Columns

Met veel plezier schrijf (en schreef) ik columns voor allerlei fijne opdrachtgevers, waaronder Radio 1, VPRO en De Standaard.

Hoe Facebook ons vinkje wel krijgt

‘Het programma is gestopt. Wil je een foutenrapport versturen om ons te helpen het programma te verbeteren?’ De eerste keer dat ik die ­melding op mijn scherm kreeg, moet een jaar of twintig geleden geweest zijn. Ik vroeg me ongetwijfeld af wat de vraag te betekenen had. Moest ik op ‘verzenden’ klikken? Of juist niet? Wat was een fouten­rapport? Een registratie van wat ik had gedaan? En wat hád ik eigenlijk gedaan? Was het intiem? Mochten ze het weten? Trouwens, hoe gingen ze dat dan ‘ver­sturen’? Op mijn thuiscomputer had ik nog geen internet, dus ik stelde me voor dat er ergens in het moederbord een chip wachtte tot het internet voor particulieren betaalbaar werd, om zodra ik eindelijk zou inbellen, een scheepslading computerkliks door te spelen aan iemand die daar god-weet-wat mee zou doen. Tege­lijkertijd klonk het wel goed, die verbetering. Niets plezieriger dan dat het programma niet meer zou crashen, toch? Dus volgde ik een zwalkstrategie: soms koos ik voor ‘verzenden’, soms voor ‘bekijk het maar met je gespioneer’.

Toen ik in het jaar 2000 thuis internet kreeg, klikte ik steeds vaker op ‘niet verzenden’. De spionagechip en de hotline zaten me niet ­lekker en mede dankzij een artikelenserie waarin ik zelf de logfiles van openbare computers in het hoger onderwijs analyseerde, leerde ik rond de millenniumwisseling hoe zinnig het kon zijn om caches te legen en geniepige logfiles te herkennen.

Maar er was geen houden aan, in 2003 begon ik een weblog en zag ik met eigen ogen hoe bezoekers van mijn site die zich slechts één keer bekend hadden gemaakt, jarenlang identificeerbaar bleven. Daardoor besefte ik ten volle dat iedereen in de gaten gehouden wordt, ook ik. Niet alleen door die archiefchip op mijn computer, maar ook door bevriende webloggers, door de extremisten over wie ik als journalist schreef, en mogelijk door elke computer waarmee ik direct of indirect contact legde.

Facebook liet deze week weten voortaan transparanter te willen zijn over wie welke informatie van ons krijgt. Het bedrijf doet dat niet uit goedertierenheid, maar omdat de Europese Unie paal en perk wil stellen aan de verspreiding van persoonsgegevens met een regeling die in mei van kracht wordt. Die regeling zal Facebook dwingen onze toestemming te vragen voor wat het achter onze rug bekokstooft. Dus anticipeerde het bedrijf op die wetgeving met het privacy-equivalent van een ‘greenwashing’-campagne: gewoon doen alsof je de beste leerling van de klas bent. Dat is een methode die populair is onder oliemaatschappijen, die met ­foto’s van sappige landschappen hun onschuld willen voorwenden. Facebook veegt zijn straatje schoon door breed uit te meten dat het niets liever wil dan ons de controle over onze persoonsgegevens teruggeven.

Maar het is schijnprivacy, gelegitimeerd door de EU. Want hoewel de Unie al jaren aanstuurt op uitdrukkelijke toestemming, blijkt het helemaal niet zo moeilijk om de massa toestemming te laten geven voor allerlei digitaal gesnuffel. Denk aan de Facebook-testjes van het kaliber ‘Welk Harry Potter-personage ben ik?’ Omdat die je ‘persoonlijkheid’ zouden moeten analyseren, geven de mensen die eraan deelnemen zonder aarzelen toegang tot hun Facebookaccount, ook als dat betekent dat God en klein Pierke in­zage krijgen in zaken die niets met het testje te maken hebben.

Zo zijn er meer voorbeelden van apps en software die ongemerkt je persoonlijke levenssfeer binnendringen. Hoewel nooit is vast komen te staan dat de onbenullige testjes op Facebook directe invloed hadden op bijvoorbeeld de verkiezing van Donald Trump, lijkt het er wel op dat de big data die ermee verzameld worden, beter dan onze naasten kunnen voorspellen waar we op welk moment gevoelig voor zijn. Die sluwe methodes om toestemming te krijgen voor onzichtbaar rondneuzen, zijn dus interessant voor iedereen die ons zou willen manipuleren.

