Columns

Met veel plezier schrijf (en schreef) ik columns voor allerlei fijne opdrachtgevers, waaronder Radio 1, VPRO en De Standaard.

Gekke Henkie en de paardenracepolitiek

Voor de verkiezingen spreken lijsttrekkers over breekpunten en verkiezingsbeloften, maar niet over de compromissen die ze nadien zullen sluiten. Maartje Luif roept op tot lef en rede.

Het is vaste prik: eerst trekken Nederlandse politici als een ware fanfare door de straten om rond te toeteren hoe verwerpelijk de plannen van collega’s zijn, en daags na de verkiezingen zitten ze met gevouwen handen naar elkaar te glimlachen, zich onderwijl het hoofd brekend over hoe ze in hemelsnaam met elkaar kunnen samenwerken zonder dat het woord ‘kiezersbedrog’ valt. De stemgerechtigde kijkt intussen naar een beroerd toneelstuk waarin de badguy zich ontpopt als diplomaat en denkt: ja maar, wacht even, ik ben toch gekke Henkie niet?

Want als de verhoudingen tussen links en rechts in Nederland al sinds de jaren 70 ongeveer gelijk zijn – rechts iets meer dan de helft van de zetels, links iets minder – en er altijd coalities worden gevormd die grote compromisbereidheid vergen, waarom spreken de lijsttrekkers dan voor de verkiezingen zelden over die compromissen? Waarom gaat het wel over breekpunten en verkiezingsbeloften, maar niet over de knieval die nodig is om de andere kant van het spectrum te bereiken?

In de journalistiek is er een mooie term voor: horse race journalism, renbaanjournalistiek. Het is het woord voor verkiezingsverslaggeving die focust op de partij die wint, in plaats van te berichten over het beoogde eindresultaat: een adequate vertegenwoordiging van alle kiezers en een regeerakkoord dat de ideeën van een coalitie van meerdere partijen, zo goed en zo kwaad als het gaat, verenigt. Het woord ‘paardenracejournalistiek’ wijst de journalistiek aan als schuldige van die versimpeling, en dat is niet onterecht, maar de politiek heeft ook boter op haar hoofd. Nadat zijn partij driekwart van de zetels in rook had zien opgaan, zei PvdA-lijsttrekker Lodewijk Asscher dat de kloof tussen burger en politiek wordt gevoed ‘doordat journalisten doen alsof het niet normaal is dat je gaat samenwerken, en doordat politici niet bereid zijn uit te leggen dat je compromissen moet sluiten’. Dat klinkt redelijk, maar intussen bleef hij zelf tijdens de campagne volhouden dat de miljardenbezuinigingen op zorg en sociale zekerheid goed waren voor het land, terwijl hij gewoon had moeten zeggen dat compromissen sluiten met de VVD niet altijd even leuk is.

VVD-leider Mark Rutte maakte het afgelopen zomer nog bonter, toen hij de campagne aftrapte met heuse excuses voor de verkiezingsbeloften die hij had gebroken. Er was aan de hypotheekrenteaftrek gemorreld, er was tóch geld naar Griekenland gegaan en die duizend euro, die hij elke werkende had beloofd, was er ook nooit gekomen. ‘Ik begrijp dat mensen daar boos over zijn’, zei hij deemoedig. Het was natuurlijk eerlijker geweest als hij had gezegd: ‘Luister, de PvdA en de VVD zijn niet uit hetzelfde hout gesneden, dus we moeten water bij de wijn doen. Daar spijt van hebben zou bespottelijk zijn’.

