Hoe Facebook ons vinkje wel krijgt

‘Het programma is gestopt. Wil je een foutenrapport versturen om ons te helpen het programma te verbeteren?’ De eerste keer dat ik die ­melding op mijn scherm kreeg, moet een jaar of twintig geleden geweest zijn. Ik vroeg me ongetwijfeld af wat de vraag te betekenen had. Moest ik op ‘verzenden’ klikken? Of juist niet? Wat was een fouten­rapport? Een registratie van wat ik had gedaan? En wat hád ik eigenlijk gedaan? Was het intiem? Mochten ze het weten? Trouwens, hoe gingen ze dat dan ‘ver­sturen’? Op mijn thuiscomputer had ik nog geen internet, dus ik stelde me voor dat er ergens in het moederbord een chip wachtte tot het internet voor particulieren betaalbaar werd, om zodra ik eindelijk zou inbellen, een scheepslading computerkliks door te spelen aan iemand die daar god-weet-wat mee zou doen. Tege­lijkertijd klonk het wel goed, die verbetering. Niets plezieriger dan dat het programma niet meer zou crashen, toch? Dus volgde ik een zwalkstrategie: soms koos ik voor ‘verzenden’, soms voor ‘bekijk het maar met je gespioneer’.

Toen ik in het jaar 2000 thuis internet kreeg, klikte ik steeds vaker op ‘niet verzenden’. De spionagechip en de hotline zaten me niet ­lekker en mede dankzij een artikelenserie waarin ik zelf de logfiles van openbare computers in het hoger onderwijs analyseerde, leerde ik rond de millenniumwisseling hoe zinnig het kon zijn om caches te legen en geniepige logfiles te herkennen.

Maar er was geen houden aan, in 2003 begon ik een weblog en zag ik met eigen ogen hoe bezoekers van mijn site die zich slechts één keer bekend hadden gemaakt, jarenlang identificeerbaar bleven. Daardoor besefte ik ten volle dat iedereen in de gaten gehouden wordt, ook ik. Niet alleen door die archiefchip op mijn computer, maar ook door bevriende webloggers, door de extremisten over wie ik als journalist schreef, en mogelijk door elke computer waarmee ik direct of indirect contact legde.

Facebook liet deze week weten voortaan transparanter te willen zijn over wie welke informatie van ons krijgt. Het bedrijf doet dat niet uit goedertierenheid, maar omdat de Europese Unie paal en perk wil stellen aan de verspreiding van persoonsgegevens met een regeling die in mei van kracht wordt. Die regeling zal Facebook dwingen onze toestemming te vragen voor wat het achter onze rug bekokstooft. Dus anticipeerde het bedrijf op die wetgeving met het privacy-equivalent van een ‘greenwashing’-campagne: gewoon doen alsof je de beste leerling van de klas bent. Dat is een methode die populair is onder oliemaatschappijen, die met ­foto’s van sappige landschappen hun onschuld willen voorwenden. Facebook veegt zijn straatje schoon door breed uit te meten dat het niets liever wil dan ons de controle over onze persoonsgegevens teruggeven.

Maar het is schijnprivacy, gelegitimeerd door de EU. Want hoewel de Unie al jaren aanstuurt op uitdrukkelijke toestemming, blijkt het helemaal niet zo moeilijk om de massa toestemming te laten geven voor allerlei digitaal gesnuffel. Denk aan de Facebook-testjes van het kaliber ‘Welk Harry Potter-personage ben ik?’ Omdat die je ‘persoonlijkheid’ zouden moeten analyseren, geven de mensen die eraan deelnemen zonder aarzelen toegang tot hun Facebookaccount, ook als dat betekent dat God en klein Pierke in­zage krijgen in zaken die niets met het testje te maken hebben.

Zo zijn er meer voorbeelden van apps en software die ongemerkt je persoonlijke levenssfeer binnendringen. Hoewel nooit is vast komen te staan dat de onbenullige testjes op Facebook directe invloed hadden op bijvoorbeeld de verkiezing van Donald Trump, lijkt het er wel op dat de big data die ermee verzameld worden, beter dan onze naasten kunnen voorspellen waar we op welk moment gevoelig voor zijn. Die sluwe methodes om toestemming te krijgen voor onzichtbaar rondneuzen, zijn dus interessant voor iedereen die ons zou willen manipuleren.

Notoire winstmakers en gewetenloze stemmentrekkers zullen investeren in gewiekste software met manipulatieve vormgeving en doordachte formuleringen die ons beloven dat alles beter werkt als we even dat vinkje zetten. Ze zullen hopen dat we denken: ja ja, het is al goed, en ze zullen gelijk krijgen.

Twintig jaar geleden meende ik nog dat mijn programma niet meer zou crashen als ik maar netjes meewerkte. Inmiddels weet ik beter, maar nog steeds jok ik, mede dankzij EU-wetgeving, dat ik de voorwaarden heb gelezen voor ik akkoord ging, en ik zet dagelijks gedachteloos de deur open voor cookies die ik eigenlijk helemaal niet wil. Helaas zullen we ook met de nieuwe Europese regels de hinderlijke pop-ups die we maar half begrijpen mechanisch blijven wegklikken, waarmee we de inhaligen en manipulators nog steeds een warm welkom zullen geven.

Deze column verscheen op woensdag 31 januari 2018 in De Standaard.