Columns

Met veel plezier schrijf (en schreef) ik columns voor allerlei fijne opdrachtgevers, waaronder Radio 1, VPRO en De Standaard.

De gluurcultuur is een hit

Een jaar of twintig geleden begon ik een klantenkaartencarrousel. Met een stel vrienden ruilde ik klantenkaarten in de hoop dat ons winkelprofiel een rommeltje zou worden en de supermarkt zou denken dat de veertigjarige man in ons gezelschap tampons en make-up aanschafte, terwijl de student budget had voor een dagelijks biefstuk. We hoopten een stok in de spaken van het systeem te steken en hoewel het goedbedoeld was, is het een schitterend voorbeeld van de halfbakken houding die velen van ons aan­nemen als het om persoonsgegevens gaat. We wilden niet meewerken aan listige marketingtrucs, maar we wilden wel korting.

Het was een klein protest tegen een steeds groter wordend probleem: de handel in persoonsgegevens die voorspellen wat ervoor nodig is om ons onze ziel te laten verkopen. ‘Een spinnenweb waarvan we nauwelijks doorhebben dat we erin zitten’, zo beschreef technosocioloog Zeynep Tufekci de verleidingstechnologie die ons omringt vorig jaar in een TED Talk. Ze vergelijkt onze online omgeving met het snoeprek bij de kassa van de supermarkt: het valt niet op dat het er staat, we nemen het niet eens serieus als verleidingstechniek, maar uit de omzetcijfers blijkt dat het werkt. Volgens Tufekci is onze online omgeving volledig opgetrokken uit ‘verleidingsarchitectuur’, en de machthebbers – of dat nu op sociaal, economisch of politiek vlak is – hebben dankzij die architectuur de middelen om je te bekijken, te beoordelen en, bovenal, te sturen.

Afgelopen week bleek opnieuw dat de muren oren hebben toen The Guardian, Channel 4 en The New York Times details onthulden over Cambridge Analytica, het bedrijf dat de toegang tot Facebook-gegevens misbruikte voor manipulatie van 50 miljoen kiezers. In de nasleep van dit schandaal ontdekten gebruikers dat Facebook veel meer van ze bijhoudt dan ze dachten, waarna voor sommigen de maat vol was. Zij deactiveerden hun account.

Maar stoppen met Facebook is net als mijn vroegere klantenkaartencarrousel: een halfbakken houding. Neem de hashtag #deletefacebook, die populair is op Twitter. De mensen die oreren dat ze niet akkoord gaan met de spionage, dragen met hun berichten bij aan hun persoonsarchief dat in stukjes over het internet drijft. In dat dossier komt te staan: 1. Las een artikel over Facebook. 2. Googelde: ‘hoe Facebook verwijderen?’ 3. Deactiveerde Facebook-account. 4. Gebruikte daarna de hashtag #deletefacebook op Twitter. 5. Whatsappte naar partner: ‘Facebookaccount gewist! Zo opgelucht!’
Dus in plaats van iets te wissen, voegen ze iets toe aan hun digitale doopceel: vijf acties die een overtuigende bijdrage leveren aan het psychosociale profiel dat er al ligt. Er komt in elk geval een vinkje bij ‘is gevoelig voor maatschappelijke onrust’.

Want het probleem is overal. Als u deze column op de website van De Standaard leest, lopen er trackers op kousenvoeten door uw elektronica. Zij geven door wat u hier doet en die informatie kan elders op het internet weer gekoppeld worden aan gegevens die eerder over u verzameld werden. Want uw dossier ligt klaar, ook als u nooit een Facebook­account had of als u weinig op Facebook doet. Facebook is slechts een pijnlijk symptoom van een breder probleem en ermee stoppen is als een pijnstiller slikken, terwijl je been geamputeerd moet worden: een hele opluchting, maar het onderliggende probleem wordt niet opgelost.

Want tenzij we zelf een mast optrekken of een glasvezelkabel leggen, zijn we digitaal overgeleverd aan bijvoorbeeld Telenet, dat persoonsgegevens mag verhandelen aan ‘vennootschappen die met Telenet een contract voor levering van diensten hebben afgesloten’. Onder die persoonsgegevens vallen ook factuur- en betalingsgegevens, leef- en consumptiegewoonten en locatiegegevens.