Mede door dat dreigende gezichtsverlies is het niet ondenkbaar dat de Nederlanders een gooi doen naar het wereldrecord ‘kabinet formeren’, dat nu nog in Belgische handen is. Er wordt immers alweer beweerd dat de grote winnaar op links, GroenLinks-leider Jesse Klaver, niet zou moeten aanschuiven in een kabinet met de VVD, omdat hem dan hetzelfde lot beschoren zou zijn als de PvdA. De kiezer zou hem afstraffen voor het feit dat hij compromissen moet sluiten, waarmee we de derde schuldige in dit verhaal hebben: zolang de kiezer liever op de renbaan zit in plaats van te luisteren naar een genuanceerd verhaal van geven en nemen, zal de politiek hem voor gekke Henkie houden. En hij zal niet kunnen ontkennen dat daarin een kern van waarheid zit.

Dit opiniestuk verscheen op zaterdag 18 maart 2017 in De Standaard.

Goedbedoeld seksisme

Twee dagen na Internationale Vrouwendag is het tijd om de scherven bij elkaar te vegen. Een dag waarop de aandacht meer dan anders uitgaat naar ongelijkheid mag dan geen overbodige luxe zijn, de vriendelijk bedoelde parade van powervrouwen die woensdag aan ons voorbijtrok, is schadelijk voor de goede zaak.

Een serieuze man complimenteer je niet met het woord ‘powerman’, hij zou je uitlachen, en terecht. Maar woensdag, de dag dat het om gelijkwaardigheid van man en vrouw moest gaan, vlogen de sterke vrouwen je om de oren. Waarmee de indruk ontstond dat al wat vrouwelijk en sterk is, en ook nog eens haar kans grijpt, boven het normale uitsteekt. Stel je voor dat we het mannelijk volksdeel een dag lang oprecht zouden vieren om de wijze waarop het als sterke powerman zijn kansen durft te grijpen, het zou een potsierlijke toestand worden.

Neem het bericht op Twitter waarmee de Leuvense politie woensdag de aandacht wilde vestigen op de gelijkheidsstrijd tussen mannen en vrouwen: ‘Onze vrouwelijke collega’s weten perfect hun mannetje te staan! #respect #internationalevrouwendag’. In deze tweet gaat veel fout. Zowel het volkomen misplaatste ‘vrouwen die hun mannetje staan’ als het ‘ons’ in dit verhaal impliceert een onontkoombaar mannelijk perspectief. Hoe goedbedoeld ook, het bericht van de Leuvense politie wekt de suggestie dat het wel een hele prestatie moet zijn dat een vrouw bij de politie opgewassen is tegen haar taak. Zozeer dat de mannelijke collega’s daar #respect voor hebben, zozeer dat dit het enige is dat ze kunnen verzinnen om Vrouwendag in de verf te zetten.

Had de Twitter-flik in kwestie zich een beetje verdiept in seksisme en de rol van stereotypering, dan had hij kunnen weten dat in een samenleving zoals de Belgische, waarin mannen en vrouwen relatief gelijkwaardig zijn, goedbedoeld seksisme vaak schadelijker is dan vijandig seksisme. Vijandig seksisme is doorgaans gemakkelijk herkenbaar, denk aan seksuele intimidatie of boodschappen van het kaliber ‘kuthoer, ga terug naar het fornuis!’ Zowel mannen als vrouwen keuren dat soort ongelijkheid veelal af.

Goedbedoeld seksisme daarentegen is een wolf in schaapskleren die zich invreet in de maatschappij. We prijzen vrouwen om stereotiepe eigenschappen zoals warmte en zorgzaamheid en mannen om hun kracht en potentie, en we stellen beschermend gedrag door mannen, als waren alle vrouwen poppemiekes die begeleiding en betutteling verdienen, bewust of onbewust op prijs. Omdat deze systematische ongelijkheid voor beide partijen voordelen heeft – de vrouw kan haar koffer laten dragen en de man zijn spierballen laten rollen – wordt het niet alleen zelden herkend als seksisme, het is zelfs een fenomeen dat mannen én vrouwen aanmoedigen. We houden met zijn allen de systeemfout hartstochtelijk in stand.

