Een krant kan het nooit goed doen

Op Twitter stelde Maarten Jan mij een vraag. Ik ken Maarten Jan niet, maar in zijn bio staat ‘zegt weinig, vraagt veel’ en dat vind ik een mooi uitgangspunt. Dus hier een serieus antwoord op zijn vraag.

‘Als ik een artikel in de krant zie over een onderwerp waar ik veel vanaf weet (bijvoorbeeld gaming), is het altijd rampzalig slecht. Geldt dit ook voor andere onderwerpen en hoe komt dit?’

Laat ik beginnen met te zeggen dat de vraag te groot is om te beantwoorden, want wat is slecht? Welk aspect vind je slecht? De invalshoek? De vergaarde informatie? De selectie? De schrijfstijl? Hoe bepaal je of je niet te veel verwacht? Welke media heb je geconsumeerd voor je die mening had? In hoeverre had je andere media moeten raadplegen? En als het artikel voor jou niet de juiste aanpak of inhoud had, zou het voor een ander wel de juiste aanpak of inhoud kunnen hebben? Oftewel: behoor je tot de doelgroep? Vragen, vragen, vragen die je eigenlijk allemaal eerst nauwgezet zou moeten langslopen voor je een gedegen antwoord kunt geven.

Dus alles wat ik antwoord, zal geheid een nieuwe vraag oproepen en elke analyse geeft slechts een fractie weer van de encyclopedie die je over journalistieke kwaliteit zou kunnen schrijven. Niettemin wil ik toch proberen een bondig, doch bevredigend antwoord te geven.

Een van de eerste dingen die ik als docent Journalistiek vraag als ik met studenten praat over interviewen, is of ze zelf wel eens geïnterviewd zijn. Want als je zelf de bron van een artikel bent geweest, weet je hoe uitgekleed jouw o zo genuanceerde gedachten werden weergegeven, hoe jouw duiding werd ingebed in het arrangement van het verhaal van een ander, en hoe jouw woorden – gevangen in de kolommen van een krant – ineens ontdaan werden van jouw context. Als je dat al eens hebt meegemaakt, zul je als journalist beter beseffen hoezeer een kleine verschuiving van woorden een grote verschuiving van gedachten teweeg kan brengen.

In het verlengde daarvan zat in het eerste jaar Journalistiek steevast een fluisterspel ingebed: in een groep van 20 mensen werd een boodschap ‘doorgefluisterd’ waarna het verhaal van nummer 1 werd vergeleken met dat van nummer 20. Uiteraard hadden die twee verhalen nog maar betrekkelijk weinig met elkaar te maken, waarmee de feilbaarheid van de verspreiding van informatie op kleine schaal zichtbaar werd.

Maar ook al ben je je bewust van het feit dat informatie gedoemd is om uitgekleed of verdraaid bij de ontvanger te komen, dat wil nog niet zeggen dat je daar ook iets aan kunt doen. De omstandigheden waaronder journalistiek bedreven wordt en de verscheidenheid aan verwachtingen van al die verschillende lezers zijn een garantie voor teleurstellingen.

Ik zal een paar van die omstandigheden langslopen.

Snelheid

Als een krant eens in het jaar zou verschijnen zouden de stukken vermoedelijker beter zijn. De journalist zou meer tijd hebben om zich in te lezen, om er eens goed over na te denken, om nog wat te overleggen en om tot op de kleinste details te herschrijven. Needless to say: bij een omloop van 24 uur liggen de zaken iets anders. Veel redacteuren van kranten moeten meerdere stukken per dag produceren en in de ernstigste gevallen wordt er slechts een paar minuten nagedacht over inhoud, aanpak en woordkeuze. Het mag niet verbazen dat check-dubbelcheck dan sneuvelt.
Snelheid is het wezen van de krantenjournalistiek en daar kun je – terechte – vraagtekens bij zetten. Maar zelfs als je daar vraagtekens bij zet: de hedendaagse journalistiek zit nu eenmaal zo in elkaar. De lezer krijgt elke dag een krant met een voorspelbaar aantal pagina’s die allemaal van onder tot boven vol staan. De lezer zou zelfs klagen als de krant een dag niet zou verschijnen, of als er lege pagina’s in de krant zouden staan, omdat de redactie niet overtuigd was van de inhoud.

Geld

Waarmee we naadloos aankomen bij een andere grote beperking bij het journalistieke handwerk: geld. Betaalde oplages lopen terug, redacties krimpen, budgetten krimpen en journalisten moeten enorm veel tijd en energie besteden aan een vak dat veel verantwoordelijkheid met zich meebrengt, maar dat vaak niet goed en soms zelfs ronduit beroerd wordt beloond. Je kunt zeggen wat je wilt, maar efficiëntie geeft weinig tijd voor reflectie en de redacties zijn wel gekrompen, maar de kranten niet of nauwelijks. Als je met minder mensen dezelfde hoeveelheid pagina’s moet vullen, heb je onvermijdelijk minder tijd per artikel.