In januari 2018 gebruikte 89 procent van de Belgen internet en sinds een jaar geleden de eerste berichten over de lepe truken van Cambridge Analytics verschenen, kwamen er in België 600.000 nieuwe socialemediagebruikers bij die allemaal met open ogen in het kleverige web van de surveillancecultuur vliegen.

Vorige week stemde ik als Nederlands staatsburger in een referendum tegen de nieuwe wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, want de wet moet beter. De tegenstemmers vormden een nipte meerderheid, en dat was hoopgevend, maar het politieke landschap zit tegen en dat is gevaarlijk. Want de macht ligt in Nederland en België vooral bij rechts georiënteerde machthebbers voor wie de gluurcultuur een geheide politieke hit is en die weinig belang hebben bij begrenzing. Het is zowel financieel als electoraal winstgevend om een web te spinnen rond mensen met een halfbakken houding.

Deze column verscheen op woensdag 28 maart 2018 in De Standaard.

Willekeur is een neerwaartse spiraal

Goed nieuws: maar liefst 37 procent van de Belgen heeft voldoende financiële kennis en vertoont over het algemeen verstandig financieel gedrag. Daarmee zit België boven het Europese gemiddelde, dat is een applaus waard. Het slechte nieuws is dat ruim ­zeven miljoen Belgen óf weinig van geldzaken begrijpen, óf onvoldoende financieel bewustzijn aan de dag leggen, óf te weinig anticiperen op de toekomst. Bij 5 procent van de bevolking is het een combinatie van die factoren, dat zijn de ‘financieel analfabeten’ (DS 12 maart).

Bij tijd en wijle hoor ik ook bij die groep analfabeten. Want hoewel ik als hoogopgeleide redelijk serieus met mijn geld omga, ben ik vaak radeloos als ik probeer chocola te maken van mijn rekeningen, als ik de duistere regels van het zelfstandigenbestaan wil doorgronden of als ik nadenk over hoe ik mens-, dier- en milieuvriendelijk kan consumeren en toch een zekere spaarzaamheid kan betrachten. Ondanks mijn harde werk is mijn inkomen slechts een krets hoger dan de armoedegrens, maar ik kom wel rond, op het nippertje. Het zou goed zijn als ik mijn situatie zou kunnen verbeteren, of als ik me beter zou voorbereiden op slechtere tijden, maar het is twijfelachtig of me dat zal lukken.

Ik maak mezelf altijd wijs dat ik mijn armoede zelf heb gekozen. Ik kies er zelf voor een slecht betaald beroep uit te oefenen, ik bepaal zelf de prioriteiten in mijn uitgavenpatroon, ik heb zelf besloten als zelfstandige door het leven te gaan en ik neem zelf op gezette tijden vrijaf om te voorkomen dat ik mentaal of lichamelijk kopje-onder ga. Daarmee leg ik alle verantwoordelijkheid bij mij, want dat spelden we elkaar en onszelf op de mouw: wat er ook gebeurt, je hebt het allemaal aan jezelf te danken.

Gelukkig vond ik troost in een onlangs gepubliceerde paper over de willekeur van succes. De onderzoekers stellen dat de mensen die de grootste financiële successen boeken, niet de mensen zijn met de meeste talenten, maar de mensen met het meeste geluk – wat dan wel geen nieuwe bewering is, maar volgens de academici in kwestie wel voor het eerst bewezen kon worden.

Daarbij komt dat de duivel altijd op de grootste hoop schijt, want de maatschappij investeert meer in succesvolle mensen, waardoor financiële rijkdom behalen niet alleen een loterij is, maar ook nog eens een razend oneerlijke loterij. De winnaar krijgt boven op de winst een gratis lot mee voor de volgende trekking.

De onderzoekers zeggen te hopen dat ze met hun publicatie het ‘naïeve meritocratische denken’ kunnen beteugelen: het idee dat rijke mensen rijk zijn, omdat ze nu eenmaal erg goed zijn in wat ze doen. Ook die kritiek op de meritocratie is niet nieuw. In België tekenen armoede en rijkdom zich steevast af langs dezelfde krijtlijnen: vrouwen zijn armer dan mannen, zwarte mensen zijn armer dan witte, mensen met een beperking hebben minder financiële draagkracht dan mensen zonder, en ga zo maar door. De verklaring voor die verschillen ligt niet in de talenten van de fortuinlijke groepen, maar in het feit dat we meer kansen bieden aan de mensen die lang en breed op voorsprong staan.