Onderzoekers wijzen erop dat vrouwen die overdreven complimentjes krijgen uit mannelijke hoek vervolgens slechter gaan presteren en onzeker worden. Vrouwen die zich ook nog eens ontworstelen aan het predicaat ‘warm en zacht’ roepen onevenredig veel weerstand op, terwijl vrouwen die zich graag laten bijstaan door een man juist op onverbloemde adoratie kunnen rekenen. De man vertegenwoordigt macht en kracht, de vrouw warm en zacht, en beide partijen worden daarvoor voldoende beloond om niet tegen te sputteren.

De vrouwendagtweet van staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken (N-VA) sprak in dat opzicht boekdelen. ‘Topvrouwenteam op mijn kabinet vandaag extra in de bloemetjes gezet!’ Ook hier een en al goede bedoelingen, maar de suggestie dat een vrouw zo warm en zacht is dat ze bloemetjes verdient is hardnekkig, en de foto erbij laat niets te raden over: vijf dames met een roos in de hand, minzaam glimlachend, gegroepeerd rond hun baas die wijdbeens in het midden staat. Ook hier geldt: draai de rollen om en stel je voor dat een ‘topmannenteam’ elk met een roze bloem, glimlachend om een vrouw heen zou staan, het zou lachwekkend zijn.

Omdat goedbedoeld seksisme diep verankerd zit in onze cultuur en maatschappij en ook nog eens veelal op onbewust niveau plaatsvindt, zit er niks anders op dan onszelf een geweten te schoppen. Als vrouwen voortaan zelf hun koffers dragen en mannen de neiging onderdrukken om complimenten te verpakken in pasteltinten, dan zijn we al een heel eind. En mochten de hoeders van de wet zich nog wat inlezen in de achterliggende mechanismen van seksisme, dan is de schade na de volgende Internationale Vrouwendag misschien te overzien. Want met goede bedoelingen en lieve meisjes dempen we de gracht.

Deze column verscheen op vrijdag 10 maart 2017 in De Standaard.

NB De staatssecreatris maakte overigens vlek op vlek door te reageren met onderstaande tweet. In zijn universum vinden vrouwen karten en lasergamen uiteraard heel vervelend. De meeste vrouwen die ik ken zouden kartend lasergamen dan weer geweldig vinden.

Gebakken lucht

Ik verkoop gebakken lucht, te weten, mijn gedachten. In een temperatuur van ongeveer 37 graden smoor ik mijn hersenspinsels, vervolgens laat ik ze wat sudderen en als ze gaar zijn maak ik ze tastbaar door ze in 26 letters op een stukje papier te gieten.

De eerste keer dat ik mijn gedachten verkocht, voelde het alsof ik iemand had opgelicht. Ik was 19 jaar en een opinietijdschrift vroeg me een stukje te schrijven over mijn generatie, de zogenaamde Generatie Nix. Toen ik hoorde dat ik er 50 gulden, ongeveer 1000 frang, voor zou krijgen, viel ik van mijn stoel. 50 gulden? Voor iets wat ik leuk vond om te doen? Iets wat ik misschien ook had gedaan als niemand het had gevraagd? En dat zou dan evenveel geld opleveren als écht werk? Ik vond het onvoorstelbaar. Het was alsof ik betaald kreeg om in bad te zitten, een krant te lezen of een uurtje met de poes te spelen; dingen die iederéén deed en waarvan het in het geheel niet logisch leek er geld aan over te houden.

Een paar weken later stond mijn verhaal in het tijdschrift en er verscheen een bedrag van 50 gulden op mijn rekening. Mijn dubbelhartigheid over die gang van zaken swingde de pan uit. Enerzijds wilde ik van de daken schreeuwen: kijk, mensen willen mijn gedachten afdrukken en er ook nog voor betalen, hoe is het mogelijk? Anderzijds dacht ik: niemand mag dit weten, dit is te bizar voor woorden. Mijn oud-collega’s in het verzorgingshuis moeten hiervoor werken en ik hoef alleen wat te denken. Zo beschamend!

