Wat je verliest als je geen kinderen krijgt

Illu­stra­tie: Krista van der Niet

Na een reeks onsuc­ces­vol­le ivf‐behandelingen en de beslis­sing daarmee te stoppen, neemt schrijver Maartje Luif (43) de schade op.

1. De zin van het leven?

Mijn beste vriend besloot zo’n twaalf jaar geleden iemand te zoeken die zaad van hem zou willen hebben om zo de zin van zijn bestaan te ver­an­ke­ren. Na vijftig jaar was hij ervan overtuigd dat je níét voort­plan­ten het meest zinloze was dat je kon doen, en dat zat hem niet lekker. Omdat hij geen vaste relatie wilde, leek zijn zaad ter beschik­king stellen de enige logische optie. Zo gezegd, zo gedaan. Na enig speurwerk besloot hij bij te dragen aan het gezins­ge­luk van twee vrouwen die hij via via had leren kennen. Zijn dochter is nu 11.

De gesprek­ken die we voerden over zijn motieven raakten me diep. Ik was destijds nog getrouwd met iemand die geste­ri­li­seerd was, dus elk argument dat hij aandroeg vóór voort­plan­ting maakte mijn leven zinlozer. Natuur­lijk pareerde ik zijn betoog door zo nu en dan iets te roepen over de over­be­vol­king of door de zin­loos­heid überhaupt van het leven aan te stippen. Maar als het uit­gangs­punt van het gesprek is dat alleen voort­plan­ting een mens werkelijk drijft, dan zijn par­ti­cu­lie­re filo­so­fie­tjes volkomen irre­le­vant.

Inmiddels ben ik een scheiding, een nieuw huwelijk, een reeks ivf‐behandelingen en de beslis­sing om geen kinderen te krijgen verder, en de gesprek­ken zingen nog steeds rond in mijn hoofd. Want als hij gelijk heeft, dan is mijn kin­der­lo­ze leven zinloos. En als hij ongelijk heeft, is de vraag wat dan wél de zin van het leven is aan de orde. In beide gevallen is de zin van het leven ver uit het zicht verdwenen.

2. Een motief om in leven te blijven

Uiteraard zijn er uit­zon­de­rin­gen, maar toch: het leven lijkt meer waard te worden als er een nieuwe generatie bij komt. Veel ouders stoppen met roken als ze een kind willen of krijgen en blijven minder roken en drinken zolang ze hun nage­slacht als voorbeeld dienen. Ze besluiten de K2 maar niet te beklimmen, omdat ze hun kroost willen zien opgroeien en zich ver­ant­woor­de­lijk voelen. De kin­der­lo­zen daar­en­te­gen moeten hun doods­angst halen uit de liefde voor… ja, voor wat? Voor zichzelf? Voor hun leven?

God­zij­dank heb ik een partner voor wie ik in theorie met liefde overeind blijf. In theorie, want in de praktijk is een lichte neiging tot zelf­des­truc­tie mij niet vreemd. Op de momenten dat ik al mijn zelf­be­heer­sing in de strijd moet gooien, benijd ik iedereen met een hoger doel dan dat miezerige ‘zelf’. Dan zou ik willen dat mijn stof­wis­se­ling mij ook in de richting van ver­ant­woor­de­lijk­heids­ge­voel diri­geer­de, maar er lijkt geen stofje zo’n sterk ver­ant­woor­de­lijk­heids­ge­voel op te wekken als het stofje dat kinderen teweeg­bren­gen.

Begrijp me niet verkeerd: ik neem me dagelijks voor me op eigen kracht met het leven te verzoenen. Maar het gevoel daarvoor twee keer zo hard te moeten werken als iemand met een levens­ver­vul­len­de bui­ten­boord­mo­tor is hard­nek­kig. Wat weer het vermoeden bevestigt dat voort­plan­ting inderdaad de zin van het bestaan is.

3. EEN REDEN OM TE BEWAREN

Mijn moeder maakte tien­tal­len foto­al­bums voor haar kinderen en mijn beide ouders zijn van het type ‘ooit ga ik die dozen opruimen’. Ik combineer die genen met het schrij­ver­schap. Mijn archief barst uit zijn voegen en ik bewaar voort­du­rend spullen waarvan ik me afvraag: voor wie?