Zo bekeken is willekeur een neerwaartse spiraal en geluk het juiste pigment, een goede gezondheid, de juiste genen, een welgestelde afkomst, een veilige kindertijd en een geaccepteerd geloof, om maar wat te noemen. Allemaal zaken die grotendeels beïnvloed kunnen worden door de mensen die de verdeling van kennis, geld en macht in handen hebben.

Want geluk mag dan willekeurig lijken, het is onderhevig aan machts­verhoudingen die je niet oplost door financiële opvoeding in de eerste graad van het middelbaar verplicht te maken, zoals minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) heeft besloten. En ook niet door ons, zeven miljoen Belgen, aan te sporen om beter ons best te doen om ambtelijke brieven en ondoorgrondelijke dienstverleners te begrijpen, maar wel door het om te draaien: als het probleem niet individueel maar structureel is, hoe kunnen we de structuur veranderen?

Want ik had een ruime voldoende voor economie toen ik van school kwam, en ik verdien al mijn hele zelfstandigenbestaan elk jaar meer. Maar mijn zelfredzaamheid is niet opgewassen tegen de geniepige verzwaringen van het rouletteballetje dat mijn financiële wel en wee bepaalt.

Deze column verscheen op woensdag 14 maart 2018 in De Standaard.

Digitale tolweg

Wie het internet vandaag nog ‘de digitale snelweg noemt’, verraadt zijn leeftijd. Deze metafoor uit de tijd dat we cybertechnologie alleen konden bevatten als we het vergeleken met een plak asfalt, is een zachte dood gestorven. Inmiddels heeft de dimensie van enen en nullen, hoe ongrijpbaar ook, geen metafoor meer nodig om waarachtig te zijn.

Toch zouden we er goed aan doen de toegangsweg tot mensen en informatiebronnen wat vaker te vergelijken met een openbare weg. Want er is steeds vaker geen andere route dan de digitale om informatie te vergaren of in contact te blijven met mensen. Zelfs overheden dwingen ons geregeld om via een digitaal middel op de hoogte te blijven van hun wel en wee. Het internet is niet alleen vergelijkbaar met een asfaltweg, het heeft in veel gevallen de weg vervangen.

Tot zover is er niet veel aan de hand. In plaats van mensen te ontmoeten en informatie te halen in een gebouw verderop, wenden we ons tot een website waarop we duiding en contacten vinden, en de meesten van ons vinden dat heel handig. Het is veel sneller, er is meer aanbod en de connecties en informatie zijn beter toegankelijk voor mensen die fysiek, mentaal, financieel of maatschappelijk beperkt zijn in hun bewegingsvrijheid.

Maar als we de metafoor doortrekken, kunnen we ons afvragen of de toegang wel wordt gewaarborgd. Is de weg vrij toegankelijk? Kun je overal naartoe? Moet je veel geld neerleggen?

Het antwoord is: nee, de toegankelijkheid is verre van gewaarborgd. De kabels en draadloze netwerken zijn in handen van providers die veel geld vragen voor weinig kwaliteit en die in bijvoorbeeld Portugal voor vijf euro een bundel met Google aanbieden, maar je tien euro extra afhandig maken als je ook op Youtube wilt. Gewoon surfen waar je wilt, is er daar niet meer bij. De software die we vervolgens gebruiken om in contact te treden en informatie te delen, is in handen van bedrijven die van binnen gluren en onrust stoken een verdienmodel hebben gemaakt en die bepalen welke vrienden en kennissen we nog mogen bezoeken, denk aan Facebook en Twitter. En tot slot: als we willen weten hoe we die commercialisering van toegangswegen moeten beschouwen, kunnen we voor informatie slechts terecht bij bijvoorbeeld Google en de grote uitgevers. Helaas hebben zij niet alleen deels dezelfde verdienmodellen, namelijk binnen gluren en onrust stoken, maar omdat ze de achterkant van advertenties volschrijven en winst­gedreven clicks moeten genereren, normaliseren ze de situatie van de verpatste infrastructuur ook. Natúúrlijk is de informatievoorziening een commerciële aangelegenheid, natúúrlijk zijn onze sociale kanalen in de eerste plaats bedoeld als manier om geld te verdienen. Hoe zou het anders moeten?