Niet lang daarna begon ik als student aan de School voor Journalistiek. Je zou veronderstellen dat ik daardoor wel gewend raakte aan het idee dat ik mijn inkomen bij elkaar zou scharrelen met denkwerk, maar niets is minder waar. Toen ik voor het eerst een idee voor een artikel verkocht, voelde het – net als de eerste keer een column en de eerste keer een half boek – alsof ik de boel belazerde.

De jaren verstreken en elke keer dat ik mijn gedachten in bundeltjes alfabet wist te slijten, keek ik ongemakkelijk naar de punten van mijn schoenen. Natuurlijk realiseerde ik me steeds vaker dat de waarde van mijn denkwerk zit in de tijd die ik heb besteed aan lezen, aan taalvaardigheid, aan schoondenken, aan schrijven, schrappen, herschrijven en nog meer schrappen. Toch kon ik me regelmatig niet aan de indruk onttrekken dat ik mijn vrije tijd liet sponsoren.

De ambivalentie werd nog groter toen ik leerde onderhandelen. Dan bood iemand 200 euro voor mijn gedachten en dan wist ik: hier moet ik 250 euro van proberen te maken, of zelfs 300. Dat voelde raar, om niet te zeggen ronduit belachelijk. Natuurlijk doe ik research en besteed ik tijd aan het product dat ik lever, maar het is niet vergelijkbaar met de meubelmaker die kan zeggen: het hout en de schroeven kostten dit, en mijn uurloon is dit, dus voilà, hier heb je de prijs. Kennis vergaar je immers een leven lang, letters zijn gratis en ze in de juiste volgorde zetten kost op zich niet eens zoveel tijd. Nee, het is dat denkwerk, die gebakken lucht, die vermaledijde ontastbaarheid, die de prijs opdrijft.

Aan mijn gebakken lucht per kilo, moest ik denken toen ik las over de ruimbetaalde adviesfuncties die onze politici bekleden bij allerhande organisaties. Ik vroeg me af of er iemand bij zat die in de auto naar huis met schroom probeert vat te krijgen op het idee dat hij zijn gedachten omzet in harde valuta. Zou een van die dure adviseurs wel eens in zijn schedelpannetje roeren, net als ik, en beseffen dat de ongrijpbaarheid van wat we doen nederig zou moeten stemmen.

De tekst die zojuist in geluidsgolven uw oor in trilde, bedacht ik terwijl ik stond te koken. Met die tekst betaal ik de tijd die ik nodig heb om nieuwe gedachten te bakken, die ik ook weer verkoop. En dat is waar mijn bescheidenheid begint: iedereen denkt, iedereen heeft gedachten, iedereen staat te koken, maar mijn gedachten zijn van kostwinnend niveau? Ben je gek! Je zou van minder ootmoedig worden.

Deze column las ik voor in de podcast De Maatschappij van Radio Spindokter op donderdag 8 maart 2017.

Luister:

De pijn van de hardwerkende Vlaming

De hardwerkende Vlaming is ziek, langdurig ziek. De favoriete mascotte van politici die de wereld indelen in hardwerkende en minder-hardwerkende mensen heeft het moeilijk, want ze prijzen hem om zijn harde werken, terwijl hij al maanden thuiszit. Zijn lichaam achter zich aan slepend, zijn dagritme naar de vaantjes, de verhouding met huisgenoten onder spanning en last but not least, overmand door zorgen omdat hij moet rondkomen van hooguit 60 tot 80 procent van zijn normale inkomen.

Het klinkt als een grap, maar de werkelijkheid is dat één op de tien Vlamingen langdurig ziek thuiszit. Ruim een derde van hen kampt met psychische klachten. Volgens een recente ondervraging ervaart 10 procent van de Vlamingen te veel stress op het werk en hebben zo’n 280.000 mensen burn-outsymptomen, een kwart meer dan drie jaar geleden. Slechts de helft van de Vlamingen vindt zijn job werkbaar en Belgen blijven veel vaker dan andere Europeanen naar hun werk gaan als ze ziek zijn.