Vroeger kon ik nog zeggen: voor mijn klein­kin­de­ren. Nu denk ik in arren moede aan arche­o­lo­gen en weten­schap­pers, maar dat is niet lang vol te houden, want welke navorser zit er in hemels­naam op mijn rommel te wachten?

De vraag wordt onver­mij­de­lijk: wat heeft het voor zin spullen te bewaren? Niemand gaat mijn kleren dragen, zoals ik de psy­che­de­li­sche paars‐oranje rib­flu­we­len jurkjes van mijn moeder droeg. Niemand zal de door de tand des tijds getekende foto’s van mijn opa en oma liefdevol bestu­de­ren om er de kaaklijn of juk­been­de­ren van zichzelf in te herkennen. Niemand zal mijn vroegste lief­des­brie­ven met een mengeling van gêne en nieuws­gie­rig­heid proberen te ont­cij­fe­ren. Alles wat ik bewaar, is vooral een immense opruim­taak voor mensen die nooit zo betrokken zullen zijn als mijn kinderen zouden zijn.

In verhalen met tips voor kin­der­lo­zen wordt altijd benadrukt dat je ook van betekenis kunt zijn voor andermans kinderen. Dat is waar, maar dat zijn geen kinderen binnen hand­be­reik. Het zou een fikse inves­te­ring vergen om met andere kinderen zo’n band te krijgen dat ze staan te springen om mijn doos met vijftig dagboeken.

4. EEN KANS OM JE LEVEN TE HER­BE­LE­VEN

Mijn leven was een hell of a ride en ik ben ver­geet­ach­tig, met als gevolg dat ik veel dingen die ik leuk heb gevonden gewoon niet meer weet. Of het nu gaat om emoties, kennis of bele­ve­nis­sen: er was te veel om te onthouden en zolang die anekdotes niet toevallig weer voor­bij­ko­men, zullen ze in de ver­geet­put van mijn her­in­ne­ring tot stof vergaan.

Daarom kan ik jaloers zijn op ouders die hun staart­de­lin­gen vanonder het stof mogen halen om hun zoon of dochter met het huiswerk te helpen, die betrokken worden bij school­plein­pe­ri­ke­len en die mogen nadenken over de inrich­ting van een stu­den­ten­ka­mer.

Ik leen die her­ken­ning nu bij anderen. Als ik een bevriend kind leer schaken en zie hoe het de paar­den­sprong moet uittellen, weet ik weer hoe ik die zelf in het begin ook niet in één oogopslag zag. Als ik mijn nichtje hartjes zie typen naar haar verkering, weet ik weer hoe onvoor­stel­baar belang­rijk hartjes zijn voor een tiener. Als ik mijn petekind zie zitten op het mini­s­toel­tje waar ik ooit op zat, voel ik weer even de afdruk van het riet in mijn billen. Maar dat zijn inci­den­ten, een grondige her­be­le­ving van alle levens­fa­sen zal aan mij voor­bij­gaan. Dat voelt als een verlies.

5. EEN MANIER OM DE WERELD TE COR­RI­GE­REN

n het verlengde daarvan ligt het gevoel je idealen niet te kunnen uitdragen. Ik kan me voor­stel­len dat het vol­doe­ning geeft om je kinderen te vertellen waar de wereld beter van wordt. Helemaal als ze thuis­ko­men en iets ide­a­lis­tisch hebben gedaan – alsof je toch niet helemaal verstoken bent van invloed op de wereld. Want er worden zelden vraag‐tekens geplaatst bij de bijdrage van kinderen aan de wereld­vre­de, terwijl de idealen van een vol­was­se­ne voort­du­rend ten prooi vallen aan de vurige wens tot ont­mas­ke­ring. Ben je niet hypocriet? Gekleurd? Onge­ïn­for­meerd? Als kin­der­lo­ze moet je je optimisme tegen de klippen op weg­nu­an­ce­ren, als ouder kun je het gevoel hebben dat er toekomst zit in wat jij belang­rijk vindt.

6. AAN­SLUI­TING BIJ JE GENERATIE

Vrijwel al mijn vrienden van mijn leeftijd of ouder hebben kinderen, behalve ik. Er zijn er veel met onor­tho­doxe gezins­om­stan­dig­he­den, maar er is in meer of mindere mate nage­slacht, wat betekent: schoolse ritmen, volle weekends, beheerste uit­spat­tin­gen en één focus: de kinderen veilig naar hun vol­was­sen­heid escor­te­ren.

