dan neemt de neiging je bakens te verzetten toe. Dus verzette ik mijn bakens.

Tot ik gebeld werd. Of ik een vaste column in De Standaard wilde. Op de opiniepagina’s.

Nog tijdens het telefoongesprek vestigde zich een brok in mijn keel. Wat? Ik? Een Hollandse? Een vaste column? In een medium dat ik hoog heb zitten?

Ik zei ja. Obviously.

De volgende dag werd ik wakker als columnist van De Standaard. Het maakte me nerveus, zoals dat hoort als je een verantwoordelijk taakje hebt gekregen, en ik huilde nog eens van verwarring en blijdschap. Ik las de krant nog beter dan anders. En ik ijsbeerde, zoals dat soms gaat als je een verantwoordelijk taakje hebt gekregen.

Ik praatte met Wannes en mijn ouders. Ik las, luisterde en zag alles, in de hoop gevoed te worden, in de hoop het waard te zijn, en bovenal: in de hoop mijn imposter syndroom eronder te houden. Ik sliep slecht, maar liet de roetsjbaan maar begaan. Het leek me niet zo’n vreemde reactie als je een column krijgt in je nieuwe land, in een krant die je zo hoog hebt zitten.

Na een paar dagen nam de nervositeit af. Ik kan dit, dacht ik. Ik kan columnist van De Standaard zijn zonder mezelf belachelijk te maken. Ik ben geen bedrieger, want dat zou veronderstellen dat zij zo dom zouden zijn mij te vragen. Terwijl: ik heb ze hoog zitten en ik duld geen inconsistentie, kortom: ik kan dit.

En toen werd Trump president. Ik heb mijn mening doorgaans vrij snel paraat, maar dit ging te snel, te hard, te anders. Dat het niet in orde was, was duidelijk, maar hoe ik het allemaal precies moest beschouwen, was me die eerste dagen een raadsel. Dus golfde de nervositeit weer op. What the fuck? Waarom hebben ze me net nu columnist gemaakt? Hadden ze me niet even een aanloopje kunnen geven? Kon ik dit wel? Mijn referentiekader zo snel aanpassen dat het de moeite waard zou zijn om juist mijn mening op de opiniepagina’s te lezen?

Nu praat ik dus opnieuw met Wannes en mijn ouders. Ik lees, luister en zie alles, in de hoop gevoed te worden, in de hoop het waard te zijn, en bovenal: in de hoop mijn imposter syndroom eronder te houden. Ik slaap slecht, maar laat de roetsjbaan maar begaan. Het lijkt me niet zo’n vreemde reactie als je een column krijgt in een nieuwe wereld.

Inmiddels neemt de nervositeit weer af, maar niet omdat ik weet dat ik het kan. Dus op hoop van zegen dan maar: ik ben columnist van De Standaard. En belangrijker: ik vind dat ik daarmee mijn inburgeringsdiploma met vlag en wimpel heb gehaald.