Terwijl, hoe natuurlijk zouden we het vinden als we ’s ochtends de voordeur openen en er blijkt een groot hek te staan? De weg van a naar b is onbereikbaar en er staat een stelletje bewakers dat je vertelt dat de weg is verpatst en dat je er alleen door mag als je een zak geld neerlegt en precies doet wat zij zeggen. Dus je geeft het geld en je laat je al je persoonlijke gegevens afnemen. Je weet dat de informatie wordt verkocht aan mensen die je bang of hebberig willen maken en dat het geld wordt geïnvesteerd in een manier om nog meer winst uit jou te persen, maar je hebt geen keuze.

Als je die situatie voor je deur zou aantreffen, zou je smeken om een overheid die waarborgt dat je de weg vrij kunt gebruiken en dat je met bekenden en onbekenden in contact kunt treden zonder een winst­jagerstol te betalen. Je zou er een rechterarm voor geven als de hoeders van jouw belangen zouden investeren in een eigen weg, eigen stenen, eigen stoepen, eigen kruispunten en eigen afslagen, zodat de controlerende en de uitvoerende macht nog iets te zeggen hebben over de bewegingsvrijheid van burgers. En je zou wensen dat je de beschikking zou krijgen over alle informatie die nodig is om zo’n overheid verkozen te krijgen. Maar tot die verkiezingen zou je met tegenzin je ziel verkopen aan marketeers vermomd als bewakers, want je moet nu eenmaal de deur uit.

Deze column verscheen op woensdag 28 februari in De Standaard.

Het venijn zit in het brein

‘Heb je al gereset?’
‘Ja, natuurlijk. Waarom doe je alsof ik dat zelf niet kan bedenken?’
‘Ik doe niet alsof je het zelf niet kan bedenken, ik vraag het gewoon.’
Deze conversatie voeren mijn man en ik met enige regelmaat wanneer ik met een technisch probleem kamp en hij checkt of ik de meest voor de hand liggende oplossingen al heb geprobeerd.

Zelf maak ik me ook schuldig aan ongegrond wantrouwen. ‘Denk je er wel aan eerst het bed af te halen en dan pas te stofzuigen? En heb je de juiste maat vuilniszakken bij je? Je kunt voor een pompoen trouwens beter de dunschiller gebruiken.’ Dit soort dingen zeg ik vaker dan me lief is en ik kan mezelf niet uitstaan als ik me op die manier met hem bemoei.

Want ik weet dat hij een ijverige poetser is en hij weet dat ik technisch mijn mannetje sta en toch zetten we elkaar weg als sukkels. Niet omdat we een relatie hebben waarin we elkaar met argwaan bejegenen, integendeel, we zijn nogal liefdevol in de omgang, maar omdat we opgroeiden in een tijd waarin vrouwen op keukentrapjes de ramen lapten en mannen slechts bijdroegen door het betreffende keukentrapje uit de schuur te halen. Onze ouders waren dan wel behoorlijk geëmancipeerd, de wereld waarin we leefden was dat niet.

Mijn man en ik lijden aan systeembevestiging. In theorie weten we dat de rolverdeling niet klopt, maar in de praktijk schikt ons gedrag zich naar de grillen van de cultuur waarin we ons ontwikkelden. Een cultuur waarin mannen zich wierpen op kabeltjes en buizen en vrouwen op groentebouillon en propere huizen.

Waarom kook ik? Waarom zet hij de vuilnis buiten? Waarom ben ik degene die aan cadeautjes denkt? En waarom kiest hij de muurpluggen uit? Dat is niet omdat ik geen vuilniszakken kan tillen, of omdat ik geen maten van boortjes weet te combineren met maten van pluggen, en het is ook niet omdat hij geen gezonde maaltijd kan bereiden of niet in staat is te denken aan de mijlpalen van anderen. Het is omdat alles om ons heen deze taakverdeling ademt.

We praten het hardnekkig goed, mijn man en ik. Hij heeft nu eenmaal minder last van nare luchtjes, logisch dat hij de vuilnis buitenzet. Ik heb in een restaurant gewerkt, logisch dat ik kook. We twijfelen er niet aan dat we deze rolverdeling volkomen vrijwillig hebben aangenomen, wij, geëmancipeerde veertigers met gezond verstand. Maar juist die verklaringen zijn een geniepige methode van onze hersens om het plaatje te laten kloppen. Het venijn zit in ons brein. Systeembevestiging geeft ons het heerlijke gevoel dat de dingen zijn zoals ze zijn, omdat we er bewust voor kozen, terwijl bewezen is dat we onze keuzes nauwelijks bewust maken.