Een van de belangrijke risicofactoren voor een burn-out is plichtsgetrouwheid. Mensen die hun werk erg serieus nemen, komen sneller in de problemen dan zij die de kantjes er vanaf lopen. En kijk, daar herkennen we hem in, de hardwerkende Vlaming. De vleesgeworden verkiezingsslogan is volgens de opportunisten de maat der dingen, maar intussen ligt hij in foetushouding in bed, gordijnen dicht, hopende zichzelf en zijn gezondheid terug te vinden.

Ik weet wat hij voelt, die hardwerkende Vlaming, ooit was ik ook zo’n handen uit de mouwen stekende middenklasser die ten onder ging aan haar ijver. Maandenlang barstte ik in tranen uit als iemand me vroeg hoe het met me ging, omdat ik geen flauw benul had hoe het met me ging. Ik wist niet eens waarom ik huilde. Mijn burn-out vond plaats onder andere omstandigheden, maar één ding hebben de hardwerkende Vlaming en ik gemeen: hij wordt, net als ik destijds, geacht zich te vermannen. Doe een das om, recht je schouders.

Handenvol geld kostte het om mij met duurbetaalde hulptroepen een beter mens te maken. Op dagen dat ik uit alle macht de scherven van mijn leven bij elkaar veegde, kreeg ik ambtelijke brieven met vragen of waarschuwingen van controleurs en raadgevers. Maandelijks probeerde ik in een kil kantoor aan een vreemde vrouw stamelend het onuitlegbare uit te leggen: waarom de wervelwind die door lijf en leven raasde nog steeds niet was gaan liggen. Tegelijkertijd werd alles in stelling gebracht om mijn weerbaarheid en mijn levensstijl aan te passen, terwijl aan de arbeidsomstandigheden niets werd gewijzigd en mijn collega’s eveneens bij bosjes omvielen.

Ziedaar de situatie van de hardwerkende Vlaming. Hij dient als modelburger en als het hem niet lukt om op commando zijn pirouette te draaien, wordt er aan hem gesleuteld tot hij wel dat Duracell-konijntje is waar ze hem voor houden.

De simpelen van geest krijgen de wind in de rug van de marktleider van de inkomensverzekeraars, AG Insurance. Die zet 175.000 verzekerden voor het blok: of je kiest voor een beperkte dekking en dan sturen we consultants – consultants! – op je af, of je houdt onbeperkte dekking maar dan wordt de premie veel hoger. In beide gevallen heb je langdurig slechts 60 tot 80 procent van je inkomen; voor veel mensen een ware aderlating. Dus hoewel we hier te maken hebben met een epidemie die haar weerga niet kent, krijgt elk individueel slachtoffer te horen: ‘Zet jij eens even gauw weer je leven op orde! En wees spaarzaam!’

Het is een vorm van ‘blaming the victim’, ook wel schuldomdraaiing genoemd. Een fenomeen dat volgens wetenschappers de kop opsteekt wanneer we niet kunnen aanvaarden dat de wereld onrechtvaardig of onoverzichtelijk is. Wie het ideaalbeeld verstoort, krijgt de schuld: had hij maar beter in het plaatje moeten passen.

De plannen van minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) om bedrijven te beboeten die geen inspanningen leveren om langdurig zieke werknemers weer aan het werk te helpen, zijn een stap in de goede richting. Maar een minister van een partij die bij uitstek denkt in hardwerkende en minder-hardwerkende Vlamingen zal niet bij machte zijn de complexiteit van het probleem te zien en het slachtoffer uit de wind te houden.

Deze column verscheen op vrijdag 24 februari 2017 in De Standaard.

