/ augustus 16, 2018/ Stukjes in het wild/ 2 comments

Aretha is dood. De Queen of Soul wordt ze genoemd, en zo ervaar ik haar ook: als mijn koningin. Ze is mijn koningin veel meer dan Juliana, Beatrix, Maxíma, Paola en Mathilde ooit zullen zijn. Toen Prince en David Bowie stierven, mijn andere jeugd­hel­den, was ik geraakt, vol van her­in­ne­rin­gen, super­me­lan­cho­lisch en ronduit ver­drie­tig. Bij Aretha voel ik dank­baar­heid, superveel dank­baar­heid. Dat gevoel is afstan­de­lij­ker dan bij Bowie en Prince, maar zo gaat dat bij royalties.

Het zit zo: in den beginne had je de Dolly Dots en Doe Maar, die met posters mijn muren bekleed­den, die mij leerden meezingen en fan leerden zijn. Maar daarna werd mijn focus algauw een rommeltje. Van mijn negende tot mijn twaalfde cirkelde ik van Bob Marley naar Michael Jackson, en van Wham! naar Sting en The Police. Ik hield van alles door elkaar, was ver­schrik­ke­lijk nieuws­gie­rig naar steeds weer nieuwe muziek en bleef rond mijn dertiende haken bij soul en R&B. Van de vriend van mijn zus, die in een soulband speelde, kreeg ik cas­set­te­band­jes met platen van Aretha Franklin, Wilson Pickett en King Curtis, en mijn moeder had een lang­speel­plaat van Aretha en een drie­dub­be­le soul­ver­za­mel­el­pee waarop Natural Woman stond.

Daar werd de kiem gelegd voor wat ik op die leeftijd allang geen fandom meer noemde, maar waar onte­gen­zeg­ge­lijk minstens zoveel overgave in zat: ik begon kwaliteit te herkennen. Ik voelde plot­se­ling wat timing was, eigenheid, wat groove betekende en dat je goed had (Whitney Houston bij­voor­beeld) en héél goed (Aretha Franklin).

De jaren die volgden werden vaak door Aretha voorzien van een sound­track. Ik herinner me hoe we de Blues Brothers tien­tal­len keren keken en hoe we de scéne met Aretha nadansten en -zongen, en dat we op mijn vijf­tien­de in de bergen van Tenerife onze rode mul­tighet­to­blas­ter aanzetten, zoals dat ding heette, om in de zin­de­ren­de hitte naar Chain of Fools te luisteren. In café De Toog, waar ik een paar jaar als kok werkte, stond Aretha op de cassettes die het diner van sfeer moesten voorzien, en vrijwel elke begin­nen­de of ein­di­gen­de liefde die sindsdien passeerde, werd aan­ge­kleed met mijn uit­dij­en­de collectie Aretha Franklin‐cassettebandjes.

Omdat ze op zoveel momenten in mijn leven belang­rijk was, heeft ze ook meerdere functies gehad: de opzweper op momenten dat ik tegen iets opzag, de inspi­ra­tor toen ik zelf zangeres wilde worden, de ver­zach­ter als het leven pijnlijk was en ja, de koningin dus. Vooral op momenten dat ik haar live zag, op tv, of op Youtube en dacht: fucking hell!

Zoals dit fragment. Zonder geac­teer­de vrou­wen­glim­lach, gewoon zingen, pia­no­spe­len, weer­ga­loos timen en Aretha Franklin zijn. Wow.

Of dit. Queen of Soul én Gospel for sure, featuring Ray Charles.

In al mijn enthou­si­as­me gaf ik mijn moeder ergens rond 1988 nog een plaat van Aretha die toen net uitkwam, Who’s zoomin who. Omdat ik wegens een paral­lel­lo­pen­de Eurythmics‐liefhebberij erg geloofde in dit nummer:

Maar bij nadere beluis­te­ring bleek die elpee een onge­loof­lij­ke kutplaat. Sindsdien greep ik alleen nog terug op ouder werk van Aretha, en dat is er gelukkig genoeg.

Mijn top 3

Ik kon ook een top 100 maken, want ze heeft zeker 100 goede liedjes, maar een volgorde bedenken is lastig. Vandaar en daarom slechts 3.

3. Border song (Holy Moses)

Ik had hier ook Son of a Preacher Man of Aretha’s versie van The Weight kunnen plaatsen. Aretha en gospel is gewoon een niet te versmaden com­bi­na­tie. Het is de timing, de gevoe­lig­heid voor hard en zacht, de onver­sne­den muzi­ka­li­teit.

2. Blue Holiday

Hier had ook Don’t play that song kunnen staan, maar omdat ik die hierboven al in een live‐versie voor­scho­tel­de, mag deze invallen. De ballads van Aretha zijn vaak geslaagd, maar ook grijs­ge­draaid en niet zelden iets te zoet­sap­pig gear­ran­geerd. Maar met deze ballad kan ze me krijgen. Er zijn weinig nummers die melan­cho­lie zo mooi nabootsen als dit. Ik geloof oprecht dat die holiday onge­loof­lijk blue was.


1. Won’t be long.

Een van de eerste nummers die ik leerde kennen, was Won’t be long, omdat de elpee van mijn moeder ermee begon. Toevallig is het ook een van de eerste nummers waarmee Aretha in 1961 de hitparade beklom. Het is verreweg mijn favoriet, nu al 31 jaar lang. Door het tempo, het zingen, de totale overgave tot de aller­laat­ste noot. Er bestaan heel goede live‐versies van dit nummer, maar de versie op de plaat Queen of Soul vind ik de beste, dus die heb ik opgezocht.

Beeld: Wikimedia Commons
Share this Post

2 Comments

  1. Bedankt voor de liedjes en de inspi­re­ren­de woorden. Een mooi eerbetoon.

  2. Met plezier naar jouw muziek keuze geluis­terd.

    Vrien­de­lij­ke groet,

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>