Toch nog wat te verliezen

Al in de zandbak zeiden we dat we nooit zouden trouwen. Onze moeders waren van de generatie haren op je benen, en de mantra ‘zorg dat je nooit afhan­ke­lijk wordt van een man’ was alom tegen­woor­dig in de maat­schap­pij. Op de lagere school en mid­del­ba­re school idem dito: ik, mijn vrienden, we waren ervan overtuigd dat we nooit zouden huwen. We zouden ons niet over­le­ve­ren aan het juk van het systeem, we riepen dat echte liefde zich niet liet vangen in wetgeving of een aan­spreek­ti­tel. En wat voegt het toe? Die enorme smak geld die je neerlegt om die ene keer een feestje te geven? Je moest harts­toch­te­lijk­heid toch altijd vieren? Nee, wij zouden er niet aan beginnen.

Toch trouwde ik twee keer en veel gene­ra­tie­ge­no­ten met mij. Omdat echte liefde dan wel niet in wetgeving te vangen was, maar erf­rech­ten en andere deel­rech­ten wel, omdat ik geen prin­ci­pi­ë­le bezwaren had tegen lang­du­ri­ge ver­bin­te­nis­sen, inte­gen­deel, en omdat het buik­ge­voel uit mijn zand­bak­tijd misschien niet de beste basis was voor beslis­sin­gen op latere leeftijd.

Vandaag vijf jaar geleden trouwde ik met degene voor wie ik zeven jaar eerder al meer offerde dan mijn zand­bak­ac­ti­vis­me. Ik had mijn job opgezegd, mijn huis verkocht, mijn bandje opge­bla­zen en mijn vrienden tot‐veel‐minder‐ziens gekust. Ik had besloten het grootste deel van mijn schepen achter mij te ver­bran­den om bij hem te zijn. In zijn land. In zijn leven.

De zand­bak­ac­ti­vist in mij zag mijzelf als een onaf­han­ke­lij­ke glo­be­trot­ter die dat gewoon even deed, huizen kopen en verkopen, goed werk hebben en dat weer opzeggen, trouwen, scheiden, kiezen en verliezen. Maar in wer­ke­lijk­heid kostte het me erg veel energie om wortel te schieten in de nieuwe aarde en ongewild leverde ik me over aan een zekere mate van afhan­ke­lijk­heid van de enige in ons huis­hou­den die wel geworteld was: mijn echt­ge­noot.

Gelukkig heb ik een fan­tas­ti­sche echt­ge­noot, en we hebben een gro­ten­deels onge­vaar­lij­ke relatie: wij praten heel erg veel met elkaar, ook over hoe ver­schil­lend we zijn. Zóveel dat we eigenlijk zelden con­flic­ten hebben. We weten exact waar we aan toe zijn, dus de kans dat we onver­wacht geen trek meer in elkaar hebben is zeer gering. Maar dat neemt niet weg dat ik afhan­ke­lijk ben. En hij van mij. We hebben samen een bedrijf, samen een huis, samen een inkomen, samen een ziels­ver­want­schap en samen een dagelijks leven. Bovendien kan hij onder een auto komen, en ik ook.

Het afgelopen half jaar heb ik die nood­ge­dwon­gen afhan­ke­lijk­heid op de proef gesteld. Het ging slecht met mij, om allerlei zeer ver­klaar­ba­re redenen, intussen werd mijn familie onder­ge­dom­peld in rampzalig onheil, waarover ik niet kan uitweiden, want not my story to tell. Maar als je familie eraan onderdoor gaat, dan gaat je dat – ook op afstand, of misschien juist – niet in de koude kleren zitten. Intussen liep een aantal lang­du­ri­ge projecten op hun einde, een aantal opdrach­ten draaiden uit op cliff­han­gers en mijn cre­a­ti­vi­teit leed ver­schrik­ke­lijk onder de totale over­ver­moeid­heid die zich steeds verder opbouwde.

Gisteren hoorde ik dat ik niet langer columnist zal zijn van De Standaard (voor meer daarover hier of hier). Onver­wacht weer een hap uit mijn inkomen, en uit de over­tui­ging dat het allemaal wel goed zal komen, maar ook een stap richting nog minder onaf­han­ke­lijk­heid. Het is al regel­ma­tig andersom geweest, dus er is heus evenwicht, maar ik denk vaak aan mijn zand­bak­tijd, toen ik zweerde dat ik nimmer mijn autonomie te grabbel zou gooien. Kijk waar ik nu zit: in een situatie die ik in mijn eentje niet zou kunnen betalen, niet zou wensen, en waarin ik alleen maar overeind blijf omdat er iemand is die me stut.

Het geweldige aan Wannes is dat hij hier hetzelfde over denkt als ik. We willen allebei niet afhan­ke­lijk zijn van elkaar, maar miepen niet als dat wel zo is en werken dubbel zo hard als dat nodig is om de ander in de luwte te houden. Het grote verschil tussen Wannes en mij is dat hij niet al zijn schepen achter zich heeft verbrand en ik de meeste wel. Mijn hul­pe­loos­heid is groter en voelt ook groter. Maar juist op dat punt, rock‐bottom, weet je hoe belang­rijk hulp is, hoe onzinnig het is om onaf­han­ke­lijk­heid te wensen als je een zetje nodig hebt, en hoe heilzaam het is als iemand je onvoor­waar­de­lijk steunt.

Vandaag ben ik vijf jaar getrouwd met degene die, wanneer ik denk: verrek, ik heb echt niéts meer te verliezen, het allemaal de moeite waard maakt.

5 reacties

  1. dom dom dom (van de Standaard dan)… en dat voor zo’n slimme krant??! Ik las je columns altijd graag en vond ze soms zelfs te scherp, dus wat willen ze daar nou helemaal? Maar goed, never waste a good crisis, en daarvoor heb je blijkens dit fijne stukje toch alweer een stap gezet.

  2. maartje

    Dank je wel! Ik heb dat vaker gehoord: eerder te scherp, te veel hyper­bo­len. Het is niet gemak­ke­lijk om erachter te komen wat ze precies wilden. Dank voor je berichtje!

  3. Je columns in De Standaard las ik meestal hier, want gea­bon­neerd op een andere krant. Jouw manier van de dingen benoemen en je heldere schrijf­stijl zijn voor mij een voorbeeld van hoe ik vaker zou willen schrijven als ik ooit weer eens genoeg tijd in mijn blog steek. Begrijp niet wat ze bij De Standaard willen? Hoezo niet fel genoeg? Ik vind je wel fel, maar dan zonder andere te beledigen. Heel aangenaam dus. Sterkte met de weg omhoog! Jij vindt iets nieuws, dat weet ik zeker.

  4. Anneleen

    Neeeeee, het enige goede aan die hele krant waren jouw stukjes (inhoud, stijl) en die van Marc Reynebeau. Pot­ver­do­rie. Hopelijk kan ik je bin­nen­kort weer op meer plaatsen lezen dan je (erg fijne) website.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.