Notoire winstmakers en gewetenloze stemmentrekkers zullen investeren in gewiekste software met manipulatieve vormgeving en doordachte formuleringen die ons beloven dat alles beter werkt als we even dat vinkje zetten. Ze zullen hopen dat we denken: ja ja, het is al goed, en ze zullen gelijk krijgen.

Twintig jaar geleden meende ik nog dat mijn programma niet meer zou crashen als ik maar netjes meewerkte. Inmiddels weet ik beter, maar nog steeds jok ik, mede dankzij EU-wetgeving, dat ik de voorwaarden heb gelezen voor ik akkoord ging, en ik zet dagelijks gedachteloos de deur open voor cookies die ik eigenlijk helemaal niet wil. Helaas zullen we ook met de nieuwe Europese regels de hinderlijke pop-ups die we maar half begrijpen mechanisch blijven wegklikken, waarmee we de inhaligen en manipulators nog steeds een warm welkom zullen geven.

Deze column verscheen op woensdag 31 januari 2018 in De Standaard.

Hulplijnen bij de tafel van 28

Maartje Luif ergert zich aan de kritiek op cyclus-apps. We mogen ze inderdaad niet blind vertrouwen, maar ze helpen vrouwen wel om meer grip te krijgen op hun cyclus.

In Zweden zouden 37 vrouwen zwanger zijn geworden ondanks het gebruik van de app Natural Cycles. Die had moeten voorkomen dat ze zwanger werden (DS 22 januari). Er werd in de ‘Desalniettemin’ meesmuilend over gedaan: dachten vrouwen echt dat een app hun vruchtbaarheid zo nauwgezet kon voorspellen? Moesten big data voortaan onze leidraad worden bij het van bil gaan? Ook Ignaas Devisch zette in zijn column vraagtekens bij mobiele gezondheidstechnieken (DS 23 januari). Het blinde vertrouwen van mensen in mobile health moet met argwaan worden bekeken en de overbevolking zou met dit nieuwe snufje zeker niet worden bestreden.

De vraagtekens over de kritiek­loze manier waarop een deel van de mensen gezondheidstechnologie gebruikt, zijn uiteraard terecht. Maar de aanleiding voor die kanttekeningen, een app die een vrouw helpt om inzicht te krijgen in haar cyclus, verried een enigszins mannelijke blik. Juist in een tijd waarin wetenschappers steeds vaker erkennen dat de kennis van en het onderzoek naar vrouwenlijven achterblijft, en waarin je gezondheid, carrièrekansen en armoede niet los kunt zien van vruchtbaarheid, is het emancipa­toire effect van een cyclus-app enorm. Op school leer je de tafel van 1 tot en met 20, maar je leert geen tabellen die je vertellen op welke datum je maandstonden vallen als je cyclus 26 dagen duurt en de maand 30 dan wel 31 dagen telt. Een app die je helpt om je leven en je agenda te schikken naar de mate waarin je pijn hebt, bloed verliest, of vermoeid of vruchtbaar bent, is een groot voordeel.

Meer kennis nodig

Natuurlijk zou het beter zijn als vrouwen ook zonder app meer grip zouden hebben op hun cyclus. Als ze meer kennis zouden bezitten over de doeltreffendheid van de verschillende anticonceptiemethoden, als ze zich netjes verdiepen in het cijfer­matige deel van hun lichaam, als ze keurig hadden opgelet toen de biologiedocent het gemiddeld aantal dagen tussen menstruatie, eisprong en de daaropvolgende vruchtbaarheid voor ze uittelde. Maar meer kennis mag dan wenselijker zijn, een beetje hulp bij inzicht in hun cyclus is voor veel vrouwen een zegen.

Om mezelf als voorbeeld te nemen: mijn app, Clue, had eerder dan ik in de gaten dat mijn cyclus tegenwoordig 15 dagen duurt. Niet zo lang geleden zou ik me veel langer hebben laten verrassen door die omloopsnelheid, ik zou hebben getwijfeld of ik het wel goed had onthouden, en ik zou het duizend keer op mijn vingers hebben nageteld. Nu had ik een app die op basis van mijn recente verleden vrij snel aangaf: fasten your seatbelt, je cyclus vertoont een belachelijk, maar niettemin onwrikbaar patroon.

Lichamelijke kennis bij vrouwen is veelal gericht op schoonheid en ziekte. Veel vrouwen weten op welke temperatuur een krultang moet staan om hun haar niet te verbranden, maar ze weten niet welke temperatuur hun lichaam heeft tijdens de eisprong, of ze weten dat ze hun borsten moeten checken op knobbels, maar niet wat hun cyclus ze vertelt over hun welbevinden. Vrouwen weten bijzonder weinig over hun lichaam, terwijl er zoveel te weten valt.