Het thema van Internationale Vrouwendag 2018 is ‘Vrouwen en mannen zijn overal gelijkwaardig’, een belofte uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Maar er is één plek waar vrouwen en mannen niet gelijkwaardig zijn en dat is in ons eigen hoofd. Want of je nu een Dolle Mina bent of een monstermacho, beide reptielenbreinen worden geprogrammeerd in dezelfde cultuur van moeders die in de keuken staan en vaders die zich over de kliko ontfermen.

We moeten het dus een beetje forceren, de papa’s, de mama’s en de anderen met serieuze invloed. We moeten met zijn allen tegen de stroom in de indoctrinatie beperken. Want zolang in mannenbladen geen cadeautjes voor de buurvrouw staan en we in vrouwenbladen geen afgeprijsde gereedschapskisten vinden, zullen we niet ontkomen aan het juk van een brein dat het goed bedoelt, maar dat reddeloos verloren is tegen de overblijfselen van een eeuwenoude cultuur.

Ter ere van Internationale Vrouwendag schreef ik deze column voor Femma Magazine.
Hier vind je de website van Femma.
Hier vind je het Femma Magazine.

• Er wordt veertig dagen geblogd in blogland, dit is dag 22.

Waar kan ik heen?

Mijn moeder zei het soms als ik zeurde om meer hagelslag op mijn boterham: ‘Als het je hier niet bevalt, ga je toch weg?’ Ze gaf me uiteraard niet echt de keuze om mijn tandenborstel en mijn teddybeer in te pakken, maar als ze geen zin had in de discussie, gebruikte ze het als machtsmiddel. Het was haar manier om duidelijk te maken dat ze de baas was. En hoewel mijn innerlijke driftkikker schreeuwde ‘oké, dan ga ik wel!’, was de werkelijkheid onverbiddelijk, want waar moest ik heen?

‘Waar kan ik heen? Ik kan niet naar China,’ zong Het Goede Doel in diezelfde tijd en hoewel de vluchtneigingen van de tekstschrijvers wortelden in het No future-sentiment van begin jaren tachtig, was het ook een geschikte soundtrack voor een negen­jarige die zat te mokken in haar kamer. ‘Is er leven op Pluto? Kun je dansen op de maan? Is er een plaats tussen de sterren waar ik heen kan gaan?’

Fast forward naar 23 jaar later. Ik twijfelde niet over België. Of misschien eventjes, omdat het niet niets is, ontslag nemen en je naasten verlaten, maar de twijfel was van korte duur. Er wachtte een liefde, er wachtte een leven, en het zou een einde maken aan ontwrichtende financiële en lichamelijke consequenties die een lange­afstandsrelatie met zich brengt.

Maar wat bleek: België twijfelde wel over mij. Want hoewel ik me al geruime tijd neerlegde bij een enkele laag hagelslag, bleek het machtsmiddel ‘als het je niet bevalt, ga je toch weg’ nog steeds actueel. Ik kreeg het te horen toen ik een foutparkeerder vroeg om zijn bestelwagen niet voor mijn raam te zetten, het werd me geadviseerd toen ik Belgische freelancetarieven ter discussie stelde, en ik kreeg het niet zelden te verstouwen in de ongezellige berichten die je als columnist geregeld ontvangt. Zelfs weldenkende mensen zeggen soms tegen me: ‘Je hóéft hier toch niet te zijn?’

Er is soms verwarring over waar ik dan wel naartoe zou moeten. Op basis van mijn uiterlijk adviseren mensen me vaak om de terugreis naar de Caraïben of Marokko te boeken, maar mijn stemgeluid leidt meestal tot de tip om in Nederland te gaan zitten klagen.

En dat is de overeenkomst met groepen die nog veel hardnekkiger worden buitengesloten – mensen die hier vaak geboren en getogen zijn: het maakt niet uit waar we vandaan komen, als we maar weggaan. Als je klinkt of eruitziet als een nieuwkomer, dan is dat genoeg om legitieme kritische noten te pareren met de vraag wat je hier eigenlijk nog doet.

De vraag is retorisch, want ze willen het antwoord niet horen. Ze willen niet weten dat we op zoek zijn naar liefde en welbevinden, dat we al jaren hard werken om een leven op te bouwen en dat de vraag waarom we hier nog blijven te groot is om te beantwoorden.