Uitputting is een middel

‘Ik vertrouw niemand nog’, zei een vriend laatst tegen me. ‘De kranten, het televisiejournaal, politieke partijen waar ik ooit op stemde, niemand.’
‘Je bent ge-gaslight’, zei ik.
‘Ge-wat?’
‘Ge-gaslight.’
Het woord gaslighting komt uit het toneelstuk Gas Light, dat beroemd werd dankzij een film met Ingrid Bergman uit de jaren veertig. In dat stuk zorgt een man dat zijn echtgenote begint te twijfelen aan haar waarneming en haar beoordelingsvermogen, doordat hij voortdurend kleine dingen in huis verandert – waaronder de sterkte van het gaslicht – en vervolgens ontkent dat ze veranderd zijn. De psychologie adopteerde de beeldspraak en definieert gaslighting als een vorm van mishandeling, meestal in relaties, waarbij de dader net zo lang manipuleert en desinformatie verspreidt tot het slachtoffer niet meer weet wat waar is en wat niet. In politieke context duidt het woord op het gekonkel en liegen van leiders en opiniemakers, waardoor de toehoorders alleen nog maar twijfelen aan vermeende waarheden.

Maar godzijdank bent u niet ‘ge-gaslight’, want u leest dit. U bent nog niet afgehaakt, moe gebeukt en murw geslagen door de constante stroom halve, hele en alternatieve waarheden die dezer dagen de ronde doen. U bent bereid om een krantenkop te lezen als ‘Homans ziet armoedecijfers dalen… ze is de enige’ en u staat er niet meer van te kijken dat de Trump-entourage op de vraag waarom de president zo vaak liegt, antwoordt: ‘Maar de president zegt ook veel dat wel waar is.’ Intussen zet u zich schrap voor opnieuw een fact check die korte metten maakt met een nieuwsbericht dat u gisteren nog geloofde. U sloeg deze krant open terwijl de epidemie van ‘wat kan ik nog geloven?’ om zich heen grijpt. U zocht dekking en laat uw ogen rusten op mijn woorden. Zak niet weg in apathie. Blijf erbij. Lees, luister, kijk!

Want uitputting is een middel. Het is niet alleen een gemoedstoestand waarin u de krant dicht laat, een blanco stem uitbrengt en elk gesprek over politiek zuchtend verlaat, het is ook een instrument van de onverschrokkenen, de nietsontzienden en de machtsbelusten. In een voortdurend veranderende onbegrijpelijke wereld heeft het bedwelmen van het volk met halve en hele leugens het effect dat u – het volk – tegelijkertijd alles en niets gelooft, en dat u denkt dat alles mogelijk is en niks nog waar. Zo beschrijft filosofe Hannah Arendt het effect van de leugenfabriek van totalitaire machthebbers in haar boek Totalitarisme. Verwarring als methode van de macht om de waarheid te ontdoen van alle waarde.

In de psychologie zal de therapeut adviseren om de gaslighter te mijden. Kun je scheiden? Vertrekken? De leugens negeren? Doen! Maar in het geval van democratisch gekozen politici die de waarheid herdefiniëren, is dat moeilijk. Je kunt immers niet weg. Bovendien is niet-verdraaide informatie essentieel voor het democratisch proces. Het tweede advies van een psycholoog zou dan zijn: verzamel contraverhalen. Zoek naar bronnen en ooggetuigen die je het vertrouwen in je waarneming, je gezond verstand en jezelf teruggeven. De vraag is: hoe doe je dat bij een clusterbombardement van al dan niet waarheidsgetrouwe berichten? U kunt niet zelf alle feiten checken, elke bron beoordelen en elk gerucht controleren. Gelukkig is daar iets op gevonden: gediplomeerde navorsers, ook wel journalisten genoemd.