Kalenderseks

Apps als Natural Cycles (maar er zijn er meer) worden nu geframed als apps voor vrouwen die ze niet helemaal op een rijtje hebben en daarom zwanger raken. Maar niemand heeft het over de hoeveelheid vrouwen die níét zwanger werden door het gebruik van apps als deze. Vrouwen die misschien wel weten dat periodieke onthouding niet de beste anticonceptie is, maar die zich om allerlei ­redenen toch anders gedragen als ze bij benadering weten wanneer ze vruchtbaar zijn. Vrouwen die daadwerkelijk niet beseffen dat kalenderseks een beroerde vorm van zwangerschapspreventie is, maar het geluk hadden dat het bij hen werkte. Vrouwen die niet zo goed zijn in cijfers, of in biologie, die de tafel van 28 niet in hun hoofd hebben, en die niet weten in welke volgorde menstruatie, eisprong en vruchtbaarheid zich voordoen. Vrouwen bij wie andere anticonceptie zoveel problemen oplevert dat periodieke onthouding alsnog de beste vorm van bescherming is. En dan hebben we het nog niet gehad over de vrouwen die wél zwanger willen worden en hun kans aanzienlijk vergroten met een nauwkeurig rekenmachientje.

Hormoonschommelingen komen met gevolgen. Dan heb ik het niet over de karikatuur van de vrouw met premenstrueel syndroom die humeurig is, maar over het hele spectrum. Lichamelijke, mentale en praktische gevolgen, de kleding die je draagt, de afspraken die je maakt, de wijze waarop je je lichaam ervaart en de manier waarop je jezelf verzorgt. Die gevolgen zouden tot een minimum beperkt kunnen worden als meer vrouwen begrijpen hoe hun cyclus in elkaar zit. In plaats van ginnegappend te schrijven over vrouwen die zwanger worden omdat ze hun lot in handen van een app hebben gelegd, zouden we ons moeten afvragen waarom er niet al lang meer en betere (digitale) instrumenten zijn die vrouwen helpen de gevolgen van hun cyclus te hanteren.

Dit opiniestuk verscheen op woensdag 24 januari in De Standaard. 

Klagen, dat doen wij hier niet

Zes jaar geleden werd ik horendol van mijn buurhonden die dag in dag uit alleen in de tuin zaten en blaften naar elk teken van leven dat zich aandiende: de wind, een vogel, een spin, een stem, een bel. Het lukte me niet meer me op mijn werk te concentreren en na een paar weken was ik compleet mesjokke. Met de buurman praten, bleek vruchteloos en na ampele overwegingen besloot ik de buren aan de andere kant te betrekken: samen sta je immers sterker. De buurvrouw in kwestie wist direct waarvoor ik kwam. ‘De honden! Het is vreselijk!’ Maar wie schetste mijn verbazing toen ze weigerde om samen met mij het gesprek met onze wederzijdse buurman aan te gaan, want ‘klagen, dat doen wij hier niet’.

Ik stond perplex. Natuurlijk kan ik allerlei redenen bedenken waarom je niet zou klagen: repercussies, een kosten-batenanalyse, verlegenheid, een goed humeur, maar niet klagen ‘omdat wij hier niet klagen’, daar kon ik me weinig bij voorstellen. Om een lang verhaal kort te maken: niemand in de straat wilde een front vormen, mijn man en ik stonden er alleen voor, de hondeneigenaar richtte zijn pijlen op ons en uiteindelijk blaften de honden én de buurman ons naar een ander huis.

In de jaren die volgden, ontdekte ik dat de buurvrouw met die ene zin – ‘klagen, dat doen wij hier niet’ – de volksaard van zowel de Leuvenaars als een deel van de Vlamingen nogal adequaat had samengevat. ­Wanneer ik de afgelopen jaren zo nu en dan ten diepste getart mijn vuist hief, werd er in de coulissen hevig geknikt, maar als het er echt op aankwam, moest ik het zonder back-up stellen. Niet klagen bleek een grotere deugd dan ik voor mogelijk hield.

Als geboren en getogen Amsterdammer is het wennen om niet te zaniken, want in mijn moedertaal is ‘lekker zeiken’ geenszins een tegenstelling. We kankeren wat af, daar boven de bitterballen. In het begin vond ik het dus wel verfrissend, zo’n omgeving waarin men zijn grieven voor zich houdt, een stad waarin je niet bij elke ontmoeting in het verkeer een scheldwoord naar je hoofd geslingerd krijgt, een wereld waarin iedereen een beetje zit te redderen op zijn eigen stukje grond. Mijn indruk was: er wordt hier wel gezeverd, maar alleen in zeer beperkte kring.