Bovendien is het niet onschuldig om die vraag te stellen, want het is een machtsmiddel, een manier om dissonante stemmen de mond te snoeren en een vorm van microagressie die, als je maar vaak genoeg in herhaling valt, hetzelfde effect heeft als lichamelijke mishandeling. Onderzoekers hebben zelfs ontdekt dat pijnstillers werken als je last hebt van kleinschalige uitsluiting.

Het afgelopen jaar is die vorm van agressie gepromoveerd tot het politieke vergezicht van centrumrechts. De Nederlandse premier Mark Rutte vernauwde zijn verkiezingscampagne begin 2017 tot de quote: ‘Als het je hier niet bevalt, dan ga je toch weg?’ Waarna Gwendolyn Rutten (Open VLD) schreef: ‘Ik kom gewoon op voor wat wij hier normaal vinden. Wie het daar niet mee eens is, hoeft hier niet te blijven.’

In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen zijn er plannen om niet-Belgische Brusselaars voortaan stemrecht te geven, dan kunnen ze meepraten als het ze niet bevalt. Vlaams minister van Brussel Sven Gatz zegt daarover: ‘Na de aanslagen en de rellen voel je dat er een grote noodzaak aan eenheid is en dan is het logisch dat je meer mensen die eenheid laat bepalen.’ Ik lees zijn woorden, strooi nog wat extra hagelslag op mijn boterham en stel vast dat hij van Open VLD is, de partij die meent dat ik hetzelfde normaal moet vinden als Gwendolyn Rutten. En hoewel ik weet dat het me opnieuw die eeuwige vraag zal opleveren, twijfel ik nog maar eens hardop over België.

Deze column verscheen op woensdag 14 februari 2018 in De Standaard.

Hoe Facebook ons vinkje wel krijgt

‘Het programma is gestopt. Wil je een foutenrapport versturen om ons te helpen het programma te verbeteren?’ De eerste keer dat ik die ­melding op mijn scherm kreeg, moet een jaar of twintig geleden geweest zijn. Ik vroeg me ongetwijfeld af wat de vraag te betekenen had. Moest ik op ‘verzenden’ klikken? Of juist niet? Wat was een fouten­rapport? Een registratie van wat ik had gedaan? En wat hád ik eigenlijk gedaan? Was het intiem? Mochten ze het weten? Trouwens, hoe gingen ze dat dan ‘ver­sturen’? Op mijn thuiscomputer had ik nog geen internet, dus ik stelde me voor dat er ergens in het moederbord een chip wachtte tot het internet voor particulieren betaalbaar werd, om zodra ik eindelijk zou inbellen, een scheepslading computerkliks door te spelen aan iemand die daar god-weet-wat mee zou doen. Tege­lijkertijd klonk het wel goed, die verbetering. Niets plezieriger dan dat het programma niet meer zou crashen, toch? Dus volgde ik een zwalkstrategie: soms koos ik voor ‘verzenden’, soms voor ‘bekijk het maar met je gespioneer’.

Toen ik in het jaar 2000 thuis internet kreeg, klikte ik steeds vaker op ‘niet verzenden’. De spionagechip en de hotline zaten me niet ­lekker en mede dankzij een artikelenserie waarin ik zelf de logfiles van openbare computers in het hoger onderwijs analyseerde, leerde ik rond de millenniumwisseling hoe zinnig het kon zijn om caches te legen en geniepige logfiles te herkennen.

Maar er was geen houden aan, in 2003 begon ik een weblog en zag ik met eigen ogen hoe bezoekers van mijn site die zich slechts één keer bekend hadden gemaakt, jarenlang identificeerbaar bleven. Daardoor besefte ik ten volle dat iedereen in de gaten gehouden wordt, ook ik. Niet alleen door die archiefchip op mijn computer, maar ook door bevriende webloggers, door de extremisten over wie ik als journalist schreef, en mogelijk door elke computer waarmee ik direct of indirect contact legde.