Maar wat als u die ook niet meer vertrouwt? Omdat journalisten de plank wel eens misslaan. Omdat niet alle media zelfkritisch genoeg zijn. Omdat de Amerikaanse president het heeft over de meest onbetrouwbare mensen op aarde. Omdat de staatssecretaris van Asiel- en Migratie op zijn twitteraccount verschillende nieuwsmedia door een badje van afgrijzen haalt. Omdat uw gaslighters ook de nieuwsorganisaties in twijfel trekken. Omdat ze de boodschapper als dader aanwijzen, ook als dat niet terecht is.
Bedenk dan: journalisten zijn misschien soms de dader, maar serieuze nieuwsmedia zijn bovenal slachtoffer, want contraverhalen ridiculiseren is een symptoom, en de uitputting die volgt, is een middel.

Dappere lezer, u bent nog niet besmet, want u heeft deze laatste alinea bereikt. U zoekt contraverhalen, u informeert zich en u geeft niet op, want u weet: uitputting is pas een middel als u dat toelaat. Ik ben u dankbaar voor uw volharding. Houd stand en lees een krant!

Tweewekelijks op vrijdag verschijnt er een column van mij in De Standaard. Deze (eerste) column verscheen op vrijdag 10 februari 2017.

Vaste columnist bij De Standaard

Jarenlang hoopte ik het, een vaste column in een medium dat ik hoog had zitten. Ik schreef al veel columns voor grote media, maar vaak tijdelijk, of wel vast, maar dan in niche-media, of in media die niemand kende, of in media die net zo goed niet hadden kunnen bestaan, of of of.

De mensen die mij al langer volgen, weten dat ik me maar deels geaccepteerd voel in België, soms voel ik me eerder ‘getolereerd’ en af en toe voel ik me zelfs niet geaccepteerd. Een column in een Belgisch medium dat ik hoog had zitten, schreef ik in mijn hoofd dus al af: er zijn genoeg mensen minder controversieel door hun afkomst, dus waarom zouden ze mij daarvoor kiezen?

Ik gooide wel eens lijntjes uit, maar ik moet toegeven: leuren is niet mijn sterkste kant en als je dan ook nog eens het vermoeden hebt dat het vechten tegen de bierkaai is, dan neemt de neiging je bakens te verzetten toe. Dus verzette ik mijn bakens.

Tot ik gebeld werd. Of ik een vaste column in De Standaard wilde. Op de opiniepagina’s.

Nog tijdens het telefoongesprek vestigde zich een brok in mijn keel. Wat? Ik? Een Hollandse? Een vaste column? In een medium dat ik hoog heb zitten?

Ik zei ja. Obviously.

De volgende dag werd ik wakker als columnist van De Standaard. Het maakte me nerveus, zoals dat hoort als je een verantwoordelijk taakje hebt gekregen, en ik huilde nog eens van verwarring en blijdschap. Ik las de krant nog beter dan anders. En ik ijsbeerde, zoals dat soms gaat als je een verantwoordelijk taakje hebt gekregen.

Ik praatte met Wannes en mijn ouders. Ik las, luisterde en zag alles, in de hoop gevoed te worden, in de hoop het waard te zijn, en bovenal: in de hoop mijn imposter syndroom eronder te houden. Ik sliep slecht, maar liet de roetsjbaan maar begaan. Het leek me niet zo’n vreemde reactie als je een column krijgt in je nieuwe land, in een krant die je zo hoog hebt zitten.

Na een paar dagen nam de nervositeit af. Ik kan dit, dacht ik. Ik kan columnist van De Standaard zijn zonder mezelf belachelijk te maken. Ik ben geen bedrieger, want dat zou veronderstellen dat zij zo dom zouden zijn mij te vragen. Terwijl: ik heb ze hoog zitten en ik duld geen inconsistentie, kortom: ik kan dit.

En toen werd Trump president. Ik heb mijn mening doorgaans vrij snel paraat, maar dit ging te snel, te hard, te anders. Dat het niet in orde was, was duidelijk, maar hoe ik het allemaal precies moest beschouwen, was me die eerste dagen een raadsel. Dus golfde de nervositeit weer op. What the fuck? Waarom hebben ze me net nu columnist gemaakt? Hadden ze me niet even een aanloopje kunnen geven? Kon ik dit wel? Mijn referentiekader zo snel aanpassen dat het de moeite waard zou zijn om juist mijn mening op de opiniepagina’s te lezen?