Die ontspanning van geen kankerhoer genoemd te worden, hield aan tot ik steeds beter in de gaten kreeg wie er vermorzeld wordt tussen de spaken van ‘ieder voor zich en God voor ons allen’: zij die zich niet ­weten terug te plooien op hun eigen stukje grond, omdat ze letterlijk of figuurlijk geen vaste grond onder de voeten hebben. Zij die weggeblaft worden door al wat het leven zoal aan spreekwoordelijke bloedhonden te bieden heeft. De overlevers die alle reden tot klagen hebben, maar er niet meer aan toekomen, omdat ze in de eerste plaats in de overlevingsstand staan, of zij die niemand hebben tegen wie ze kunnen klagen. De mensen zonder stem, zonder draagkracht, zonder gezondheid.

Als rechtgeaarde Amsterdammer ontschoot mij dus een welgemeend ‘Wat een gotspe!’ toen ik las over de bevoorrechte vrouwen die, gesteund door Jo Vandeurzen (CD&V), minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, de campagne 30 dagen zonder klagen lanceerden (DS 10 januari). ‘We beseffen te weinig hoe goed we het hier hebben’, zeggen de dames, waarmee ze naadloos aansluiten bij de tijdgeest waarin de bevoorrechten het slachtofferschap besmet hebben verklaard en zelfredzaamheid de oplossing zou moeten zijn voor zelfs de meest structurele problemen. De wereld was nog nooit zo rijk, gelukkig, gezond en egalitair, dus wat zeuren jullie nu eigenlijk?

Toevallig werd gisteren ook de campagne ‘Leef zonder filter’ onder de aandacht gebracht (DS 16 januari), waarin jongeren worden gestimuleerd minder naar perfectie te streven door bijvoorbeeld vaker te praten over dingen die niet zo goed gaan. Ook daaraan verleende Vandeurzen openlijk zijn steun, zich kennelijk niet bewust van de vrijblijvendheid die hij op zich laadt door eerst steun te betuigen aan het kamp dat de klagers als contraproductief bestempelt, om vervolgens op te roepen tot een grotere openheid over wat ons dwarszit.

Hij had beter zijn steun kunnen betuigen aan de campagne van de SP.A die ook gisteren werd aangezwengeld: Stop de schuldindustrie. Want het zogenaamde verzwegen argument dat aan al die campagnes met individuele aansporingen ten grondslag ligt, is dat iedereen in zijn eentje verantwoordelijk is voor de oplossing van zijn problemen, terwijl ons geestelijk welzijn dagelijks op de proef wordt gesteld door een systeem dat ons allemaal hard blaffend de mond snoert.

Deze column verscheen op woensdag 17 januari 2018 in De Standaard.

Enige wenken tegen doemdenken

Stelt u het zich voor: aan het eind van het Journaal, na het weerbericht, komt er voortaan een psycholoog in beeld die enkele tips geeft over hoe u kunt omgaan met het wereldnieuws, met de problemen van deze tijd en de zaken waar u zich zorgen om maakt. Een soort humeurbericht, waardoor u niet overspannen raakt door het slechte nieuws dat u zojuist heeft moeten incasseren.

Het klinkt misschien vreemd, maar ik meen het serieus. In deze tijden van zenuwslopende nieuwsstromen blijkt uit steeds meer onderzoeken dat de burger bevriest als het hem te veel wordt. De waanzin wordt eerder genegeerd dan bestreden. En als het aankomt op vechten, vluchten of bevriezen, rolt het balletje steeds vaker linea recta naar het holletje van de weerloze passiviteit.

Neem de vierde nationale klimaat­enquête, waarvan de resultaten onlangs openbaar werden gemaakt. De Belg is zeer bezorgd om het milieu, zelfs bezorgder dan om terrorisme, kanker of armoede, maar toch hebben de meeste Belgen de afgelopen vier jaar hun gedrag niet significant aangepast om klimaatverandering tegen te gaan. Ze zijn het wel van plan, zeggen ze, maar nu even niet. De Belg bevriest door de klimaatopwarming.