Dat vergt tijd. Tijd waarin ik ze niet zie en die ik alleen of met mijn man doorbreng. Gelukkig kan ik goed alleen zijn en ben ik graag met mijn man; die behoefte aan afzon­de­ring ligt mede ten grondslag aan mijn besluit de komst van een kind niet langer te forceren. Maar dat er een reeks baby­sit­ters aan te pas moet komen om het gesprek met mijn vrienden gaande te houden, heeft iets beklem­mends.

7. KLEINHEID

Het leven van de kin­der­lo­ze draait om wezens­vra­gen. Er zijn te veel uren in de dag van de effi­ci­ën­te vol­was­se­ne om je te kunnen beperken tot ele­men­tai­re zaken als slapen, eten en werken. Dus vraag ik me tot ver­moei­ens toe af wat ik zal doen met mijn tijd. Gelukkig heb ik een bewer­ke­lij­ke kat en een tijd­ro­ven­de schrijf­hob­by, maar een goede reden om het leven terug te brengen tot billen afvegen, cock­tail­prik­kers in kastanjes pieren en wat neuriën naast een kinderbed, heb ik niet. Zoals het als niet‐roker vreemd is op een feestje elk uur naar buiten te gaan, voelt het als kin­der­lo­ze gefor­ceerd strijk­kra­len, Electro of een advents­ka­len­der in huis te halen. Ik heb nu eenmaal weinig reden mijn volwassen sores te door­krui­sen met al te simpele waar­om­vra­gen of monsters onder het bed. Terwijl dat soort kleinheid een prima antigif is tegen al te grote gedachten.

Natuur­lijk weet ik dat ouders dit kunnen omdraaien: wij hebben nooit meer tijd voor wezens­vra­gen! Ik begrijp dat dat misschien nog wel erger is. Maar de gele­gen­heid om je gepieker dagelijks door de ver­hak­selaar van de klei­ne­men­sen­pro­ble­men te halen, is een zegen die ik als kin­der­lo­ze met enige jaloezie aanschouw.

Hoewel ik nog elke dag pal achter mijn beslis­sing sta niet langer nage­slacht te forceren, realiseer ik me steeds vaker dat het niet alleen een kwestie is van iets niet krijgen, wat ver­on­der­stelt dat de status quo gehand­haafd blijft. Nee, het is ook een kwestie van iets verliezen: motieven, drijf­ve­ren, inclu­si­vi­teit, belang en toegang tot de aller­klein­ste en aller­groot­ste dingen des levens. Door niet met kunst‐ en vliegwerk een volgende generatie in elkaar te willen zetten, plaatste ik mezelf in een klap buiten een wereld die doorgaans wordt beschouwd vanuit het gezins­per­spec­tief. Een wereld waarin wetten, gesprek­ken en verhalen draaien om een meer­der­heid van mensen met kinderen of mensen met nóg geen kinderen. Daar niet bij horen, vergt autonomie en accep­ta­tie. Ik kan me voortaan nog aan weinig mensen spiegelen en in weinig verhalen herkennen. Door mijn beslis­sing voor een kin­der­loos bestaan word ik terug­ge­wor­pen op een keur aan wezens­vra­gen, mede omdát er geen afleiding door mijn huis kruipt. En een leven zonder afleiding mag dan wel voorgoed om mij draaien, de wereld draait helaas nau­we­lijks om mensen zoals ik. Sinds ik mij niet ver­dub­bel­de, sta ik er meer dan ooit alleen voor.

Dit artikel verscheen op zaterdag 18 februari in Volks­krant Magazine en op maandag 20 februari in een kortere versie in De Standaard.

Eén reactie

  1. Pieter

    Zeer her­ken­baar. Ben man van bijna 45, keuze steeds uit­ge­steld en voila, nu is het gewoon allemaal wat laat. Kinderen hebben heeft op zich geen zin, maar er geen hebben al evenmin. En die zin­ge­vings­vraag klinkt veel minder luid als het wordt overstemd door peuter‐, kleuter‐ of puber­la­waai.

    Jouw artikel bracht mij toch wat troost, waarvoor dank.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.