Nu praat ik dus opnieuw met Wannes en mijn ouders. Ik lees, luister en zie alles, in de hoop gevoed te worden, in de hoop het waard te zijn, en bovenal: in de hoop mijn imposter syndroom eronder te houden. Ik slaap slecht, maar laat de roetsjbaan maar begaan. Het lijkt me niet zo’n vreemde reactie als je een column krijgt in een nieuwe wereld.

Inmiddels neemt de nervositeit weer af, maar niet omdat ik weet dat ik het kan. Dus op hoop van zegen dan maar: ik ben columnist van De Standaard. En belangrijker: ik vind dat ik daarmee mijn inburgeringsdiploma met vlag en wimpel heb gehaald.

Een illusie armer

De nieuwssite voor personeel van de Vlaamse overheid, 13, bracht een jaarmagazine uit. Ik schreef er een column voor. 

Ter ere van mijn verhuizing van Nederland naar België organiseerde ik tien jaar geleden een afscheidsquiz voor mijn Amsterdamse vrienden. Een van de vragen was: hoeveel regeringen heeft België? Zelf wist ik dat omdat ik in de slipstream van ‘hoe bevries ik mijn pensioen als ik emigreer?’ ook even de uitvoerende macht van België had gegoogeld. Het aantal regeringen verbaasde me en de ultieme quizvraag was geboren. Op de quizavond zelf bleef het antwoord uit, waarna ik sardonisch in mijn vuistje lachte, mijn vrienden een afscheidskus gaf, mijn biezen pakte en mijn rommel over de grens zette.

Aan mijn nieuwe Vlaamse vrienden stelde ik later dezelfde vraag: hoeveel regeringen heeft België? Ze keken onverwacht glazig – vier? drie? zeven? – en vertrokken vervolgens naar de wc om te googelen. Het bleek een van de illusies die ik koesterde over de Belgen: naast de illusie dat ze allemaal min of meer tweetalig zouden zijn, dacht ik dat ze hun eigen staatsstructuur wél begrepen. Het duurde niet lang voor ik in de gaten kreeg dat ik met mijn intensieve cursus Frans menig Vlaming onder de tafel zou lullen en dat de vraag ‘hoeveel regeringen heeft België?’ een onverwoestbare quizvraag zou blijven.

Het stelde me gerust, want ik had de Wikipedia-pagina van de Belgische overheid dan wel meermaals uit mijn hoofd geleerd, het was me nog niet gelukt een overzichtelijk boomdiagrammetje van gewesten, gemeenschappen, regeringen en parlementen voor mijn geestesoog op te hangen. Maar daarmee viel ik dus niet uit de toon.

Uiteraard vroeg ik me af hoe ze het deden, die Vlamingen. Hoe kon je geen idee hebben welke overheden er zoal waren en toch een zinvol maatschappelijk leven leiden? Na een tijdje afkijken, kreeg ik in de smiezen wat de truc was: de Belgen googelden zich een ongeluk. Bij wie moet je zijn voor btw? Google. Wegenbelasting? Google. Nachtlawaai van vliegtuigen? Google. Rechtshulp? Google. Is Kris Peeters minister op Vlaams of op federaal niveau? Google. Welke verkiezingen zijn er ook alweer in 2018? Google.- Waarmee mijn inburgering in een handomdraai was volbracht, want googelen kan ik toevallig als de beste.

Kortom, er is niet veel verschil tussen u en mij, behalve dat ík al heb gegoogeld hoeveel regeringen België heeft en dat u dat nog moet doen. Want u dacht misschien dat u eraan zou ontkomen, maar nu ik u toch aan de lijn heb, laat ik de kans niet liggen om de quizvraag der quizvragen te stellen: lieve lezer, vertel eens, hoeveel regeringen heeft België eigenlijk?