Er werd al vaak voor gewaarschuwd: vertel de mensen doemverhalen en ze zullen verstijven. De burger heeft hoop nodig, en het gevoel dat het zinvol is wat hij doet. Deze zomer verscheen in New York Magazine het verhaal ‘The uninhabitable earth’ dat begon met de zin: ‘Als je vooral bang bent voor de stijging van de zeespiegel, dan heb je nog niet half begrepen welke verschrikkingen ons te wachten staan.’ In het artikel beschrijft de auteur op huiveringwekkende wijze wat er met de aarde gebeurt als we ons gedrag niet aanpassen. Het verhaal leidde wereldwijd tot slapeloze nachten bij lezers. Hoewel ook de voorspellingen van de schrijver onder vuur lagen, kwam toch vooral de sombere toon van het stuk hem op een felle reprimande te staan: hoe durfde hij zo’n contraproductief artikel te schrijven? Met de niet mis te verstane titel ‘De onbewoonbare aarde’? Nu zouden we allemaal de moed verliezen en dan zijn we nog verder van huis!

De Belgische klimaatenquête geeft de critici gelijk: hoe overweldigender de bezorgdheid, hoe minder mensen een rol voor zichzelf zien weggelegd. De meeste gezinnen vinden dat de industrie, de landbouw, de transportsector en de automobilisten aan de beurt zijn om een inspanning te leveren, en de overheid natuurlijk, die moet ook wat doen. Zij zelf kunnen het niet, weten het niet, zien het niet.

Maar laten we niet vergeten dat die gezinnen natuurlijk ook gewoon bestaan uit mensen die elke dag op en neer pendelen naar instituties die ze in de enquête ‘de industrie’, ‘de landbouw’ en ‘de overheid’ noemen. Zij die denken dat het geen verschil maakt of ze seizoensgebonden groenten en fruit kopen en van wie nog niet de helft zegt in het stemhokje rekening te houden met klimaatstandpunten, zijn exact dezelfde mensen als die van wie de Belg de oplossing voor zijn grootste problemen verwacht. De leden van de gezinnen zijn immers de consumenten, de producenten, de bazen, de werknemers, de afnemers en de boycotters. Het zijn de automobilisten, de vrachtwagen­bestuurders, de verzenders en de ontvangers, de ambtenaren en hun klanten, de wetgevers en hun uitvoerders en de kiezers en hun gekozenen. Als de gezinnen bevriezen, staat alles stil.

Psychologen adviseren mensen die last hebben van bevriezing om professionele hulp te zoeken en de vroegere Nederlandse Denker des Vaderlands, René ­Gude, raadde aan om verlammende angst te bestrijden met humeurmanagement. Door je angst te onderzoeken en te ontzenuwen, en door de tegenovergestelde emotie af te tasten – roekeloosheid bijvoorbeeld – kom je in het midden terecht bij iets wat je ‘moed’ zou kunnen noemen.

Omdat de bevriezing door de klimaatopwarming ons allemaal treft, zou het onzinnig zijn ieder op eigen houtje de moed te laten hervinden. Bovendien pleiten psychologen al langer voor een prominentere rol voor hun beroepsgroep bij de aanpak van bijvoorbeeld milieuproblemen. En aangezien nieuwsmedia een aanzienlijke invloed hebben op de oorzaak van de bevriezing, is het niet meer dan redelijk dat ze ook een aandeel nemen in de oplossing. Het humeurbericht lijkt me een goede poging daartoe. Want bevriezen is één ding, nog langer bevroren blijven, is het slechtst denkbare scenario.

Deze column verscheen op vrijdag 15 december in De Standaard.

Het moeras van haatberichten

Allemaal terug naar jullie apenland! Wat komen jullie hier doen? Van ons profiteren? Klotevolk! Als ze gaan doppen, weten ze precies hoe het zit, maar onze taal spreken is o zo moeilijk? En wij maar werken voor dat crapuul. Ga terug naar waar je thuishoort!

Welkom op de Facebookpagina van de N-VA. Nee, dit is niet één racistische facebooker die zijn zelfbeheersing verliest, dit zijn zinnetjes uit talloze reacties die afgelopen dinsdag binnendruppelden onder een artikel over een andere taal dan het Nederlands toestaan op school. Een enkele keer reageert de moderator van de partijpagina: ‘Chantal, alle respect voor je mening, maar hou het a.u.b. wel beschaafd’, maar die terechtwijzing (‘met alle respect’) is een uitzondering. Het merendeel van de bezoekers mag ongelimiteerd beledigingen en verdachtmakingen plaatsen. Een eindje verderop op de pagina: ‘Stamp die profiteurs toch eens het land uit, we zijn die zo beu als kouwe pap!’ De moderator is in geen velden of wegen te bekennen.

Haatberichten, discriminatie en intimidatie van mensen of groepen leveren bij de slachtoffers dezelfde stressklachten op als andere misdrijven. Eerst de reflex: vechten, vluchten of bevriezen? Daarna onder meer angst, een laag zelfbeeld en in sommige gevallen een trauma. Als je tot een van de regelmatig gediscrimineerde groepen behoort, denk je dus wel drie keer na voor je argeloos je browser openklikt. Voor je het weet, leidt computertijd tot ernstige psychische klachten.