Facebook liet deze week weten voortaan transparanter te willen zijn over wie welke informatie van ons krijgt. Het bedrijf doet dat niet uit goedertierenheid, maar omdat de Europese Unie paal en perk wil stellen aan de verspreiding van persoonsgegevens met een regeling die in mei van kracht wordt. Die regeling zal Facebook dwingen onze toestemming te vragen voor wat het achter onze rug bekokstooft. Dus anticipeerde het bedrijf op die wetgeving met het privacy-equivalent van een ‘greenwashing’-campagne: gewoon doen alsof je de beste leerling van de klas bent. Dat is een methode die populair is onder oliemaatschappijen, die met ­foto’s van sappige landschappen hun onschuld willen voorwenden. Facebook veegt zijn straatje schoon door breed uit te meten dat het niets liever wil dan ons de controle over onze persoonsgegevens teruggeven.

Maar het is schijnprivacy, gelegitimeerd door de EU. Want hoewel de Unie al jaren aanstuurt op uitdrukkelijke toestemming, blijkt het helemaal niet zo moeilijk om de massa toestemming te laten geven voor allerlei digitaal gesnuffel. Denk aan de Facebook-testjes van het kaliber ‘Welk Harry Potter-personage ben ik?’ Omdat die je ‘persoonlijkheid’ zouden moeten analyseren, geven de mensen die eraan deelnemen zonder aarzelen toegang tot hun Facebookaccount, ook als dat betekent dat God en klein Pierke in­zage krijgen in zaken die niets met het testje te maken hebben.

Zo zijn er meer voorbeelden van apps en software die ongemerkt je persoonlijke levenssfeer binnendringen. Hoewel nooit is vast komen te staan dat de onbenullige testjes op Facebook directe invloed hadden op bijvoorbeeld de verkiezing van Donald Trump, lijkt het er wel op dat de big data die ermee verzameld worden, beter dan onze naasten kunnen voorspellen waar we op welk moment gevoelig voor zijn. Die sluwe methodes om toestemming te krijgen voor onzichtbaar rondneuzen, zijn dus interessant voor iedereen die ons zou willen manipuleren.

Notoire winstmakers en gewetenloze stemmentrekkers zullen investeren in gewiekste software met manipulatieve vormgeving en doordachte formuleringen die ons beloven dat alles beter werkt als we even dat vinkje zetten. Ze zullen hopen dat we denken: ja ja, het is al goed, en ze zullen gelijk krijgen.

Twintig jaar geleden meende ik nog dat mijn programma niet meer zou crashen als ik maar netjes meewerkte. Inmiddels weet ik beter, maar nog steeds jok ik, mede dankzij EU-wetgeving, dat ik de voorwaarden heb gelezen voor ik akkoord ging, en ik zet dagelijks gedachteloos de deur open voor cookies die ik eigenlijk helemaal niet wil. Helaas zullen we ook met de nieuwe Europese regels de hinderlijke pop-ups die we maar half begrijpen mechanisch blijven wegklikken, waarmee we de inhaligen en manipulators nog steeds een warm welkom zullen geven.

Deze column verscheen op woensdag 31 januari 2018 in De Standaard.

Hulplijnen bij de tafel van 28

Maartje Luif ergert zich aan de kritiek op cyclus-apps. We mogen ze inderdaad niet blind vertrouwen, maar ze helpen vrouwen wel om meer grip te krijgen op hun cyclus.

In Zweden zouden 37 vrouwen zwanger zijn geworden ondanks het gebruik van de app Natural Cycles. Die had moeten voorkomen dat ze zwanger werden (DS 22 januari). Er werd in de ‘Desalniettemin’ meesmuilend over gedaan: dachten vrouwen echt dat een app hun vruchtbaarheid zo nauwgezet kon voorspellen? Moesten big data voortaan onze leidraad worden bij het van bil gaan? Ook Ignaas Devisch zette in zijn column vraagtekens bij mobiele gezondheidstechnieken (DS 23 januari). Het blinde vertrouwen van mensen in mobile health moet met argwaan worden bekeken en de overbevolking zou met dit nieuwe snufje zeker niet worden bestreden.

De vraagtekens over de kritiek­loze manier waarop een deel van de mensen gezondheidstechnologie gebruikt, zijn uiteraard terecht. Maar de aanleiding voor die kanttekeningen, een app die een vrouw helpt om inzicht te krijgen in haar cyclus, verried een enigszins mannelijke blik. Juist in een tijd waarin wetenschappers steeds vaker erkennen dat de kennis van en het onderzoek naar vrouwenlijven achterblijft, en waarin je gezondheid, carrièrekansen en armoede niet los kunt zien van vruchtbaarheid, is het emancipa­toire effect van een cyclus-app enorm. Op school leer je de tafel van 1 tot en met 20, maar je leert geen tabellen die je vertellen op welke datum je maandstonden vallen als je cyclus 26 dagen duurt en de maand 30 dan wel 31 dagen telt. Een app die je helpt om je leven en je agenda te schikken naar de mate waarin je pijn hebt, bloed verliest, of vermoeid of vruchtbaar bent, is een groot voordeel.