Allrounders

Een ander aspect aan de journalistieke praktijk is dat dagbladjournalisten vaak generalisten zijn, terwijl een deel van de lezers specialist is. De krant kan niet anders dan met een aanzienlijk deel allrounders werken, want er zijn duizenden onderwerpen waarover geschreven moet worden en redacties bestaan niet uit duizenden werknemers. Het is dus niet verwonderlijk dat een journalist vaak minder goed thuis is in een onderwerp dan de specialisten onder zijn lezers.
Een gevleugelde uitspraak in de journalistiek is: je hoeft zelf niet te weten hoe het zit, maar je moet weten wie het wél weet. Dat klinkt eenvoudig, maar dat is het niet, want elk onderwerp kent tientallen invalshoeken, uitgangspunten en mogelijke bronnen. Elke vraag geeft een wending aan het verhaal, elke invalshoek sluit een andere uit en elke bron kan je iets vertellen dat ook weer gecheckt moet worden. En zo kom je bij een reeks andere bronnen die weer iets anders zeggen, wat jij vervolgens weer moet checken en vertalen naar de lezer in een stuk dat in niks recht doet aan alle uitzoekerij.
Daarbij komt dat een journalist gebaat zou zijn bij verschillende competenties, denk aan: veel algemene kennis, op sommige vlakken veel specifieke kennis, sociale vaardigheden, een groot netwerk, een soepele schrijfstijl, immense flexibiliteit en zelfstandigheid, een groot verantwoordelijkheidsgevoel, kennis van de dynamiek op een redactie, kennis van het productieproces en inzicht in de ontvangst van het geschrevene door de lezer. Het zou mooi zijn als alle journalisten over al deze competenties zouden beschikken, maar uiteraard is het omgekeerde aan de hand: de meeste journalisten zijn wat zwakker in een of meer van deze competenties, want journalisten zijn ook maar mensen.

Mensen

Prima bruggetje naar het volgende kopje, al zeg ik het zelf: journalisten zijn ook maar mensen. Met alle vooroordelen, slordige trekjes en onbewuste blinde vlekken van dien. Bovendien heb je ijverige journalisten en journalisten die er met de pet naar gooien, journalisten met een slechte dag en zij die hun finest hour beleven. Journalistiek is een vrij beroep, dus er zijn hoogopgeleide journalisten, laagopgeleide journalisten, journalisten met kennis van journalistieke uitgangspunten en journalisten zonder die kennis.
Natuurlijk hebben de meeste kranten een redactiestatuut en een deontologische code, en vrijwel iedereen heeft een eigen waardensysteem waar de journalistieke werkwijze aan wordt afgemeten, maar dat leidt niet tot unanieme overeenstemming over wat een goed artikel is.
Elk dagblad is een bundeling van al die eigen denkramen. Journalisten zullen niet alle teksten van collega’s als waardevol beoordelen en hoofdredacteuren hebben geen tijd om elke letter in de krant eens rustig af te wegen voor de drukpers in gang schiet.
Iedereen die wel eens samen met iemand anders een tekst heeft geschreven, weet dat je over ongeveer elk woord kunt twisten. Zelfs als je tevreden bent over het resultaat is de kans groot dat jij de zinnen van je mede-schrijver anders zou hebben geformuleerd en andersom, kortom: één manier om een tekst te schrijven bestaat niet. Zelfs de schrijver van een stuk zou het artikel de volgende dag vaak alweer anders schrijven.

Mensen (2)

Waarmee we komen tot de tweede categorie mensen: de lezers. De lezer is niet gauw tevreden, en dat siert hem, want journalistieke informatievoorziening is belangrijk genoeg om voortdurend kritisch bekeken te worden. Tegelijkertijd is de honger van de lezer onstilbaar. Redactiemailboxen zitten vol met de vraag waarom dit wél en dat niét in de krant stond, er komen complimenten binnen voor teksten waar andere lezers juist over klagen, en de abonnee vraagt de redactie de ene keer wanneer de aanpak nu eindelijk verandert en de andere keer of alles niet gewoon bij het oude kan blijven. Kortom: een krant kan het nooit goed doen.
Als je dan bedenkt dat de lezer te lijden heeft onder dezelfde menselijke eigenschappen als de journalist: zelfoverschatting, slordigheid, niet goed lezen, niet goed interpreteren enz. etc., dan kun je vaststellen dat the eye of the beholder doorslaggevend is.

In de oorspronkelijke vraag wordt gamingjournalistiek als specifiek voorbeeld aangehaald en hoewel ik denk dat elke specialist veel te klagen heeft over verhalen die door generalisten onder tijdsdruk in de krant worden gezet, vallen voor deze specifieke tak van journalistiek wel verklaringen te verzinnen waardoor het mogelijk meer opvalt dat journalisten nu eenmaal niet feilloos zijn. Het is immers een relatief nieuw vakgebied, waarbij vaak jonge journalisten worden ingezet die hun sporen nog niet hebben verdiend, en die mogelijk niet dezelfde doorwrochte werkwijze hanteren als hun meer ervaren collega’s. Bovendien is het een vakgebied waarin veel nieuws in het Engels wordt verspreid, en het is bekend dat feiten en meningen snel verloren raken in de vertaling. Veel mensen overschatten hun leesbegrip in het Engels. Tot slot: bij gamingjournalistiek is door het internationale karakter ervan verleidelijk om een journalistieke productie bij elkaar te googelen. Zoals we allemaal weten is Google alleen zinvol als de omstandigheden het toelaten om je bronnen te onderwerpen aan weloverwogen beoordeling. En dan zijn we weer terug bij die vermaledijde omstandigheden.

Mijn advies: neem de tijd om de juiste krant te kiezen. Alle kranten maken fouten, maar sommige kranten gaan transparanter en ethischer met die fouten om, en bij sommige kranten zie je beter hoe moedwillig die fouten gemaakt worden.

• In het kader van 40 dagen bloggen is dit dag 28. Gisteren was dag 27, toen heb ik niks geplaatst, maar die vrije dag doe ik mezelf cadeau. Er is al genoeg strengheid in mijn leven.