En juist dat is een probleem. Het internet is voor groepen die achterstelling en ongelijkheid aanvechten een belangrijke schakel om gehoord te worden. Als je geen machtsposities bekleedt, kan het helpen om de macht van het getal in te roepen, zoals onlangs gebeurde met de hashtag #metoo en sinds 2013 met #blacklivesmatter. Alleen door de bundeling van krachten kwamen stemmen die eerder niet of nauwelijks gehoord werden boven het luid geraas van de dominante groep uit. Maar dankzij verbale intimidatie worden juist die stemmen vakkundig terug hun hol in gedreven. Zelfcensuur, vermijdingsdrang, zelfzorg: de groep die onder vuur ligt, moet steeds opnieuw alle zeilen bijzetten om weer een lading agressie te voorkomen of te verwerken.

‘Doe een digitale detox’, lees je dezer dagen her en der. ‘Internet en sociale media creëren geen connecties, ze leiden ons af van waar het werkelijk over gaat. Zet je telefoon uit, pak een boek.’ Maar dat is een luxe die is voorbehouden aan de bevoorrechten. Mensen die opkomen voor hun grondrechten kunnen het zich niet veroorloven om even heerlijk te ontspannen. Zij zijn namelijk echt bezig met waar het over gaat: de krachten bundelen om gelijk behandeld te worden, met een levensgroot risico om in een moeras van racisme, seksisme en belediging te belanden.

In Nederland werd deze week een man veroordeeld tot 40 uur werkstraf, waarvan de helft met uitstel, omdat hij op Facebook schreef: ‘Gewoon weer voor slaaf laten werken kunnen ze ook niet meer klagen is toch wat ze willen dat luie zweet eruit werken nikker daar ben je voor geboren’. De rechter noemde de uitlatingen ‘kwetsend en onnodig grievend voor een hele groep mensen’. In deze zaak is dus eindelijk paal en perk gesteld aan wat je kunt zeggen op internet, maar het is een druppel op een gloeiende plaat.

In België wordt driekwart van de discriminatieklachten, online en offline, geseponeerd en van de behandelde zaken leidt slechts een vijfde tot een veroordeling. Tegelijkertijd meldt Unia dat het aantal klachten over haatberichten nog nooit zo groot is geweest.

Dat betekent dat het internet wordt overgelaten aan het recht van de sterkste en dat het publieke debat dat daar plaatsvindt uitermate onveilig is voor de groepen die er juist het meeste belang bij hebben de arena te betreden.

Minister van Justitie Koen Geens (CD&V) betreurt het dat door onder meer gebrek aan mankracht en prioriteiten zo weinig klachten tot vervolging leiden, maar hij wijst voor een oplossing naar staatssecretaris voor Gelijke Kansen Zuhal Demir (N-VA). Waarmee de bal opnieuw in het kamp ligt van een partij die graag hamert op veiligheid, maar die dagelijks op haar eigen socialemediakanalen laat zien dat ze niet bereid is die veiligheid voor iedereen te waarborgen.

Deze column verscheen op vrijdag 1 december 2017 in De Standaard.