Meer kennis nodig

Natuurlijk zou het beter zijn als vrouwen ook zonder app meer grip zouden hebben op hun cyclus. Als ze meer kennis zouden bezitten over de doeltreffendheid van de verschillende anticonceptiemethoden, als ze zich netjes verdiepen in het cijfer­matige deel van hun lichaam, als ze keurig hadden opgelet toen de biologiedocent het gemiddeld aantal dagen tussen menstruatie, eisprong en de daaropvolgende vruchtbaarheid voor ze uittelde. Maar meer kennis mag dan wenselijker zijn, een beetje hulp bij inzicht in hun cyclus is voor veel vrouwen een zegen.

Om mezelf als voorbeeld te nemen: mijn app, Clue, had eerder dan ik in de gaten dat mijn cyclus tegenwoordig 15 dagen duurt. Niet zo lang geleden zou ik me veel langer hebben laten verrassen door die omloopsnelheid, ik zou hebben getwijfeld of ik het wel goed had onthouden, en ik zou het duizend keer op mijn vingers hebben nageteld. Nu had ik een app die op basis van mijn recente verleden vrij snel aangaf: fasten your seatbelt, je cyclus vertoont een belachelijk, maar niettemin onwrikbaar patroon.

Lichamelijke kennis bij vrouwen is veelal gericht op schoonheid en ziekte. Veel vrouwen weten op welke temperatuur een krultang moet staan om hun haar niet te verbranden, maar ze weten niet welke temperatuur hun lichaam heeft tijdens de eisprong, of ze weten dat ze hun borsten moeten checken op knobbels, maar niet wat hun cyclus ze vertelt over hun welbevinden. Vrouwen weten bijzonder weinig over hun lichaam, terwijl er zoveel te weten valt.

Kalenderseks

Apps als Natural Cycles (maar er zijn er meer) worden nu geframed als apps voor vrouwen die ze niet helemaal op een rijtje hebben en daarom zwanger raken. Maar niemand heeft het over de hoeveelheid vrouwen die níét zwanger werden door het gebruik van apps als deze. Vrouwen die misschien wel weten dat periodieke onthouding niet de beste anticonceptie is, maar die zich om allerlei ­redenen toch anders gedragen als ze bij benadering weten wanneer ze vruchtbaar zijn. Vrouwen die daadwerkelijk niet beseffen dat kalenderseks een beroerde vorm van zwangerschapspreventie is, maar het geluk hadden dat het bij hen werkte. Vrouwen die niet zo goed zijn in cijfers, of in biologie, die de tafel van 28 niet in hun hoofd hebben, en die niet weten in welke volgorde menstruatie, eisprong en vruchtbaarheid zich voordoen. Vrouwen bij wie andere anticonceptie zoveel problemen oplevert dat periodieke onthouding alsnog de beste vorm van bescherming is. En dan hebben we het nog niet gehad over de vrouwen die wél zwanger willen worden en hun kans aanzienlijk vergroten met een nauwkeurig rekenmachientje.

Hormoonschommelingen komen met gevolgen. Dan heb ik het niet over de karikatuur van de vrouw met premenstrueel syndroom die humeurig is, maar over het hele spectrum. Lichamelijke, mentale en praktische gevolgen, de kleding die je draagt, de afspraken die je maakt, de wijze waarop je je lichaam ervaart en de manier waarop je jezelf verzorgt. Die gevolgen zouden tot een minimum beperkt kunnen worden als meer vrouwen begrijpen hoe hun cyclus in elkaar zit. In plaats van ginnegappend te schrijven over vrouwen die zwanger worden omdat ze hun lot in handen van een app hebben gelegd, zouden we ons moeten afvragen waarom er niet al lang meer en betere (digitale) instrumenten zijn die vrouwen helpen de gevolgen van hun cyclus te hanteren.

Dit opiniestuk verscheen op woensdag 24 januari in De Standaard.