De omgekeerde wereld

‘Zet de palm van je hand onder de kin van de man. Klauw je vingers. Vouw je middelvinger naar beneden en duw met je wijs- en ringvinger de oogbollen eruit.’
Deze instructie kreeg ik op mijn dertiende tijdens een cursus zelfverdediging voor meisjes. In tien weken leerden we nee zeggen, hulp vragen, knieschijven breken, ogen uitsteken en praten over seksueel geweld. De doelstelling was ‘het vergroten van de fysieke en mentale weerbaarheid van vrouwen en meisjes door middel van cursussen zelfverdediging en vechtsporten’, maar de training kon niet voorkomen dat ik in de vijf jaar die volgden twee keer werd verkracht en nog vaker werd aangerand. Niet alleen lieten de situaties het niet toe knieën te breken of ogen uit te steken, ook wreekte zich het feit dat er geen cursussen waren waarin jongens en mannen werd geleerd hoe je zorgt dat een vrouw zich niet weerbaar hoeft op te stellen.
In de #metoo-discussie wordt ook vaak ingezet op de weerbaarheid van vrouwen: zij moeten aan de bel trekken, zij moeten stop zeggen, zij moeten weglopen, zij moeten een klap geven, zij moeten aangifte doen. Maar laat ik je dit vertellen: veel vrouwen zijn dat zat.
Weerbaar zijn is dodelijk vermoeiend en het is de omgekeerde wereld. Altijd op je hoede zijn, negeren, afwijzen, grenzen stellen, je schrap zetten, roepen, vechten; je raakt er uitgeput van.
Ooit had ik een baas die zijn mails aan mij eindigde met ‘liefs en kusjes’. Ik vond dat niet ernstig, maar wel uiterst ongemakkelijk. Als hij in die tijd een hand op mijn schouder legde, zette ik me schrap, want ik had geen idee wat die ‘liefs en kusjes’ te betekenen hadden. In de ogen van de weerbaarmakers had ik moeten reageren met een mail terug ‘Beste baas, wil je dat niet meer doen?’ Maar, eerlijk, was het niet gewoon aan hem om die dingen achterwege te laten? Had hij niet moeten bedenken: ik ben haar baas, misschien is ‘liefs en kusjes’ niet zo gepast? Moeten wij uitleggen dat ongewenste intimiteiten het functioneringsgesprek tot een benauwende aangelegenheid maken? Moeten we tot vermoeiens toe cursusjes betamelijk gedrag geven? Moeten we vechten tot de oogbollen over de vloer rollen?
Begin deze maand overleed Nancy Friday, een gevierde voorvechtster van de seksuele gelijkheid van vrouwen. Volgens The New York Times vond ze seksueel grensoverschrijdend gedrag op het werk niet echt een probleem, want het werk was nu eenmaal voor meeting en mating, vergaderen en neuken.
Dat vrouwen veel vaker dan mannen kampen met ongewenst seksueel gedrag op de werkvloer was het gelijkheidsboegbeeld mogelijk ontgaan. In een interview in Humo deze week maakt een andere oer-feministe, Fay Weldon, het nog bonter. Vrouwen die niet in hun billen geknepen willen worden, moeten een klap geven, en als ze dat niet doen, is dat omdat ze het gemakkelijker vinden om achteraf te klagen. ‘Jonge feministen zijn zo hysterisch. Het is modieus geworden een willoos slachtoffer te zijn, alsof je zelf geen enkele verantwoordelijkheid draagt.’
Wel Fay, dat klopt. Als een collega in mijn billen knijpt, als een vreemde man mij op straat volgt tot aan mijn huis (’heb je een vriend?’), als mijn baas mailt met ‘liefs en kusjes’, dan mag ik toch bovenal verwachten dat zíj verantwoordelijkheid nemen? Of is dat in deze wereld van twee maten te veel gevraagd?
Het #metoo-debat wordt vergiftigd door mensen die beweren dat het leven geen wandeling in het park is en dat je gewoon je grenzen moet aangeven. Vrouwen moeten kordater optreden bij ongewenste sms’jes, eerder hun beklag doen, luider nee zeggen of direct de hotelkamer verlaten. Terwijl: komaan zeg, gedraag je gewoon een beetje!
De cijfers rond seksueel geweld, ongewenst seksueel gedrag en gevoelens van onveiligheid vallen steevast uit in het nadeel van vrouwen, maar volgens Fay Weldon is de feministische revolutie voltooid, hebben de ‘vrouwen gewonnen’ en zijn de ‘mannen geketend’.
Onlangs waagde ik het om in deze krant verlof te vragen voor vrouwen die moe zijn van die dagelijkse weerbaarheid, een soort mentale vakantie van de assertiviteit. Wie schetste mijn verbazing toen ik door mijn oproep van mannenhaat en kleinzerigheid werd beticht. En niet alleen ik, maar veel vrouwen die zich dankzij #metoo eindelijk uitspreken over een leven lang grenzen stellen, krijgen de vraag: waar is jullie weerbaarheid? Maar weet je wat het is: we zijn zo onderhand wel een beetje klaar met die oneindige cursus zelfverdediging.

Deze column verscheen op vrijdag 17 november 2017 in De Standaard.

Dubbele loyaliteit

Ik moet iets bekennen, iets waar ik geheimzinnig over moet doen, omdat sommige mensen argwaan zullen krijgen, omdat er mensen zijn die zullen zeggen: ze wil er niet bijhoren. Ze doet niet mee.
Ik mag twee nationaliteiten aannemen. Ik mag Belg worden en Nederlander blijven. Na elf jaar wonen en werken in België en na een huwelijk met een Belg kan ik namelijk aanspraak maken op rechten en plichten in twee landen. Houd het stil, want zodra ik er echt voor kies, mag er openlijk worden getwijfeld aan mijn intenties.
Zo moesten in Australië deze week de senaatsvoorzitter, de vicepremier en zes andere politici de politieke arena verlaten, omdat de wet ‘dubbel burgerschap’ niet toestaat bij volksvertegenwoordigers en regeringsleden vanwege belangenverstrengeling. Iets dichter bij huis dreigde PVV-leider Geert Wilders donderdag met een motie van wantrouwen tegen de nieuwe Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollongren (D66), die naast de Nederlandse de Zweedse nationaliteit bezit, en tegen staatssecretaris Barbara Visser (VVD), die doordat ze in Kroatië is geboren ook een Kroatisch paspoort heeft. Dubbele loyaliteit. Weg ermee!
Ook in België wordt de juridische fictie van de modelburger met slechts één enkele loyaliteit op hoog niveau gepredikt. Na de staatsgreep in Turkije in juli 2016 pleitte staatssecretaris voor Gelijke Kansen en Armoedebestrijding Zuhal Demir (N-VA), toen nog Kamerlid, voor afschaffing van de dubbele nationaliteit van Turkse jongeren. In augustus van dit jaar liet ze weten dat ze zelf de daad bij het woord zou voegen: ze is een procedure begonnen om afstand te doen van haar Turkse nationaliteit.
De fictieve optelsom van de dubbele loyaliteit is overal ter wereld gemeengoed. Alsof er werkelijk mensen zijn die denken dat je iemand kunt open schroeven en vervolgens op je vingers kunt tellen: daar is loyaliteit één, en – hé! – nog eentje! Deze persoon heeft een dubbele loyaliteit!
Als ik mezelf open schroef, kom ik een woud aan loyaliteiten tegen. Dubbele, driedubbele, wat zeg ik: grenzeloze loyaliteit. Aan mensen, aan plaatsen, aan taakjes, aan dromen, alles in veelvoud, niets afgebakend. Mijn loyaliteit blijkt uit hoe ik praat in mijn hoofd, wie ik ben als ik me verhoud tot anderen. Het blijkt uit de standpunten die ik nu inneem, maar ook uit de wijze waarop ik die heb vergaard. Het blijkt uit hoe ik me gedroeg in nobele en minder nobele tijden, met al mijn minne streken en al mijn heldhaftige daden. Het blijkt uit wie ik ben tegenover mijn studenten en mijn leraren, tegenover mijn lezer en mijn uitgever, tegenover mijn moeder en mijn metekind. Het blijkt uit wat ik zeg tegen bekenden, vreemdelingen en vrienden, en het blijkt bovenal uit de wijze waarop ik me door deze samenleving beweeg. Die optelsom van onvergelijkbare grootheden zal je iets vertellen over mijn loyaliteit, niet de hoeveelheid paspoorten in mijn achterzak.
Mijn paspoort is voor mij een praktisch document: ik bewijs ermee dat ik in de basisadministratie van een land sta, ik mag ermee vliegen en ik mag er sommige landen mee in. Maar het bepaalt niet mijn intenties, niet wie ik ben, wie ik wil zijn, hoe anderen me zien en wat daarvan waar is. Dat bleek ook toen ik de vraag aan een grote groep mensen stelde op sociale media: ‘Als jullie mij waren, zouden jullie dan de Belgische nationaliteit aannemen, de Nederlandse houden, of kiezen voor een dubbele nationaliteit?’ De tientallen antwoorden waren eensluidend: als ze mij waren, zou vrijwel iedereen kiezen voor een dubbele nationaliteit. De antwoorden kwamen uit linker- en rechterhoek en van bekenden en onbekenden. De antwoorden waren kort en pragmatisch. Geen smartlappen over volksaard, geen tranentrekkers over geboortegrond, geen bloed dat door aderen stroomt en niemand die twijfelde aan mijn loyaliteit. Slechts praktische overwegingen over administratieve rechten ten aanzien van pensioen, erfenis en mantelzorgterugkeer. En begrip voor de wens te mogen stemmen in het land waar je leeft, wat voor velen een groot goed is.
Ik ben geneigd dit soort wezensvragen als luxeprobleem te beschouwen en een grote groep denkt er net zo over. De meesten geven aan dit soort zaken net als ik het liefste zo praktisch mogelijk op te lossen, zonder inbreuk op de eigen normen en waarden, en met zo min mogelijk ambtelijke rompslomp. Maar dat is buiten het populaire politieke discours gedacht, waarin schuldig door associatie ook schuldig is. Dus mocht u willen weten waar ik uiteindelijk voor kies: van mij zult u het niet horen. Het luxeprobleem blijkt immers een mijnenveld waarin ik met een fictieve optelsom mijn geloofwaardigheid kan verliezen.

Deze column verscheen op vrijdag 3 november in De Standaard.